Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN1638

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
19-07-2010
Zaaknummer
167069 - FA RK 10-699
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1465, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding / ontbreken ouderschapsplan / niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft de vrouw bij brief van 3 maart 2010 verzocht om alsnog een ouderschapsplan over te leggen. Hierop heeft de vrouw, zonder nadere toelichting, bij brief van 22 maart 2010 het door haar gewenste ouderschapsplan overgelegd.

De rechtbank heeft de vrouw bij brief van 23 maart 2010 verzocht om alsnog een ouderschapsplan over te leggen, omdat het door de vrouw overgelegde ouderschapsplan niet voldoet aan de vereisten van artikel 815 lid 3 Rv. Daarbij is de vrouw in de gelegenheid gesteld, indien zij niet in staat zou zijn een ouderschapsplan over te leggen, het ontbreken van het ouderschapsplan nader te motiveren.

Op deze brief is binnen de daarin gestelde termijn niet gereageerd. De vrouw is daarop nogmaals bij brief van 4 mei 2010 verzocht uiterlijk 25 mei 2010 schriftelijk te reageren, waarbij haar is medegedeeld dat wanneer na afloop van de gegeven termijn wordt geconstateerd dat er geen reactie is ontvangen het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nu de vrouw op deze brief evenmin heeft gereageerd en niet gebleken is dat van haar redelijkerwijs niet verwacht kan worden een ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2010, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding/verstek

zaak-/rekestnr.: 167069 / FA RK 10-699

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 15 juni 2010

in de zaak van:

[naam vrouw]

wonende te [plaats]

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.J.P. Liefting, kantoorhoudende te Amstelveen,

tegen

[naam man],

wonende te Haarlem,

hierna te noemen: de man.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw ingekomen op 02 maart 2010, waarin echtscheiding met nevenvoorzieningen is gevraagd;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 23 maart 2010 waarbij is overgelegd het exploot van betekening van het echtscheidingsverzoek.

1.2 Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling

ten aanzien van de rechtsmacht

2.1 Door de omstandigheid dat beide partijen de [nationaliteit] nationaliteit bezitten, draagt deze zaak een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Deze vraag wordt ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding in bevestigende zin beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

ten aanzien van het toepasselijke recht

2.2 Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen van toepassing is. Op het verzoek tot echtscheiding is het Nederlandse recht van toepassing, aangezien door de vrouw een onweersproken keuze is gedaan voor het Nederlandse recht.

ten aanzien van het verzochte

2.3 De vrouw heeft een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft geen verweer gevoerd.

Op grond van artikel 815 lid 2 sub a Rv dient een dergelijk verzoekschrift een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

De vrouw heeft bij het door haar ingediende verzoekschrift geen ouderschapsplan overgelegd. In het verzoekschrift staat niets vermeld over een ouderschapsplan. Evenmin staat vermeld over welke van de gevraagde voorzieningen overeenstemming is bereikt en over welke van de gevraagde voorzieningen een verschil van mening bestaat met de gronden daarvoor. Het verzoekschrift vermeldt slechts dat partijen in onderling overleg bespreken op welke momenten de man omgang heeft met de kinderen en dat een en ander afhankelijk is van de werktijden van de man, zodat het maken van vaste afspraken niet mogelijk is. Daarnaast verzoekt de vrouw een door de man te betalen kinderbijdrage.

De rechtbank heeft de vrouw bij brief van 3 maart 2010 verzocht om alsnog een ouderschapsplan over te leggen. Hierop heeft de vrouw, zonder nadere toelichting, bij brief van 22 maart 2010 het door haar gewenste ouderschapsplan overgelegd.

De rechtbank heeft de vrouw bij brief van 23 maart 2010 verzocht om alsnog een ouderschapsplan over te leggen, omdat het door de vrouw overgelegde ouderschapsplan niet voldoet aan de vereisten van artikel 815 lid 3 Rv. Daarbij is de vrouw in de gelegenheid gesteld, indien zij niet in staat zou zijn een ouderschapsplan over te leggen, het ontbreken van het ouderschapsplan nader te motiveren.

Op deze brief is binnen de daarin gestelde termijn niet gereageerd. De vrouw is daarop nogmaals bij brief van 4 mei 2010 verzocht uiterlijk 25 mei 2010 schriftelijk te reageren, waarbij haar is medegedeeld dat wanneer na afloop van de gegeven termijn wordt geconstateerd dat er geen reactie is ontvangen het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nu de vrouw op deze brief evenmin heeft gereageerd en niet gebleken is dat van haar redelijkerwijs niet verwacht kan worden een ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

3 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van E. Dijkstra, griffier, op 15 juni 2010.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. De niet-verschenen verwerende partij dient het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hem/haar op andere wijze bekend is geworden.