Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2230

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-07-2010
Datum publicatie
23-07-2010
Zaaknummer
15/750128-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft door een zelfgemaakte film op internet te plaatsen zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht van meer personen. In de film toont verdachte een lijst met namen van medescholieren die hij één voor één doorstreept tussen scènes waarin verdachte respectievelijk een kuil graaft, een schop in zijn handen heeft, een schietgebaar met een pistool maakt en een jerrycan leegt en de vloeistof uit de jerrycan in brand steekt. Vervolgens zegt verdachte dat deze mensen weg moeten en niet lang meer te leven zullen hebben. De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op een dergelijke wijze verschillende personen met de dood heeft bedreigd en kennelijk niet het laakbare van zijn handelen heeft ingezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/750128-09

Uitspraakdatum: 23 juli 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren gehouden onderzoek op de terechtzitting van 9 juli 2010 in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 november 2009 tot en met 25 november 2009 te Uitgeest en/of in Nederland

[slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of een persoon genaamd [naam]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een film(pje) op internet geplaatst met als titel 'De Lijst', welk filmpje (onder andere) het volgende beeld- en geluidmateriaal bevat;

de gesproken woorden: "Het zal niet leuk zijn om te horen maar iedereen op de lijst moet... weg. En ik weet precies al hoe", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,

waarna er beelden volgen van verdachte die

- met een schop in zijn handen naar de camara toe komt lopen en/of

- met de schop bewegingen maakt, alsof hij een gat in de grond graaft en/of

- een papier toont waarop een lijst (met daarop de namen [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of een persoon genaamd [naam] is te zien en/of

- (vervolgens) een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept en/of

- (weer) een schop in zijn handen heeft en/of met die schop bewegingen maakt alsof hij een gat in de grond graaft en/of

- (vervolgens) (wederom) een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept,

- een vuurwapen in zijn hand heeft en/of een beweging maakt alsof hij de trekker overhaalt, waarbij zijn arm omhooggaat en/of

-(vervolgens) (voor de derde keer) een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept en/of, - een jerrycan in zijn linkerhand heeft en/of een heldere vloeistof verspreid over de grond en/of vervolgens een sigaret in zijn mond stopt en/of deze aansteekt en/of die sigaret voor zich op de grond gooit,

- waarna op het beeld een kunstmatig brandend vuur wordt getoond en/of

- (vervolgens) (voor de vierde keer) een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept,

waarna de woorden worden gesproken: "Ik heb een lijst met namen van mensen die ik haat. Zij moeten weg, dat is de enige manier. Ik heb een lijst en als jij erop staat zul je niet lang meer leven”.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 60 uren bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, waarvan 40 uren niet ten uitvoer zullen worden gelegd met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een bijzondere voorwaarde wordt opgelegd waarin aan verdachte wordt opgedragen dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de jeugdreclassering, ook indien dit inhoudt dat verdachte een behandeling bij Lucertis en/of GGZ Noord-Holland Noord dient te volgen. Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat het op de beslaglijst genoemde imitatiewapen wordt onttrokken aan het verkeer.

4. Bewijs

4.1. Partiele vrijspraak

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van bedreiging van [naam]. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken wie deze persoon is. Evenmin is bekend geworden of deze persoon kennis heeft gekregen, direct of indirect, van de jegens hem geuite bedreiging.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op 23 november 2009 doet de rector van het Bonhoeffer College te Castricum namens de directie aangifte van bedreiging door een leerling van het Bonhoeffer College van drie leerlingen van deze school, te weten [slachtoffer A], [slachtoffer B] en [slachtoffer C]. Verdachte heeft een filmpje op internet, op onder andere YouTube en Vimeo geplaatst. In het filmpje toont verdachte een lijst waarop hij onder andere de drie hiervoor genoemde namen heeft gezet. In het filmpje laat hij zien hoe hij hen om het leven wil brengen. Het filmpje is getiteld ‘De Lijst’. In het filmpje wordt de volgende tekst door verdachte gesproken: “Het zal niet leuk zijn om te horen maar iedereen op de lijst moet…weg. En ik weet precies al hoe.” Op de beelden is te zien dat verdachte met een schop in zijn handen naar de camera toe loopt, op de achtergrond klinkt onheilspellende muziek. Met de schop maakt hij bewegingen en het lijkt erop alsof hij een gat in de grond graaft. Vervolgens toont hij in beeld een papier waarop een lijst met onder andere de drie hiervoor genoemde namen staan geschreven. Met een pen streept hij de bovenste op de lijst geschreven naam door en maakt met het voorwerp dat hij bij zich heeft neergaande bewegingen. Hierop streept hij de tweede op de lijst geschreven naam op het papier door. Vervolgens is verdachte in beeld te zien met een vuurwapen in zijn hand en doet hij alsof hij de trekker overhaalt, waarbij zijn arm omhooggaat. Daarna streept hij voor de derde keer een naam op het papier door. Vervolgens heeft verdachte een jerrycan in zijn linkerhand en verspreidt een heldere vloeistof uit de jerrycan over de grond. Hierop stopt hij een sigaret in zijn mond, steekt deze aan en gooit de sigaret op de grond. In beeld verschijnt een kunstmatig door verdachte ingebracht, brandend vuur. Voor de vierde keer streept hij een naam op het papier door en zegt de woorden: “Ik heb een lijst met namen van mensen die ik haat. Ze moeten weg, dat is de enige manier. Ik heb een lijst en als jij erop staat zul je niet lang meer leven.”

Verdachte heeft niet ontkend dat hij het filmpje heeft gemaakt en op internet heeft geplaatst. De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte geen opzet op de bedreiging, ook niet in de voorwaardelijke vorm, heeft gehad en dat verdachte daarom dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de met name genoemde personen niet op de hoogte zijn geweest van de bedreiging. De bedreiging heeft ook niet in een zodanige vorm plaatsgevonden dat er daadwerkelijk vrees bij de hiervoor bedoelde jongeren is ontstaan. Tevoren zijn er ook geen incidenten geweest die een dergelijke vrees rechtvaardigden. Verdachte heeft ook niet de intentie gehad de in de tenlastelegging genoemde jongeren van het leven te beroven.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

Verdachte heeft, gelet op de inhoud van de door hem gebezigde bedreigingen, de indringende wijze waarop deze zijn geuit en beeldend zijn weergegeven in een filmpje waarbij de namen van de personen tegenover wie de bedreigingen worden geuit zijn te lezen, alsmede de daadwerkelijke plaatsing van het filmpje door verdachte op internetsites die veelal door jongeren worden bezocht, zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de in het filmpje geuite bedreigingen terecht zouden komen bij degenen op wie zij betrekking hadden en dat deze personen zich daardoor bedreigd zouden voelen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier in ieder geval om bedreigingen die, gelet op de gebruikte bewoordingen, het vermelden van concrete namen van personen (uit de directe omgeving van de ex-vriendin van verdachte), en de vertoonde handelingen – in onderling verband en samenhang bezien – in het algemeen een daadwerkelijke vrees kunnen opwekken. Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat in de onderhavige zaak gelet op de verklaringen van de bij naam genoemde personen ten overstaan van de verschillende verbalisanten ook in het concrete geval vrees is opgewekt. Slachtoffer [slachtoffer C] heeft tijdens het politieverhoor verklaard dat zij zich, toen zij van [slachtoffer A] en [betrokkene] over het filmpje te horen kreeg, mede vanwege eerdere incidenten, wel degelijk bedreigd voelde. Slachtoffer [slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard dat hij weet dat verdachte hem haat en dat hij de door verdachte op internet geplaatste film angstaanjagend vond en slachtoffer [slachtoffer B] kreeg, toen hij over het filmpje ging nadenken, de schrik te pakken.

4.4 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 november 2009 tot en met 25 november 2009 te Uitgeest en/of in Nederland

[slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een film(pje) op internet geplaatst met als titel 'De Lijst', welk filmpje (onder andere) het volgende beeld- en geluidmateriaal bevat;

- de gesproken woorden: "Het zal niet leuk zijn om te horen maar iedereen op de lijst moet... weg. En ik weet precies al hoe",

waarna er beelden volgen van verdachte die

- met een schop in zijn handen naar de camera toe komt lopen en

- met de schop bewegingen maakt, alsof hij een gat in de grond graaft en

- een papier toont waarop een lijst met daarop de namen [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en [slachtoffer C] is te zien en

- vervolgens een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept en

- weer een schop in zijn handen heeft en met die schop bewegingen maakt en

- vervolgens wederom een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept,

- een vuurwapen in zijn hand heeft en een beweging maakt alsof hij de trekker overhaalt, waarbij zijn arm omhooggaat en

- vervolgens voor de derde keer een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept en, - een jerrycan in zijn linkerhand heeft en een heldere vloeistof verspreidt over de grond en vervolgens een sigaret in zijn mond stopt en deze aansteekt en die sigaret voor zich op de grond gooit,

- waarna op het beeld een kunstmatig brandend vuur wordt getoond en

- vervolgens voor de vierde keer een streep zet op het papier, alsof hij een naam doorstreept,

waarna de woorden worden gesproken: "Ik heb een lijst met namen van mensen die ik haat. Zij moeten weg, dat is de enige manier. Ik heb een lijst en als jij erop staat zul je niet lang meer leven”.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

- bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

6. Strafbaarheid van verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging omdat de strafbaarheid ontbreekt wegens de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Aangezien verdachte gelet op de psychiatrische rapportage van J. de Jonge, kinder- en jeugdpsychiater van 2 april 2010 sterk verminderd toerekeningsvatbaar en niet volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het ten laste gelegde, is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte niet ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak als gevolg van een bij hem bestaande ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat de door verdachte gepleegde gedragingen hem derhalve voor een klein gedeelte zijn toe te rekenen. Verdachte zal dan ook niet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ook verder is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken en uit de bespreking aldaar van het vanwege Bureau Jeugdzorg, Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling jeugdreclassering, opgestelde rapport van 25 juni 2010, het uitgebrachte advies van de Raad voor de kinderbescherming van 1 juli 2010 en het door J. de Jonge voornoemd opgestelde psychiatrisch Pro Justitia rapport van 2 april 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door een zelfgemaakte film op internet te plaatsen zich schuldig gemaakt aan een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht van meer personen.

In de film toont verdachte een lijst met namen van medescholieren die hij één voor één doorstreept tussen scènes waarin verdachte respectievelijk een kuil graaft, een schop in zijn handen heeft, een schietgebaar met een pistool maakt en een jerrycan leegt en de vloeistof uit de jerrycan in brand steekt. Vervolgens zegt verdachte dat deze mensen weg moeten en niet lang meer te leven zullen hebben.

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat hij op een dergelijke wijze verschillende personen met de dood heeft bedreigd en kennelijk niet het laakbare van zijn handelen heeft ingezien. Dit zijn zeer ernstige feiten. Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoon die aldus zo ernstig bedreigd wordt, psychisch nog lang de gevolgen daarvan kan ondervinden. Door bovendien het filmpje op internet te zetten zijn de bedreigende beelden toegankelijk geworden voor de hele maatschappij. Het zijn beelden die gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterken.

De rapporterend psychiater Vogel voornoemd, heeft – zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Betrokkene lijdt aan de stoornis van Asperger. Ten tijde van het plegen van het delict leed betrokkene bovendien aan een depressieve stoornis. Met name de problematiek voortkomend uit de stoornis van Asperger, als een vorm van een autisme spectrumstoornis, heeft betrokkene in sterke mate beïnvloed bij zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Op grond hiervan wordt geadviseerd om betrokkene ten tijde van het tenlastegelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Teneinde herhaling te voorkomen, waarop een kans bestaat mede gelet op de door de psychiater gesignaleerde stoornis van Asperger en om een voor verdachte zo gunstig mogelijke ontwikkeling te bewerkstelligen, acht de psychiater een optimale behandeling/begeleiding van zeer groot belang. De psychiater en de jeugdreclassering adviseren de rechtbank om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat verdachte zich moet houden aan het behandelkader dat wordt bewaakt en geëvalueerd door de Jeugdreclassering, inhoudende dat verdachte deelneemt aan de gedragstherapie van Lucertis en/of psycho-educatie bij GGZ-Noord-Holland Noord te Alkmaar.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies en het advies van de deskundige en de jeugdreclassering en maakt deze tot de hare. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte thans niet of nauwelijks last meer heeft van depressieve gevoelens.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting in enige mate besef heeft getoond van het laakbare van zijn handelen.

De rechtbank heeft voorts ten voordele van verdachte rekening gehouden met het feit dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij Lucertis en/of GGZ-Noord-Holland Noord te Alkmaar. Een dergelijke verplichting zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een imitatiewapen, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp is begaan. Het ongecontroleerde bezit van voormeld, inbeslaggenomen voorwerp is in strijd met de wet en het algemeen belang.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikelen 36b, 36c, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z , 77aa, 77gg en 285.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 (zestig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf , bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 40 (veertig) uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie, niet zal worden tenuitvoergelegd, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dat nodig oordeelt, ook indien zulks inhoudt het volgen van behandeling bij Lucertis en/of GGZ Noord-Holland Noord te Alkmaar.

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat 8 (acht) uren werkstraf in mindering worden gebracht.

Bepaalt dat de opgelegde werkstraf binnen een termijn van 6 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dient te zijn voltooid

Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 STK Imitatiewapen Kl: blauw

Heft op het geschorste bevel van voorlopige hechtenis

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. van Santen, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. Ph. Burgers en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.H.E. Laffrée,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2010.