Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN1644

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
19-07-2010
Zaaknummer
161798 - FA RK 09-3171
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontzetting ouderlijk gezag. Door de moeder van de kinderen om het leven te brengen, heeft de vader zich gediskwalificeerd als opvoeder van de kinderen. Daarom is de rechtbank met de Raad en de Stichting van oordeel dat een ontzetting van de vader van het gezag een duidelijk signaal aan alle betrokkenen zal geven dat een herstel van de opvoedingsrelatie tussen de vader en de kinderen niet meer de bedoeling is. Een definitieve voogdijmaatregel biedt de kinderen de zekerheid dat zij zich geborgen kunnen voelen in het pleeggezin, dat zij voelen dat hun toekomstperspectief bij het pleeggezin is en dat zij weten dat zij hun eigen leven mogen gaan leiden. De hulpverlening zal zich in de toekomst dan ook kunnen richten op het creëren van meer ruimte voor de kinderen om vanuit hun eigen behoefte invulling te geven aan de familiebetrekkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ontzetting/ontheffing

zaak-/rekestnr.: 161798 / FA RK 09-3171

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 11 mei 2010

in de zaak van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, vestiging Haarlem,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

tegen

[naam vader],

thans gedetineerd te [plaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. H.J. Bettink, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 17 september 2009 ingekomen op 18 september 2009;

- de brief van de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, locatie Haarlem, (hierna: de Stichting) van 7 oktober 2009;

- het (herstel) verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 22 december 2009, ingekomen op 23 december 2009;

- het e-mailbericht van de Raad van 23 december 2009 waaruit blijkt dat het verzoekschrift van 17 september 2009 is ingetrokken;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vader van 9 maart 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 maart 2010 in aanwezigheid van:

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw W. Geldof en mevrouw S. van den Ende;

- de vader bijgestaan door mr. H.J. Bettink;

- de Stichting vertegenwoordigd door de heer I.A.M. Eeken (hierna: de voogd);

- de pleegouders van de minderjarigen, mevrouw [naam] en de heer [naam].

1.3 De minderjarige [naam minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld in raadkamer te worden gehoord, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Uit de relatie van de vader en [naam moeder], hierna de moeder, zijn geboren de minderjarigen [naam]:

- [naam minderjarige 1], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats];

- [naam minderjarige 2], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats];

- [naam minderjarige 3], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats].

2.2 De vader heeft de minderjarigen erkend. De moeder is op [datum] 2002 te [plaats] overleden.

2.3 Bij beschikking van de kinderrechter te Haarlem van 20 juni 2002, zijn de minderjarigen onder voorlopige voogdij gesteld en is de Stichting belast met de voorlopige voogdij over de minderjarigen.

2.4 Bij beschikking van de kantonrechter te Haarlem van 30 juli 2002 is de Stichting benoemd tot tijdelijk voogdes over voornoemde minderjarigen.

2.5 Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem van [datum] 2003 is de vader veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. Voorts is de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van de vader gelast en is geadviseerd de terbeschikkingstelling met verpleging aan te laten vangen nadat twee jaren van de opgelegde gevangenisstraf zijn ondergaan.

3 Verzoek

3.1 Het verzoek van de Raad strekt primair tot ontzetting van de vader van het gezag van voornoemde minderjarigen op grond van artikel 1:269 BW. Subsidiair strekt het verzoek tot ontheffing van de vader van het gezag voor het geval hij hiermee zal instemmen op grond van artikel 1:266 BW jº 1:268 BW,

3.2 De Raad heeft in zijn rapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek, geconcludeerd dat een ontzettingsmaatregel noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Naar de mening van de Raad worden zij op dit moment bedreigd in hun ontwikkeling doordat opnieuw ter discussie staat waar zij zullen opgroeien nadat de vader uit de TBS-kliniek zal worden ontslagen. Het is voor de kinderen van belang dat de huidige stabiele situatie zal voortduren en dat zij zekerheid ervaren over de plek waar zij mogen opgroeien. Aangezien de vader heeft aangegeven na vrijlating weer een rol in de opvoeding van de kinderen te willen vervullen, blijkt de tijdelijke voogdijmaatregel bij alle belanghebbenden onduidelijkheid en onzekerheid te geven over het toekomstperspectief van de minderjarigen. Een maatregel met een meer definitief karakter zal deze onzekerheid en onduidelijkheid kunnen wegnemen.

3.3 Volgens de Raad is er aan de gronden voor een ontzetting voldaan. De vader heeft op zeer gewelddadige en grove wijze de moeder van de kinderen om het leven gebracht. Door dit gedrag van de vader moeten de kinderen de rest van hun leven hun moeder missen. De gevolgen van het ernstige strafbare feit zijn voor de kinderen nog steeds merkbaar. Het gedrag van de vader is hem te verwijten en is op grove wijze in strijd met de belangen van zijn kinderen. De Raad meent dat het van groot belang is dat de veiligheid die de kinderen thans ervaren in het pleeggezin gewaarborgd blijft, waarbij de vader zijn rol als opvoeder zal moeten loslaten.

4 Verweer

4.1 Tijdens het onderzoek dat aan het ingediende verzoek is voorafgegaan, heeft de vader aangegeven dat hij het niet eens is met een ontzetting. Hij heeft tevens aangegeven dat hij zich verzet tegen een vrijwillige ontheffing. Indien zijn kinderen het willen, wil hij graag weer voor hen gaan zorgen.

4.2 De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn daad. Hij is blij dat zijn kinderen bij het pleeggezin wonen en hij heeft ter zitting benadrukt dat hij tevreden is met de huidige situatie. De wijze waarop het contact van de kinderen met beide families wordt vormgegeven, acht de vader in het belang van de kinderen. De vader heeft echter ook te kennen gegeven dat hij niet uitsluit dat hij op den duur nog een rol in het leven van de kinderen zal gaan spelen. Het is hem niet duidelijk wat de verzochte maatregel zal toevoegen aan de huidige situatie. Volgens de vader zal er niets veranderen indien hij wordt ontzet uit het gezag.

5 Standpunten overige belanghebbenden

5.1 Ter zitting is door de voogd uiteengezet dat hij zich aansluit bij het verzoek van de Raad. Naar de mening van de voogd is duidelijkheid over de woonsituatie heel belangrijk voor de kinderen. De Stichting heeft zich in 2003 al hard gemaakt voor een ontzettingsmaatregel, zowel vanuit het belang van de kinderen, maar zeker ook als signaalfunctie. Het moet duidelijk zijn dat er voor de vader geen ruimte meer is als opvoeder, gelet op wat hij zijn kinderen heeft aangedaan, aldus de voogd. De vader is door zijn daad niet meer in de positie om beslissingen te nemen over de kinderen. Van de kinderen kan niet worden verwacht dat zij zich nog iets door hun vader laten gezeggen.

5.2 De pleegouders van de kinderen hebben ter zitting laten weten dat het momenteel goed gaat met de kinderen. Ze voelen zich vertrouwd en hebben het gevoel dat ze keuzes mogen maken. De zaak met betrekking tot de ontzettingsmaatregel geeft op dit moment -voornamelijk bij [naam minderjarige 1]- wel wat spanningen en onrust. De contacten die de kinderen hebben met hun beider grootouders zijn heel erg belangrijk voor hen.

6. Beoordeling

6.1 Op grond van artikel 1:269 BW, kan de rechtbank, indien zij dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen ontzetten (onder meer) op grond van:

a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van één of meer kinderen;

b. slecht levensgedrag;

c. onherroepelijke veroordeling:

1* wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;

2* wegens het plegen tegen de minderjarige van één van de misdrijven, omschreven in de titels XIII-XV en XVII-XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht;

3* tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de gronden voor ontzetting als bedoeld in voornoemd artikel aanwezig zijn en dat ontzetting noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen.

6.2 De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij - inmiddels onherroepelijk geworden - vonnis van de meervoudige strafkamer te Haarlem van [datum] 2003 is de vader veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren op grond van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van de moeder van de kinderen. Daarnaast is terbeschikkingstelling met dwangverpleging van de vader gelast.

Gebleken is dat de terbeschikkingstelling van vader is verlengd tot [datum] 2011 en dat hij thans bezig is met een traject om toe te werken naar proefverloven.

6.3 Door vaders toedoen hebben de kinderen hun hele leven herinneringen aan een traumatische gebeurtenis die zij met zich meedragen. De kinderen is door het gedrag van de vader voor de rest van hun leven hun moeder ontnomen. Zeker nu de vader een traject is gestart om toe te werken naar proefverloven, worden de kinderen opnieuw geconfronteerd met de vraag van de vader om na zijn vrijlating eventueel weer voor de kinderen te gaan zorgen. De rechtbank acht het voor de kinderen van groot belang dat zij weten waar zij de rest van hun jeugd zullen opgroeien. Zij hebben zich in het huidige pleeggezin voor de derde keer thuis moeten leren voelen en de rechtbank acht het niet in hun belang om in de huidige situatie verandering te brengen. Doordat de kinderen zich momenteel ‘thuis’ voelen bij de pleegouders, kunnen zij toekomen aan essentiële ontwikkelingstaken zoals het aangaan van gezonde en duurzame relaties met anderen en het omgaan met hun loyaliteitsgevoelens.

6.4 Door de moeder van de kinderen om het leven te brengen, heeft de vader zich gediskwalificeerd als opvoeder van de kinderen. Daarom is de rechtbank met de Raad en de Stichting van oordeel dat een ontzetting van de vader van het gezag een duidelijk signaal aan alle betrokkenen zal geven dat een herstel van de opvoedingsrelatie tussen de vader en de kinderen niet meer de bedoeling is. Een definitieve voogdijmaatregel biedt de kinderen de zekerheid dat zij zich geborgen kunnen voelen in het pleeggezin, dat zij voelen dat hun toekomstperspectief bij het pleeggezin is en dat zij weten dat zij hun eigen leven mogen gaan leiden. De hulpverlening zal zich in de toekomst dan ook kunnen richten op het creëren van meer ruimte voor de kinderen om vanuit hun eigen behoefte invulling te geven aan de familiebetrekkingen.

7 Beslissing

De rechtbank:

7.1 Ontzet:

[naam vader], wonende te [plaats],

van het gezag over de minderjarigen [naam],

- [naam minderjarige 1], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats];

- [naam minderjarige 2], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats];

- [naam minderjarige 3], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats].

7.2 Benoemt tot voogdes over voornoemde minderjarigen:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdbescherming, locatie Haarlem Zijlweg 144, 2015 BH te Haarlem.

7.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, als voorzitter tevens kinderrechter, en mr. W. Veldhuijzen van Zanten en mr. M.T. Hoogland, als leden van deze kamer tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.C.M. Gerritsen-Martens, griffier, op 11 mei 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dien het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of adat deze hun op andere wijze bekend is geworden.