Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2467

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
27-07-2010
Zaaknummer
161166 / HA ZA 09-1269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzetprocedure; vernietiging van verstekvonnis waarbij vervroegde onteigening is uitgesproken. Gemeente Purmerend heeft niet voldaan aan verplichting ingevolge art. 17 OW om te onderhandelen in de fase na de totstandkoming van het besluit tot onteigening bij KB en voorafgaand aan de aanvang van de onteigeneningsprocedure door het uitbrengen van de dagvaarding. In die periode heeft de gemeente geen aanbod tot schadeloosstelling gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 161166 / HA ZA 09-1269

Vonnis in verzet van 14 juli 2010

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE PURMEREND,

zetelend te Purmerend,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. E.C.W. van der Poel,

tegen

[Gedaagde],

woonplaats onbekend,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat mr. J.J. van der Gouw.

Partijen zullen hierna Gemeente Purmerend en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door deze rechtbank op 12 augustus 2009 tussen Gemeente Purmerend als eisers en [gedaagde] als gedaagde bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 159128 / HA ZA 09-937

- de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord)

- de akte houdende overlegging producties van de zijde van [gedaagde]

- de conclusie van antwoord in oppositie van de zijde van Gemeente Purmerend (aan te merken als de conclusie van repliek)

- de conclusie van repliek van de zijde van [gedaagde] (aan te merken als de conclusie van dupliek)

- het proces-verbaal van pleidooien en de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij Koninklijk Besluit van 15 april 2008, nummer 08.001162, gepubliceerd in de Staatscourant van 5 mei 2008 (hierna: KB), zijn op grond van artikel 77 van de Onteigeningswet (hierna: Ow) ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan “West 1990” van de gemeente Purmerend, ter onteigening aangewezen de percelen, kadastraal bekend gemeente Purmerend sectie K, nos. 194 en 195 (grondplannummers 2 en 3), ter grootte van respectievelijk 20 are en 8 are, 5 centiare, plaatselijk bekend Kanaaldijk 1c te Purmerend, toebehorend aan [gedaagde], (hierna: de percelen van [gedaagde]).

2.2. Op 27 maart 2009 heeft Gemeente Purmerend [gedaagde] gedagvaard terzake de vordering tot vervroegde onteigening.

2.3. Bij verstekvonnis van 12 augustus 2009 is onder meer de vervroegde onteigening uitgesproken met betrekking tot de percelen van [gedaagde].

2.4. Het verstekvonnis van 12 augustus 2009 is op 19 augustus 2009 aan [gedaagde] betekend. Bij dagvaarding van 26 augustus 2009 is [gedaagde] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

3. Het geschil

3.1. Gemeente Purmerend heeft in de verstekprocedure – samengevat – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vervroegde onteigening zal uitspreken van de percelen van [gedaagde] alsmede het te betalen voorschot op de schadeloosstelling zal bepalen op een bedrag van € 300.000,00, alsmede een rechter-commissaris en deskundigen zal benoemen.

3.2. [gedaagde] vordert in het verzet – samengevat – dat het verstekvonnis zal worden vernietigd, dan wel herroepen, althans [gedaagde] daarvan zal worden ontheven en voorts dat de rechtbank Gemeente Purmerend niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans die vorderingen af zal wijzen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. In de eerste plaats voert [gedaagde] aan dat Gemeente Purmerend niet heeft voldaan aan de verplichting ingevolge artikel 17 Ow om te onderhandelen in de fase ná de totstandkoming van het besluit tot onteigening bij KB en voorafgaand aan de aanvang van de onteigeningsprocedure door het uitbrengen van de dagvaarding. [gedaagde] stelt dat Gemeente Purmerend in die periode geen aanbod tot schadeloosstelling heeft gedaan.

Ten tweede betoogt [gedaagde] dat de onteigening van de percelen van [gedaagde] prematuur is omdat Gemeente Purmerend onvoldoende heeft getracht om voorafgaand aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure de te onteigenen percelen langs minnelijke weg te verwerven. Ten derde voert [gedaagde] aan dat geen noodzaak tot onteigening bestaat aangezien [gedaagde] als eigenaar van de onroerende zaak bereid is en in staat is de aan die onroerende zaak in het bestemmingsplan gegeven bestemmingen te realiseren.

4.3. Het primaire verweer van [gedaagde] slaagt.

Vast staat dat het besluit tot aanwijzing ter onteigening is genomen bij KB van 15 april 2008 en dat daarna op 27 maart 2009 aan [gedaagde] door Gemeente Purmerend een dagvaarding is uitgebracht. Niet gebleken is dat Gemeente Purmerend in de periode gelegen tussen 15 april 2008 en 27 maart 2009 [gedaagde] een aanbod tot schadeloosstelling heeft gedaan.

4.4. Gemeente Purmerend heeft gesteld dat zij vanaf 1995 zeer vele pogingen heeft ondernomen om tot een minnelijke overeenkomst met [gedaagde] te komen waarbij zowel is onderhandeld over de aankoop van de grond als over grondruil. Na afloop van de procedure tussen [gedaagde] en Gemeente Purmerend betreffende het geschil over de totstandkoming van de grondruilovereenkomst hebben onderhandelingen plaatsgevonden, aldus Gemeente Purmerend. Gemeente Purmerend heeft daarvoor gewezen op haar brief van 2 mei 2007 aan [gedaagde] waarin zij een schriftelijk aanbod tot schadeloosstelling heeft gedaan, welk aanbod, aldus nog steeds Gemeente Purmerend, door [gedaagde] is afgewezen.

4.5. De stelling van Gemeente Purmerend dat haar gelet op het voorgaande een beroep toekomt op hetgeen is bepaald in het arrest van de Hoge Raad van 8 april 1998 (NJ 1999, 24), waaruit volgt dat hetgeen voorafgaand aan de onteigeningsprocedure in het traject van onderhandelingen heeft plaatsgevonden mede een rol speelt bij de beoordeling of voldaan is aan het vereiste van artikel 17 Ow, kan haar niet baten. Nog daargelaten dat het aanbod in de brief van 2 mei 2007 niet is aan te merken als een aanbod, aangezien daarin geen concreet bedrag aan schadeloosstelling is genoemd, volgt uit het arrest immers dat uit het traject voorafgaande aan de onteigeningsprocedure kan blijken dat hetgeen na het definitief worden van het besluit tot onteigening door de onteigenende partij is ondernomen heeft te gelden als een poging die beantwoordt aan voormelde strekking van artikel 17 Ow en niet louter als een ingevolge de wet te vervullen formaliteit. Hier is evenwel niet in geschil dat Gemeente Purmerend ná het besluit tot onteigening niets heeft ondernomen om te trachten tot minnelijke overeenkomst te komen. Aan het vereiste van artikel 17 Ow is daarom niet voldaan.

4.6. Gelet op het vorenstaande dient het verzet gegrond te worden verklaard. De overige verweren van [gedaagde] behoeven derhalve geen bespreking.

Het verstekvonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van Gemeente Purmerend zullen alsnog worden afgewezen.

4.7. Gemeente Purmerend zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in artikel 141 Rv voor rekening van [gedaagde] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedaagde] in eerste instantie niet is verschenen.

4.8. Ten aanzien van de door [gedaagde] gevraagde kostenveroordeling overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 50 Ow geldt als uitgangspunt dat de kosten van het proces ten laste komen van de onteigenende partij.

Nu het verzet gegrond zal worden verklaard, eindigt de procedure tot onteigening, welke is aangevangen met de dagvaarding van 27 maart 2009 en volgt geen procedure tot vaststelling van het bedrag aan schadeloosstelling. Daarmee gaat het verweer van Gemeente Purmerend dat de door [gedaagde] gevraagde kostenveroordeling dient te worden opgenomen bij de vaststelling van het bedrag aan schadeloosstelling niet op. Bovendien heeft te gelden dat dergelijke kosten evenmin kunnen worden meegenomen in de kosten van schadeloosstelling in een andere, mogelijk door Gemeente Purmerend opnieuw aan te vangen procedure ter onteigening van dezelfde percelen van [gedaagde], omdat deze kosten niet kunnen gelden als schade in die nog aan te vangen onteigeningsprocedure.

4.9. Op grond van artikel 50 lid 4 Ow zijn onder de kosten van het geding mede begrepen de kosten van rechtsbijstand of andere deskundige bijstand, voor zover redelijkerwijs gemaakt.

4.10. Blijkens de overgelegde declaraties vordert [gedaagde] een bedrag begroot op € 22.792,00 terzake de kosten die [gedaagde] heeft moeten maken naar aanleiding van de door Gemeente Purmerend bij verzoekschrift van 15 oktober 2007 verzochte en bij beschikking van 20 december 2007 toegewezen (vervroegde) benoeming van deskundigen en op 28 januari 2008 gehouden vervroegde descente voor opneming van ligging en gesteldheid van de onroerende zaken. Deze kosten zijn gemaakt ten behoeve van de onderhavige onteigeningsprocedure en dienen daarom ten laste van Gemeente Purmerend te komen. Gemeente Purmerend heeft tegen de aangevoerde kosten geen onderbouwd verweer gevoerd. Aangezien de door [gedaagde] gevorderde kosten voor een bedrag van € 22.792,00 de rechtbank niet onredelijk voorkomen, zullen deze als hierna vermeld worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis, nu de verplichting tot vergoeding van deze kosten voortvloeit uit de vernietiging van het eerder uitgesproken onteigeningsvonnis en Gemeente Purmerend derhalve niet eerder met de betaling van deze kosten in verzuim was.

4.11. De daarnaast door Gemeente Purmerend te vergoeden kosten van rechtsbijstand aan de zijde van [gedaagde] zullen conform het gebruikelijke liquidatietarief in onteigeningszaken worden begroot op € 5.000,00 (2,5 punt x € 2.000,00). Bij het begroten van de kosten van het geding zal de rechtbank eveneens rekening houden met het door [gedaagde] wegens vast recht verschuldigde bedrag van € 1.185,00.

4.12. De vernietiging van het verstekvonnis brengt met zich dat de benoeming van de deskundigen bij vonnis van 12 augustus 2009 eveneens vernietigd zal worden en de deskundigen daarmee van hun taak ontheven worden geacht. Voor zover de deskundigen reeds kosten hebben gemaakt dienen deze kosten in beginsel voor rekening te komen van Gemeente Purmerend. De rechtbank stelt vast dat thans niet bekend is of en zo ja, ter hoogte van welk bedrag, de deskundigen kosten in rekening zullen brengen. Voorts heeft te gelden dat Gemeente Purmerend alvorens de rechtbank tot veroordeling tot betaling van die kosten kan overgaan in de gelegenheid dient te worden gesteld zich over de declaraties van de deskundigen uit te laten. Gelet hierop zal de rechtbank over de kosten van de deskundigen desverzocht bij separate beschikking beslissen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het door deze rechtbank op 12 augustus 2009 onder zaaknummer / rolnummer 159128 / HA ZA gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend

5.2. wijst de vorderingen af,

5.3. veroordeelt Gemeente Purmerend in de kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten van de verzetprocedure met uitzondering van na te melden kosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.185,00 aan verschotten, op EUR 27.792,20 aan kosten van deskundige bijstand en salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 22.792,00 vanaf datum van dit vonnis,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de kosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen, aan de zijde van Gemeente Purmerend tot op heden begroot op EUR 82,75 voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis,

5.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking, mr. E.L. Grosheide en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.?