Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2969

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
30-07-2010
Zaaknummer
93354 - HA ZA 03-733
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asbestverontreiniging. Verkoper aansprakelijk voor de uit de verontreiniging voortvloeiende schade. Causaal verband. Omvang te vergoeden schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2010/46 met annotatie van H.J. Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 93354 / HA ZA 03-733

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARCHON BV,

gevestigd te Maarsbergen,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. F.P.J.M. Otten,

tegen

1. de naamloze vennootschap

PONTMEYER N.V., voorheen genaamd PontEecen N.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PONTMEYER HANDELSBEDRIJVEN B.V., voorheen genaamd PontMeyer B.V. en tevens als rechtsopvolgster van PontMeyer Meppel B.V.,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagden in conventie,

eiseressen in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M. Ynzonides.

Eiseres in conventie, verweerster in reconventie, zal hierna Archon genoemd worden. Gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, zullen hierna gezamenlijk PontMeyer c.s., en afzonderlijk respectievelijk PontMeyer N.V. en PontMeyer Handelsbedrijven genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van de rechtbank van 26 januari 2005

- het vonnis van de rechtbank van 23 maart 2005, waarbij is bepaald dat van voormeld tussenvonnis hoger beroep kan worden ingesteld

- het arrest van Hof Amsterdam van 10 augustus 2006, nr. 929/05

- het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2008, nr. C06/326HR

- de akte tot wijziging van eis van Archon van 1 april 2009

- de antwoordakte van PontMeyer c.s. van 27 mei 2009

- de antwoordakte, tevens akte tot vermindering van eis van Archon van 19 augustus 2009

- de antwoordakte van PontMeyer c.s. van 14 oktober 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil

in conventie

2.1. Archon heeft zowel bij akte van 1 april 2009 als bij akte van 19 augustus 2009 zonder bezwaar van PontMeyer c.s. haar eis gewijzigd, waarbij zij onder andere haar vordering jegens PontMeyer N.V. heeft ingetrokken. Gelet op het feit dat PontMeyer B.V. en PontMeyer Meppel B.V. inmiddels via een juridische fusie zijn opgegaan in PontMeyer Handelsbedrijven, vordert Archon kennelijk dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. PontMeyer Handelsbedrijven veroordeelt tot betaling van EUR 1.009.205,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum, waarop de diverse betalingen zijn gedaan, zoals gespecificeerd in productie 82;

II. PontMeyer Handelsbedrijven veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 5.536,12;

III. PontMeyer Handelsbedrijven veroordeelt in de proceskosten.

2.2. Archon heeft ter toelichting op haar eiswijzigingen aangevoerd dat alle saneringskosten inmiddels bekend zijn, zodat het bedrag van de volledige schade in de onderhavige procedure kan worden begroot en de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure is komen te vervallen, dat geen BTW over het schadebedrag meer wordt gevorderd, dat de wettelijke rente wordt gevorderd vanaf het moment waarop de uitgaven zijn gedaan, dat zij ervan af ziet vergoeding voor de kosten verband houdende met de olieverontreiniging te vorderen en dat de claim in verband met de bijkomende financieringskosten evenredig aan de aan de asbestsanering toe te rekenen bijkomende uitgaven is verminderd.

in voorwaardelijke reconventie

2.3. Voor de vordering in voorwaardelijke reconventie en haar grondslag verwijst de rechtbank naar r.o. 4.1 en 4.2 van het tussenvonnis van 26 januari 2005.

3. De verdere beoordeling

in conventie

3.1. Het Hof heeft in zijn arrest van 10 augustus 2006 geoordeeld dat het bepaalde in art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit meebracht dat Archon op de gekochte grond pas bouwwerkzaamheden kon laten verrichten nadat de grond ontdaan was van alle asbest (vglk. r.o. 4.5-4.5.1); dat de koopovereenkomst een garantie van PontMeyer c.s. inhield dat het perceel bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezat die nodig zijn voor het door Archon voorgestane gebruik, te weten gebruik voor woningbouw (vglk. r.o. 4.6.2-4.6.6), en dat aannemelijk is - tot het tegendeel is bewezen - dat de asbestverontreiniging is ontstaan vóór de verkoop en levering van het bedrijfsterrein aan Archon (vglk. r.o. 4.7.2-4.8). Het Hof heeft PontMeyer c.s. toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de asbestverontreiniging eerst is ontstaan na de verkoop en levering van het bedrijfsterrein aan Archon en tussentijds cassatieberoep opengesteld.

3.2. De Hoge Raad heeft het door PontMeyer c.s. tegen het arrest van het Hof van 10 augustus 2006 ingestelde beroep in cassatie op inhoudelijke gronden verworpen, waarbij hij met betrekking tot het oordeel van het hof dat de grond ontdaan diende te zijn van alle asbest heeft overwogen (r.o. 3.4.3):

“[…] Het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de door Archon voorgenomen bouwwerkzaamheden niet konden plaatsvinden zonder dat werkzaamheden in de bodem zouden worden verricht waarbij de betrokken werknemers in aanraking zouden kunnen komen met asbest verontreinigde grond, en dat dit slechts kon worden voorkomen door verwijdering van de met asbest verontreinigde grond voordat met de werkzaamheden werd aangevangen. Dit oordeel behoefde […] in het licht van de gedingstukken geen nadere motivering.[…]”

3.3. Pontmeyer c.s. heeft afgezien van verdere bewijsvoering en partijen hebben besloten tot doorhaling van de procedure bij het Hof en tot voortzetting van de procedure bij deze rechtbank.

3.4. Vast staat dat PontMeyer c.s. jegens Archon aansprakelijk is voor de uit de asbestverontreiniging voortvloeiende schade. Het geschil beperkt zich thans tot de hoogte van de schade. In dat verband houdt partijen verdeeld naar welke norm gesaneerd diende te worden en of aan het saneringsplan deugdelijk onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Voorts zijn diverse afzonderlijke schadeposten in geschil.

3.5. PontMeyer c.s. stelt zich op het standpunt dat ingevolge de arbeidsomstandighedenwetgeving in 2002 als norm voor hechtgebonden asbest 10mg/kg droge stof en voor niet-hechtgebonden asbest 2mg/kg droge stof moet worden aangehouden. Archon heeft op basis van verkeerd uitgevoerd onderzoek en verkeerde onderzoeksresultaten een verkeerde saneringsmethode gekozen die tot veel hogere kosten heeft geleid dan een saneringsmethode op basis van de juiste normen, die zou hebben geleid tot een kostenbesparing van 85%. In dat verband wijst PontMeyer c.s. op de bevindingen in het rapport “Aanvullend asbestonderzoek in grond op de locatie Prins Hendrikkade te Meppel” van de door haar ingeschakelde deskundige [A].

3.6. Archon stelt zich op het standpunt dat het aan het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe (hierna: GS) is voorbehouden om vast te stellen hoe een bodemverontreiniging moet worden gesaneerd, dat PontMeyer c.s. tijdig op de hoogte is gesteld van de aanwezigheid van asbest, dat zij in de gelegenheid is gesteld de sanering zelf ter hand te nemen en dat zij in de gelegenheid is geweest beroep in te stellen tegen de op 5 november 2002 door GS genomen “Beschikking ernst en urgentie, tijdsbepaling en instemming saneringsplan van het bodemverontreinigingsproject Prins Hendrikkade 3-6 te Meppel”, (hierna: de saneringsbeschikking) waarvan de ontwerpbeschikking van 30 september 2002 tot en met 28 oktober 2002 ter inzage heeft gelegen. Nu PontMeyer c.s. destijds noch van de mogelijkheid zelf te saneren, noch van de mogelijkheid invloed uit te oefenen op de wijze van saneren, gebruik heeft gemaakt, kan zij thans niet meer haar beklag doen over de gekozen wijze van saneren. Voorts stelt Archon dat het hof het voorlopig oordeel van de rechtbank heeft bevestigd dat de grond, alvorens er bouwwerkzaamheden konden worden verricht, gelet op het bepaalde in art. 4.41 Arbeidsomstandighedenbesluit ontdaan diende te zijn van alle asbest, welk oordeel in cassatie in stand is gelaten. Ten slotte stelt Archon in dit verband dat [A] in tegenstelling tot MUG en CSO niet over de kwalificaties beschikt om te kunnen beoordelen hoe een onderzoek naar asbestverontreiniging moet worden uitgevoerd, dat [A] zijn bevindingen heeft gebaseerd op niet relevante rapportages, dat het rapport van [A] op vele punten van een onjuiste interpretatie van gegevens uitgaat en dat [A] niet heeft weerlegd dat de aangetroffen hoeveelheid asbest de gestelde normering voor zowel hechtgebonden als niet hechtgebonden asbest overschreed.

3.7. Gelet op het in cassatie in stand gebleven oordeel van het hof dat de grond op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ontdaan diende te zijn van alle asbest, het oordeel van de Hoge Raad dat het hof daarbij het oog heeft gehad op verwijdering van de met asbest verontreinigde grond en de Circulaire streefwaarden en interventiewaarden bodemsanering d.d. 4 februari 2000 (productie 83) waarbij voor losgebonden asbest de nul-norm wordt aangehouden, dient sanering volgens de nulnorm naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling van de omvang van de schade tot uitgangspunt te worden genomen. PontMeyer c.s. heeft haar stelling dat het onderzoek van MUG en CSO - dat ten grondslag ligt aan de door Archon gekozen wijze van saneren - ondeugdelijk is geweest, tegenover de gemotiveerde betwisting door Archon onvoldoende onderbouwd. In dit verband wijst de rechtbank er op dat uit het onderzoek van MUG en CSO kan worden afgeleid dat de afgegraven grond grotendeels was vervuild met hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest, hetgeen door PontMeyer c.s. onvoldoende is weersproken. De rechtbank acht het rapport van [A] mede gelet op het verweer daartegen onvoldoende. Het antwoord op de vraag of een heranalyse van de grondmonsters tot lagere geconstateerde vervuilingswaarden zou leiden, kan in het midden blijven, omdat sanering volgens de nulnorm als uitgangspunt heeft te gelden en PontMeyer c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat en in hoeverre de afgegraven grond niet vervuild is gebleken. Daarmee is niet aannemelijk geworden dat Archon op basis van de destijds geldende regelgeving ook goedkeuring had kunnen verkrijgen voor een minder ingrijpend saneringsplan waarmee minder kosten zouden zijn gemoeid. Dit betekent dat het standpunt van PontMeyer c.s. dat Archon, door de vervuilde grond geheel af te graven, niet heeft voldaan aan haar plicht haar schade te beperken, onjuist is. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat PontMeyer c.s. voor de start van de werkzaamheden ruimschoots in de gelegenheid is geweest haar visie op het saneringsplan onder de aandacht van Archon en van GS te brengen. Dat zij daarvan heeft afgezien omdat zij van mening was niet aansprakelijk te zijn voor de asbestverontreiniging moet voor haar rekening blijven.

Onderzoekskosten

3.8. PontMeyer c.s. betwist de noodzaak om zowel CSO als MUG in te schakelen bij het onderzoek naar de asbestvervuiling in 2002. Voorts stelt zij dat de kosten onredelijk hoog zijn en niet in een redelijke verhouding staan tot de uitgevoerde werkzaamheden, en dat zowel CSO als MUG haar werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd. Ten slotte stelt zij dat de onderzoeken van CSO in 2004 en 2005 niet nodig waren geweest wanneer het onderzoek in 2002 goed was uitgevoerd, omdat daaruit is gebleken dat de mate van verontreiniging de per 1 januari 2003 geldende normen niet overschrijdt.

Onderzoek 2002

3.9. De rechtbank is van oordeel dat Archon de noodzaak van het inschakelen van zowel CSO als MUG voor het onderzoek naar de asbestverontreiniging afdoende heeft onderbouwd. Door PontMeyer c.s. is niet althans onvoldoende weersproken dat zowel CSO als MUG onderzoek hebben gedaan, en dat MUG door CSO is ingeschakeld omdat MUG destijds beschikte over gespecialiseerde kennis omtrent asbestverontreiniging waarover CSO destijds niet beschikte. Zoals de rechtbank in 3.7 reeds heeft geoordeeld, heeft PontMeyer c.s. onvoldoende onderbouwd dat het onderzoek ondeugdelijk is uitgevoerd. PontMeyer c.s. heeft haar stelling dat de in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn en niet in verhouding staan tot de uitgevoerde werkzaamheden eveneens onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat CSO tot een hoger bedrag heeft gefactureerd dan MUG is daartoe onvoldoende.

Aanvullende onderzoeken 2004 en 2005

3.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Archon echter de noodzaak van de aanvullende onderzoeken in 2004 en 2005 in het licht van de stellingen van PontMeyer c.s. onvoldoende onderbouwd. Versoepeling van de saneringsnorm per 1 januari 2003 kan aanleiding zijn het bestaande saneringsplan te heroverwegen. Niet valt echter in te zien waarom nader onderzoek naar de mate van verontreiniging, zoals Archon stelt, als gevolg van deze versoepeling noodzakelijk was, nu vast staat dat Archon de mate van bodemverontreiniging voorafgaande aan de uitvoering van de eerste fase van de sanering reeds in kaart had gebracht. Voor zover Archon betoogt dat de versoepeling van de saneringsnorm alleen tot afwijking van het bestaande saneringsplan kon leiden wanneer GS daarvoor bij nadere beschikking toestemming had gegeven, oordeelt de rechtbank dat dit Archon niet kan baten nu zij niet heeft gesteld dat het uitvoeren van nader onderzoek voor het verkrijgen van die toestemming noodzakelijk was.

3.11. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat de gevorderde vergoeding van de facturen van CSO van 28 december 2004, 13 juni en 23 december 2005 ten bedrage van in totaal EUR 13.491,55 zal worden afgewezen.

Olieverontreiniging

3.12. Zoals de rechtbank in haar vonnis van 26 januari 2005 heeft geoordeeld, dient de vordering wat betreft de kosten in verband met de olieverontreiniging te worden afgewezen. Archon heeft haar vordering in verband daarmee reeds verminderd met EUR 12.588,49. PontMeyer c.s. betoogt dat Archon haar vordering daarmee onvoldoende heeft verminderd. Het betoog van PontMeyer c.s. dat in de factuur van CSO van 17 december 2002 ook bedragen zijn opgenomen die betrekking hebben op het onderzoek naar en de sanering van de olieverontreiniging, slaagt. Naar tussen partijen niet in geschil is heeft deze factuur betrekking op zowel de asbestverontreiniging als op de olieverontreiniging. Met PontMeyer c.s. is de rechtbank van oordeel dat de algemene post adviesuren derhalve mede betrekking heeft op de olieverontreiniging. Nu de stukken daarover geen uitsluitsel geven, begroot de rechtbank de kosten die daarmee verband houden op EUR 1.000,00.

Het betoog van PontMeyer c.s. dat de kosten van de sanering van het grondwater verband houden met olieverontreiniging en dat de facturen van het Waterschap Reest-Wieden en [B] derhalve niet voor vergoeding in aanmerking komen, slaagt niet. PontMeyer c.s. heeft onvoldoende weersproken dat het grondwaterpeil in het kader van de asbestsanering tijdelijk moest worden verlaagd, dat [B] daartoe bemaling heeft aangelegd en dat dit grondwater is geloosd op het vuilwaterriool van het Waterschap Reest-Wieden.

De stelling van PontMeyer c.s. dat de werkzaamheden van [C] en [D] en van [E] en [F] mede betrekking hebben gehad op de olieverontreiniging zal hierna onder 3.18 tot en met 3.20 aan de orde komen. Gelet op het vorenoverwogene zal op de te vergoeden schade een bedrag van EUR 1.000,00 in mindering worden gebracht.

Factuur gemeente Meppel

3.13. Archon heeft in haar akte tot wijziging van eis van 1 april 2009 ter toelichting opgemerkt dat de factuur van de gemeente Meppel van 31 december 2002 van EUR 5.514,13 betrekking heeft op aan haar doorbelaste kosten van de gemeente in verband met onderzoek dat de gemeente heeft moeten verrichten naar de vervuiling van gemeentegrond als gevolg van het ophogen van een openbare weg met grond afkomstig uit de met asbest vervuilde bouwput. PontMeyer c.s. heeft niet meer betwist dat deze kosten tot de te vergoeden schade behoren, zodat de vordering van Archon in zoverre zal worden toegewezen.

Facturen Bres B.V. en Van Werven B.V.

3.14. PontMeyer c.s. heeft betwist dat de facturen van Bres B.V. van 30 oktober en 14 november 2002 van respectievelijk EUR 6.487,50 en EUR 36.594,50 betrekking hebben op de sanering van het bouwterrein, omdat daarin verwezen wordt naar Prins Hendrikkade nr. 6. Archon heeft in haar akte tot wijziging van eis van 1 april 2009 ter toelichting opgemerkt dat deze facturen betrekking hebben op werkzaamheden op de percelen Prins Hendrikkade 4-5 en dat de verwijzing naar nr. 6 op een vergissing berust, hetgeen door PontMeyer c.s. niet meer is weersproken. Voor zover PontMeyer c.s. bij haar betwisting van de facturen van Bres B.V. en van Van Werven B.V. van 18 december 2002 van EUR 22.908,50 vervolgens een beroep heeft gedaan op de wijze waarop het onderzoek door CSU en MUG is uitgevoerd gaat de rechtbank daaraan voorbij op de gronden genoemd in 3.7. Voor zover PontMeyer c.s. in dit verband stelt dat onnodig veel grond is afgegraven, oordeelt de rechtbank dat PontMeyer c.s. haar standpunt ter zake onvoldoende heeft onderbouwd. Voor zover PontMeyer c.s. stelt dat deze facturen niet alleen betrekking hebben op de asbestsanering, doch ook mede op het bouwrijp maken van de grond, gaat de rechtbank daaraan voorbij omdat de facturen van Brest B.V. melding maken van: “uitvoering asbestsanering […]” en die van Van Werven B.V. van “Afvoeren van met asbest verontreinigde grond” en PontMeyer c.s. haar standpunt in het licht daarvan onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering van Archon zal op dit punt worden toegewezen.

Facturen Synthegra Archeologie B.V.

3.15. De rechtbank heeft Archon bij tussenvonnis van 26 januari 2005 verzocht zich erover uit te laten waarom de facturen die betrekking hebben op voormalig kasteel De Kinckhorst voor rekening van PontMeyer c.s. moeten komen, en voorts verzocht de bijbehorende offertes (en specificaties) te overleggen. Uit de door Archon overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de facturen betrekking hebben op archeologische werkzaamheden in het kader van de asbestsanering op de percelen Prins Hendrikkade nrs. 4 en 5. Weliswaar wordt de locatie van de werkzaamheden op de facturen van 19 en 25 november 2002 slechts aangeduid met ‘voormalig kasteel De Kinckhorst te Meppel’, doch uit de als productie 87b door Archon overgelegde ‘alle puttenkaart + omgeving’ en de bij het saneringsbesluit behorende kadastrale kaart moet naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de werkzaamheden van Synthegra Archeologie B.V. niet op perceel Prins Hendrikkade nr. 6 zijn verricht.

3.16. Archon stelt zich op het standpunt dat het inschakelen van Synthegra Archeologie B.V. door de vondst van asbest noodzakelijk is geworden. Ter onderbouwing voert zij aan dat de archeologische werkzaamheden voor de vondst van asbest gratis zouden worden uitgevoerd door de Archeologische Vereniging Meppel, een vereniging van amateurs, en dat GS nadien heeft bepaald dat het archeologisch onderzoek door een professioneel deskundige moet worden uitgevoerd, in welk verband zij verwijst naar overweging 5.1. van de saneringsbeschikking. PontMeyer c.s. betwist dat het voor Archon door de vondst van asbest noodzakelijk is geworden om professionele archeologen in te schakelen. In dat verband wijst zij erop dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat GS daarop heeft aangestuurd en dat de eerste factuur van Synthegra Archeologie B.V. dateert van 5 november 2002, derhalve van vóór de verzending van de saneringsbeschikking op 14 november 2002.

3.17. De rechtbank is van oordeel dat Archon er tegenover de gemotiveerde betwisting door PontMeyer c.s. niet in is geslaagd afdoende te onderbouwen waarom het inschakelen van Synthegra Archeologie B.V. door de vondst van asbestverontreiniging noodzakelijk is gebleken. Uit de saneringsbeschikking kan immers slechts worden afgeleid dat GS dit, mede gezien de verontreinigingsproblematiek, met onder andere Archon en de Archeologische Vereniging Meppel is overeengekomen, niet dat GS Archon dit als verplichting heeft opgelegd. Bij het overigens ontbreken van enige nadere onderbouwing is Archon er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd afdoende aannemelijk te maken dat deze kosten in zodanig verband staan met de door PontMeyer c.s. geschonden contractuele garantie dat zij tot vergoeding daarvan kan worden aangesproken. De vordering van Archon zal in zoverre (EUR 50.038,--) worden afgewezen.

Kosten Architectenbureaus en [E] en [F]

3.18. Archon claimt vergoeding van kosten in verband met de inzet van Architectenbureau [C], Architectenbureau [D], [E] en [F]. Archon heeft ervoor gekozen de begeleiding van de sanering door hen te laten uitvoeren omdat zij het project goed kennen en bekend waren met de plaatselijke omstandigheden. Zij hebben extra werkzaamheden moeten verrichten in het kader van de sanering.

3.19. PontMeyer c.s. stelt zich op het standpunt dat de kosten van Architectenbureau [C], Architectenbureau [D] [E] en [F] niet voor vergoeding in aanmerking komen. PontMeyer c.s. stelt dat inzet moet worden gerekend tot de interne uren van Archon, in verband waarmee zij geen schade heeft geleden. Zij wijst er in dit verband op dat de heren [C] en [D] tevens bestuurders, en [E] en [F], medewerkers, van Archon waren. Archon heeft niet gesteld waartoe de inzet van [C] en [D] als architecten in het kader van de sanering noodzakelijk was. Archon heeft voorts niet voldoende onderbouwd door het inzetten van [E] en [F] schade te hebben geleden. Daarnaast stelt PontMeyer c.s. dat het aantal uren dat is doorbelast 1.049 bedraagt, hetgeen onwaarschijnlijk hoog is, temeer daar CSO ook al toezicht hield op de uitvoering van de sanering. Voorts stelt PontMeyer c.s. dat uit de overgelegde urenstaten niet kan worden afgeleid welke werkzaamheden zijn verricht.

3.20. De rechtbank heeft Archon in zijn tussenvonnis van 26 januari 2005 opgedragen specificaties van de facturen van de architectenbureaus over te leggen, waaruit moet blijken welke werkzaamheden in het kader van de asbestsanering zijn verricht. De toelichting op de werkzaamheden die Archon in paragraaf 4.5. van haar akte van 1 april 2009 heeft opgenomen is zo algemeen dat geoordeeld moet worden dat deze onvoldoende inzicht verschaft in de feitelijk in het kader van de asbestsanering verrichte werkzaamheden. Dit inzicht kan evenmin uit de ter onderbouwing overgelegde urenstaten worden afgeleid. Met betrekking tot de geclaimde vergoeding in verband met de kosten van [E] en [F] heeft hetzelfde te gelden. Dat Archon geen inzicht heeft verschaft in de feitelijk verrichte werkzaamheden klemt te meer, daar vast staat dat CSO door Archon is ingeschakeld om het saneringsproject te begeleiden. De rechtbank concludeert dat Archon er niet in is geslaagd haar stelling, dat zij in dit verband als gevolg van de asbestvervuiling deze kosten heeft moeten maken, afdoende te onderbouwen. De vordering is ten aanzien van dit bedrag

(EUR 101.550,00) niet toewijsbaar. Mede gelet op de omvang van de saneringswerkzaamheden heeft Archon evenwel voldoende aangetoond dat zij -intern- kosten heeft gemaakt voor begeleiding hiervan. PontMeyer c.s. heeft dit ook niet weersproken en heeft in dit verband gesuggereerd dat de bemoeienis van één medewerker gedurende één dag per week doorgaans volstaat. De rechtbank acht dit redelijk en sluit zich hierbij op de voet van artikel 6:97 BW aan. De vordering zal tot EUR 15.600,- (26 x [8 x EUR 75,- = ] EUR 600,-) worden toegewezen.

Stagnatiekosten aannemer ACK

3.21. Archon stelt als gevolg van het stilleggen van de werkzaamheden een stagnatievergoeding aan ACK verschuldigd te zijn geworden. In dit verband voert zij het volgende aan. De saneringswerkzaamheden zijn pas op 29 oktober 2002 aangevangen, omdat daarvoor eerst een saneringsplan moest worden opgesteld dat goedkeuring behoefde van GS. In de planning van de bouw was oorspronkelijk voorzien dat het bouwrijp maken van de grond rond de bouwvakvakantie 2002 zou zijn afgerond. De werkzaamheden hebben stilgelegen van 23 mei 2002 tot 21 november 2002, in verband waarmee ACK op grond van het aannemingscontract en het UAV 1998 EUR 1.439.509,42 aan stagnatiekosten had kunnen claimen van Archon. Als gevolg van onderhandelingen is de stagnatievergoeding bij vaststellingsovereenkomst van 4 december 2002 echter beperkt gebleven tot een bedrag van EUR 475.012,-- exclusief BTW, waarmee Archon heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. De vergoeding is in zeven termijnen aan ACK betaald. Er is geen relatie tussen de stagnatie van de werkzaamheden en het schorsen van de op 9 augustus 2002 verleende bouwvergunning bij vonnis van de voorzieningenrechter te Assen op 29 november 2002, omdat de bouwvergunning niet zag op een groot deel van de werkzaamheden - zoals sloopwerkzaamheden en afgravingen, die niet vergunningplichtig zijn - en vanwege het feit dat de saneringswerkzaamheden op het moment van schorsing reeds waren afgerond. Artikel 1 van het aannemingscontract bevat als voorwaarden dat met de bouw een aanvang moet worden gemaakt indien tenminste 80 appartementen zijn verkocht en de bouwvergunning is verstrekt. Deze voorwaarden golden op het moment van ontdekking van de verontreiniging niet meer, aangezien ACK op haar verzoek reeds met de werkzaamheden was gestart, aldus Archon.

3.22. PontMeyer c.s. betwist dat Archon gehouden was ACK een stagnatievergoeding te betalen. Zij voert in dit verband het volgende aan. Het aannemingscontract is blijkens het bepaalde in artikel 1 aangegaan onder de opschortende voorwaarden dat ten minste 80 appartementen zijn verkocht en dat de bouwvergunning is verleend. Aangezien ten tijde van de ontdekking van de asbest slechts 57 appartementen waren verkocht, en de bouwvergunning eerst op 9 augustus 2002 is afgegeven, was het aannemingscontract ten tijde van het stopzetten van de bouw niet van kracht en was Archon niet op grond daarvan gehouden ACK een stagnatievergoeding te betalen. Ook zonder asbestverontreiniging zou Archon wegens het ontbreken van een bouwvergunning eerst op maandag 12 augustus 2002 met de werkzaamheden hebben kunnen aanvangen. De vertraging die voordien is opgetreden kan niet worden toegerekend aan de asbestverontreiniging. De hoogte van de stagnatievergoeding wordt door Archon onvoldoende onderbouwd en de juistheid ervan wordt overigens bij gebrek aan wetenschap betwist. ACK had haar algemene kosten kunnen dekken uit vervangende werkzaamheden; er is daarom geen reden ter zake een vergoeding toe te kennen. De stagnatievergoeding lijkt ten slotte ook te zien op vertraging als gevolg van het schorsen van de bouwvergunning in november 2002, aldus PontMeyer c.s.

3.23. De rechtbank overweegt als volgt. Ter toelichting op de omstandigheid dat de saneringswerkzaamheden eerst in oktober 2002 zijn aangevangen, wijst Archon er op dat zij CSO reeds op 27 mei 2002, de dag dat de werkzaamheden op last van GS zijn stilgelegd, opdracht heeft gegeven tot het doen van onderzoek en dat het saneringsplan uiteindelijk op 5 november 2002 door GS is goedgekeurd. PontMeyer c.s. heeft hierop niet gereageerd. Nu Archon de sanering niet eerder heeft kunnen uitvoeren dan nadat GS zijn goedkeuring aan het saneringsplan had gegeven, staat het tijdsverloop tussen de ontdekking van de asbestverontreiniging en de aanvang van de sanering naar het oordeel van de rechtbank in zodanig verband met de asbestverontreiniging dat deze aan PontMeyer c.s. valt toe te rekenen. Daaraan kunnen het moment van verlening van de bouwvergunning noch de schorsing daarvan afdoen. De rechtbank is overigens niet gebleken van enige vertraging in het traject van onderzoek, planvorming en goedkeuring waarvan de gevolgen voor rekening van Archon dienen te blijven.

3.24. Het verweer van PontMeyer c.s. dat Archon niet gehouden was stagnatiekosten aan ACK te vergoeden omdat het aannemingscontract ten tijde van de ontdekking van de asbestverontreiniging niet van kracht was, faalt omdat het berust op een verkeerde lezing van artikel 1. De rechtbank verstaat deze bepaling zo dat deze geen betrekking heeft op de geldigheid van het aannemingscontract, maar op de termijn waarbinnen een aanvang moet zijn gemaakt met de bouwwerkzaamheden. In dat verband wijst Archon er daarom terecht op dat deze bepaling voor de vraag naar de gehoudenheid stagnatiekosten te vergoeden betekenis mist, nu de bouwwerkzaamheden op het moment van ontdekking van de asbestverontreiniging reeds waren begonnen, waarmee Archon kennelijk betoogt dat reeds uitvoering aan het aannemingscontract was gegeven.

3.25. Tegenover het standpunt van Archon ter zake heeft PontMeyer c.s. niet betwist dat er een directe causale relatie is tussen de aansprakelijkheid van Archon op grond van het aannemingscontract tot het vergoeden van stagnatiekosten en het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst van 4 december 2002. Dat betekent dat de kosten die Archon als gevolg van de vertraging in de uitvoering van de werkzaamheden als gevolg van de vondst van asbest heeft moeten maken in beginsel voor vergoeding door PontMeyer c.s. in aanmerking komen. Archon verwijst in dat verband naar productie 72b bij haar akte van 1 april 2009. Hieruit leidt de rechtbank af dat het bedrag van de stagnatiekosten is gebaseerd op de in de periode mei tot en met november 2002 opgetreden prijsstijging van 0,636%, op 109 verloren werkbare dagen en op bijkomende schade in de vorm van extra werkzaamheden. PontMeyer c.s. heeft deze uitgangspunten voor de berekening van de stagnatiekosten als zodanig onvoldoende betwist. Voorts heeft PontMeyer c.s. niet betwist dat Archon daadwerkelijk het bedrag van EUR 475.012,-- aan stagnatiekosten aan ACK heeft betaald. De vordering tot vergoeding van stagnatiekosten zal derhalve worden toegewezen.

Claim kopers appartementen

3.26. Archon stelt EUR 97.229,02 (exclusief BTW) wegens vertraging in de oplevering aan de kopers van appartementen te hebben uitbetaald, waarvoor zij van PontMeyer c.s. vergoeding vordert. Zij voert in dit verband aan dat uitvoering is gegeven aan de Aannemingsovereenkomst Appartementsrechten en aan de koopovereenkomsten van de individuele kopers, dat de gedupeerde kopers haar bij brief van 18 december 2004 aansprakelijk hebben gesteld voor de schade als gevolg van de latere oplevering van de appartementen en dat zij met de kopers tot een schaderegeling is gekomen.

3.27. PontMeyer c.s. betwist dat zij gehouden is dit bedrag aan Archon te vergoeden, omdat Archon jegens de kopers van de appartementen niet tot vergoeding van schade gehouden is geweest. Zij voert in dat verband aan dat de Aannemingsovereenkomst Appartementsrechten, noch de koopovereenkomsten met de individuele kopers grond bieden voor het betalen van een schadevergoeding door Archon aan de kopers, omdat niet was voldaan aan de opschortende voorwaarden van deze overeenkomsten, voor wat betreft de Aannemingsovereenkomst Appartementsrechten vastgelegd in artikel 16. Voorts kan alleen de vertraging vanaf het moment waarop de bouwvergunning is verstrekt tot het einde van de sanering worden meegenomen.

3.28. De rechtbank begrijpt het betoog van PontMeyer c.s. aldus, dat zij stelt dat er geen verband is in de zin van artikel 6:98 BW tussen het aan de kopers van de appartementen uitgekeerde bedrag en haar tekortschieten. Dit betoog faalt. PontMeyer c.s. heeft niet betwist dat de bouwwerkzaamheden op 8 april 2002 zijn gestart. Daarmee is uitvoering gegeven aan de in 3.26 bedoelde overeenkomsten. PontMeyer c.s. heeft niet betwist dat de kopers op grond van deze overeenkomsten in geval van vertraging in de bouw recht hebben op schadevergoeding. PontMeyer c.s. heeft niet betwist dat er een directe causale relatie is tussen deze contractuele aansprakelijkheid van Archon en het tot stand komen van de overeenkomst tot vergoeding van de schade met de kopers van de appartementen in 2005. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.23 is overwogen gaat de rechtbank voorbij aan de stelling dat de vertraging niet enkel aan de asbestverontreiniging is te wijten. De door Archon aan de kopers vergoede vertragingsschade staat in zodanig verband met de vondst van asbest dat deze schade aan PontMeyer c.s. moet worden toegerekend. PontMeyer c.s. heeft de berekening van het gevorderde bedrag overigens niet meer betwist, zodat voor vergoeding in aanmerking komt het door Archon gevorderde bedrag van EUR 97.229,02.

Kosten extra projecthypotheek

3.29. Archon vordert kosten die zij heeft moeten maken in verband met het verkrijgen van extra kredietruimte. Met Pontmeyer c.s. is de rechtbank van oordeel dat deze kosten reeds verdisconteerd zijn in vergoeding van de wettelijke rente. Deze kosten (EUR 41.260,63) zullen derhalve worden afgewezen.

Bouwrijp maken van de grond

3.30. PontMeyer c.s. stelt dat EUR 8.800,-- op de te vergoeden schade in mindering moet worden gebracht aangezien Archon als gevolg van de sanering bij het bouwrijp maken van het bouwterrein kosten in verband met het afgraven en afvoeren van grond heeft bespaard. Archon betwist dit, en stelt dat het project oorspronkelijk een gesloten grondbalans kende, zodat alle grond zou worden hergebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is de veronderstelling die aan het standpunt van PontMeyer c.s. ten grondslag ligt redelijk en had het op de weg van Archon gelegen haar stelling dat er geen sprake is van kostenbesparing nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten en nu zij op dit punt overigens geen verweer heeft gevoerd, dient op de saneringskosten een bedrag in mindering te worden gebracht, dat de rechtbank begroot op EUR 8.800,--.

Herkomst van de gestorte grond

3.31. PontMeyer c.s. stelt dat het aan de hand van de facturen van Essent niet duidelijk is hoeveel grond afkomstig is van de door haar aan Archon geleverde percelen, omdat deze melding maken van Prins Hendrikkade 3-5. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van Archon dat de grond afkomstig is van de percelen Prins Hendrikkade 4 en 5 te Meppel, omdat de facturen er melding van maken dat het betreft “Grond, asbesthoudend reiniging” en de enkele omstandigheid dat op de factuur ook wordt verwezen naar Prins Hendrikkade 3 onvoldoende is om tot het oordeel te kunnen leiden dat Archon ten onrechte vergoeding van deze kosten vordert.

Teveel nodeloos afgegraven grond

3.32. PontMeyer c.s. stelt dat Archon meer grond heeft laten afgraven dan in het kader van de sanering noodzakelijk was. Archon betwist dit en voert in dat verband aan dat er iets meer grond is afgegraven dan aanvankelijk is begroot, en dat de grond in een viertal vakken in depot in die mate verontreinigd bleek dat de grond op last van de DTA-deskundige en op aanwijzing van GS alsnog is afgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is PontMeyer c.s. er in het licht van de betwisting door Archon niet in geslaagd haar standpunt dat teveel grond is afgegraven voldoende te onderbouwen. De omstandigheid dat de analyseresultaten van de grond niet zijn afgewacht voordat tot afgraven is overgegaan, laat onverlet dat de afgegraven grond wel verontreinigd is gebleken en dus terecht is afgevoerd. PontMeyer c.s. heeft verzuimd enige financiële conclusie aan haar betoog te verbinden, zodat de rechtbank ook daarom aan haar betoog voorbijgaat.

Matiging

3.33. PontMeyer c.s. stelt zich op het standpunt dat de schadevergoeding dient te worden gematigd, omdat toekenning zou leiden tot onaanvaardbare gevolgen. Nu zij heeft verzuimd deze gevolgen nader te schetsen, gaat de rechtbank aan het beroep op matiging voorbij.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat PontMeyer c.s. zal worden veroordeeld tot betaling aan Archon van (1.009.205,05 - 13.491,55 - 1.000,00 - 50.038,00 - 101.550,00 + 15.600,00 - 8.800,00) = EUR 849.925,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de respectieve facturen. De rechtbank ziet in hetgeen PontMeyer c.s. heeft aangevoerd geen aanleiding de gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring af te wijzen.

Buitengerechtelijke kosten

3.34. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Archon heeft tegenover de betwisting door PontMeyer c.s. niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

3.35. PontMeyer c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Archon worden begroot op:

- dagvaarding EUR 68,20

- vast recht 3.836,00

- salaris advocaat 16.055,00 (5,0 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 19.959,20

in voorwaardelijke reconventie

3.36. Hoewel PontMeyer c.s. zich hierover niet nader heeft uitgelaten, houdt de rechtbank het ervoor dat de voorwaarden voor het instellen van de vordering in reconventie zijn vervuld. De vordering zal worden afgewezen op de gronden genoemd in r.o. 6.29 van het tussenvonnis van 26 januari 2005.

3.37. PontMeyer c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie van Archon worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten op:

- salaris advocaat: 452,00 EUR (2 punten x factor 0,5 x tarief 452,00).

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1. veroordeelt PontMeyer c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Archon te betalen een bedrag van EUR 849.925,50 (achthonderdnegenenveertig duizendnegenhonderdvijfentwintig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag telkens vanaf de data van de respectieve facturen, tot de dag van volledige betaling,

4.2. veroordeelt PontMeyer c.s. hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Archon tot op heden begroot op EUR 19.959,20,

4.3. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.5. wijst de vorderingen af,

4.6. veroordeelt PontMeyer c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Archon tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. I.A.M. Tel en mr. J.E. van Praag en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.?