Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN0877

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
09-07-2010
Zaaknummer
146266 - HA ZA 08-691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asbest. Eiseres is gediagnosticeerd met de asbestziekte mesothelioom. Zij stelt dat dit een gevolg moet zijn van het verwijderen van asbesthoudende vloerbedekking (zeil) op haar trap in 1977. Gedaagde was toendertijd een grote producent van asbesthoudende vloerbedekking en wordt door eiseres aansprakelijk gehouden voor haar schade, omdat gedaagde niet heeft gewaarschuwd voor de gevaren verbonden aan het gebruik van deze vloerbedekking. Vordering wordt afgewezen, omdat gedaagde, gelet op de stand van de wetenschap in de betrokken periode, niet bekend hoefde te zijn met deze gevaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146266 / HA ZA 08-691

Vonnis van 26 mei 2010

in de zaak van

[EISERES],

wonende te Delft,

eiseres,

advocaat mr. P. Wieringa,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FORBO FLOORING B.V.,

gevestigd te Assendelft, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

advocaat mr. L. Koning.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Forbo genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Mevrouw [eiseres] is in het najaar van 2006 gediagnosticeerd met mesothelioom (long- of buikvlieskanker). [eiseres] heeft, voor zover haar bekend, in haar arbeidzame leven niet te maken gehad met blootstelling aan asbest. [eiseres] heeft van 2 mei 1977 tot 19 december 1989 gewoond op het adres C. Fockstraat 89 in Delft.

2.2. Bij brief van 21 mei 2007 heeft de advocaat van [eiseres], voor zover thans van belang, het volgende aan Forbo geschreven:

(…) Cliënte heeft echter medio 1977 in haar toenmalige woning aan de C. Fockstraat 89 te Delft handmatig vloerbedekking van de trap in deze woning, in totaal 26 treden, verwijderd. Het is alleszins aannemelijk dat deze vloerbedekking asbesthoudende vloerbedekking was, waardoor cliënte aan asbest werd blootgesteld, en dat deze blootstelling de voor cliënte fatale ziekte mesothelioom heeft veroorzaakt.

Ook is het naar mijn mening alleszins aannemelijk dat de hiervoor genoemde asbesthoudende vloerbedekking afkomstig was van en geproduceerd was door uw bedrijf (…)

Voor en namens cliënte stel ik u bij deze aansprakelijk en vorder ik vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade, zowel in materiële als in immateriële zin.

(…)

2.3. In opdracht van [eiseres] heeft ir. [A] (hierna: [A]) op 26 oktober 2007 onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van asbest op de trappen van de woning aan de C. Fockstraat 89 in Delft. Van dit onderzoek heeft [A] verslag gedaan bij rapport van 30 oktober 2007. Dit rapport houdt, voor zover in dit geding van belang, het volgende in:

Betreft de uitvoering van een risico-inventarisatie met betrekking tot het voorkomen van asbesthoudende materialen in de woning aan de C. Fockstraat 89 te Delft. In het verleden (omstreeks 1977) is door de toenmalige bewoonster mogelijk asbesthoudend materiaal verwijderd van de trap van de begane grond naar de 1e verdieping en de trap van de 1e verdieping naar de 2e verdieping. (…)

Door de voormalige bewoonster van het pand is de vloerbedekking van de trappen verwijderd omstreeks 1977. Volgens opgave van deze bewoonster zou het mogelijk gaan om een wit/zwarte vloerbedekking met een bruin vezelige onderzijde. (…)

Bij het visueel beoordelen van de trap is een monster genomen van een asbestverdacht stukje materiaal dat zich aan de onderzijde van een van de treden bevond. (…)

Het monster van het materiaal dat op een van de traptreden is aangetroffen is volgens analyse van Certichem Laboratory BV te Malden inderdaad asbesthoudend(…). Het monster bevat 0,1 – 2% gewichtsprocent chrysotiel. (…)

2.4. Forbo produceert (en haar rechtsvoorgangers produceerden) diverse kunststofvloerbedekkingen en brengt (brachten) deze in het verkeer, waaronder de merken Novilon en Colovinyl. Van omstreeks 1970 tot omstreeks 1979 had Novilon een onderlaag van chrysotiel-asbestpapier. Vanaf de vijftiger jaren tot omstreeks 1968 produceerde de rechtsvoorganger van Forbo Colovinyltegels. In deze tegels werd chrysotiel als vulmiddel gebruikt.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat –

1. verklaring voor recht dat Forbo jegens haar onrechtmatig gehandeld heeft,

2. vergoeding van de immateriële schade ad € 60.000,-,

3. vergoeding van de materiële schade nader op te maken bij staat,

4. vergoeden de buitengerechtelijke kosten ad € 3.081,25,

een en ander vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Forbo voert verweer. Op de stellingen van partijen zal hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Mevrouw [eiseres] heeft mesothelioom, een fatale aandoening aan het longvlies. In dit geding gaat het om de vraag of de schade die [eiseres] door deze aandoening lijdt op Forbo kan worden verhaald. [eiseres] stelt daartoe dat haar aandoening is veroorzaakt doordat zij in het verleden blootgesteld is geweest aan asbest toen zij de asbesthoudende vloerbedekking in haar woning heeft verwijderd. Volgens haar is dat de enige blootstelling aan asbest geweest. Zij stelt voorts dat Forbo van eind jaren zestig tot begin jaren tachtig als producent van asbesthoudende vloerbedekking marktleider was en dat Forbo onrechtmatig heeft gehandeld door asbesthoudende vloerbedekking in het verkeer te brengen en te houden zonder te waarschuwen voor de daaraan verbonden gevaren.

4.2. Forbo beroept zich allereerst op verjaring. Subsidiair betwist Forbo dat [eiseres] van Forbo afkomstige asbesthoudende vloerbedekking heeft verwijderd en (meer subsidiair) dat het mesothelioom is ontstaan als gevolg van blootstelling aan asbest bij de verwijdering van asbesthoudende vloerbedekking. Nog meer subsidiair bestrijdt Forbo dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door asbesthoudende vloerbedekking zonder waarschuwing in het verkeer te brengen. Ten slotte stelt Forbo dat de schade van [eiseres] ook door blootstelling aan door een ander in het verkeer gebracht asbest kan zijn veroorzaakt en betwist zij de omvang van de schade.

Het beroep op verjaring

4.3. Forbo heeft zich op de eerste plaats verweerd met een beroep op verjaring van de rechtsvordering, wegens overschrijding van de termijn van 30 jaar als bedoeld in artikel 3:310, tweede lid BW. Forbo stelt hiertoe dat moet worden aangenomen dat [eiseres] de bewuste vloerbedekking heeft verwijderd toen zij de woning aan de C. Fockstraat betrok, in mei 1977, en dat het verwijderen enkele dagen heeft geduurd. Aangezien de aansprakelijkstelling dateert van 21 mei 2007, is sedertdien meer dan 30 jaar verstreken, zodat de vordering is verjaard, aldus Forbo.

4.4. [eiseres] daarentegen heeft betoogd dat zij de vloerbedekking eind 1982, begin 1983 (het bij dagvaarding ingenomen standpunt), dan wel begin 1982 (het bij conclusie van repliek ingenomen standpunt) heeft verwijderd, zodat van verjaring geen sprake is, althans – subsidiair – dat als gebeurtenis mede heeft te gelden het nadien nalaten van Forbo om gebruikers van haar producten alsnog te waarschuwen.

4.5. Artikel 3:310, tweede lid BW bepaalt dat als de schade een gevolg is van verwezenlijking van een gevaar als bedoeld in artikel 6:175 BW (gevaarlijke stoffen), de rechtsvordering tot vergoeding van schade in ieder geval verjaart door verloop van 30 jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Als gebeurtenis heeft te gelden de gedraging – handelen of nalaten – van de aansprakelijke persoon, die tot de schade kan leiden.

4.6. Voor de beoordeling van het verjaringsverweer heeft als gedraging te gelden zowel het door Forbo in het verkeer brengen van een gevaarlijke stof, te weten asbesthoudende vloerbedekking als ook het nalaten om gebruikers te waarschuwen tegen de gevaren ervan.

Die gedraging is voortdurend als bedoeld in artikel 3:310, derde lid BW. Anders dan [eiseres] kennelijk betoogt, betekent dit niet dat de verjaringstermijn niet is gaan lopen op het tijdstip van verwijdering van de vloerbedekking. Aangezien [eiseres] er zelf vanuit gaat dat zij na dit tijdstip niet meer aan door Forbo in het verkeer gebracht asbest is blootgesteld, kan schending van een eventuele waarschuwingsplicht van Forbo na verwijdering van de vloerbedekking immers niet tot schade bij [eiseres] leiden.

4.7. Voor de beoordeling van de gegrondheid van het beroep op verjaring moet dus worden vastgesteld op welk tijdstip [eiseres] de vloerbedekking heeft verwijderd. De bewijslast van de door [eiseres] betwiste stelling dat dit begin mei 1977 is geweest, rust op Forbo, omdat Forbo zich op verjaring beroept. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, komt de rechtbank evenwel niet aan bewijslevering toe; zij zal bij de verdere beoordeling van dit geschil veronderstellenderwijs het door [eiseres] bij conclusie van repliek ingenomen standpunt volgen, te weten dat de vloerbedekking begin 1982 is verwijderd.

4.8. De rechtbank acht termen aanwezig om vervolgens eerst in te gaan op de vraag of Forbo onrechtmatig heeft gehandeld door zonder waarschuwing asbesthoudende vloerbedekking in het verkeer te brengen en te houden.

De (on)rechtmatigheid van het handelen van Forbo

4.9. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 25 november 2005, LJN AT8782 (Eternit / Horsting) moet de rechtmatigheid van het handelen van de producent/leverancier van asbesthoudend materiaal worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de verweten gedragingen of nalatigheden en verdient daarbij opmerking dat vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe de producent/leverancier behoort, bekend moest worden geacht dat aan het werken met asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden met het oog op de belangen van diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met asbest wordt gewerkt. Voorts is overwogen dat het afhangt van de omstandigheden van het geval en van de toentertijd bestaande kennis en inzichten, welke veiligheidsmaatregelen vanaf dat moment van de producent/leverancier konden worden verwacht en dat in dat verband mede van belang zijn de mate van zekerheid dat het werken met asbest gezondheidsrisico’s meebracht en de aard en de ernst van die risico’s.

4.10. Uit voormeld arrest volgt ook dat reeds begin jaren zeventig onder deskundigen bekend was dat vrijkomend asbest mesothelioom zou kunnen veroorzaken. Dit oordeel, waarop [eiseres] zich beroept, vindt steun in een groot aantal door [eiseres] als productie overgelegde publicaties. Zo is door [eiseres] overgelegd publicatieblad P-116 van de Arbeidsinspectie uit 1971 (hierna: P-116). Dit stuk houdt onder meer het volgende in:

De schadelijke werking van asbest kan zich ook uitstrekken tot de pleura en het peritoneum. Het is sinds enige jaren bekend, dat contact met asbest kan leiden tot een vroeger vrij zelden geconstateerde afwijking, het mesothelioom, een langzaam en fataal verlopend ziekteproces, waarbij hoofdzakelijk het longvlies en/of het buikvlies wordt aangetast.

4.11. Forbo heeft betoogd dat in de relevante periode werd gedacht dat de asbestgevaren, in het bijzonder met betrekking tot mesothelioom, met name verbonden waren aan blauw en bruin asbest en veel minder aan wit asbest. Forbo heeft zich ter onderbouwing van haar stelling beroepen op P-116 en op publicaties van de Werkgroep van Deskundigen Nederland, WGD uit 1984, de Beraadsgroep Toxicologie en Ecologie van de Gezondheidsraad uit 1988, van prof. mr. J de Ruiter uit 1997 en dr. ir. A. Burdorf uit 1999.

4.12. Daar staat tegenover dat uit door [eiseres] overgelegde publicaties kan worden afgeleid dat andere deskundigen wel een verband hebben genoemd tussen wit asbest en mesothelioom. De rechtbank noemt in dit verband in het bijzonder de weergave van een beraadslaging in de Ingenieur, jaargang 82, nr. 14 van 3 april 1970 en het rapport van P.H.J.J. Swüste, A. Burdorf en J.A.M. Klaver van 1988.

4.13. Een en ander brengt de rechtbank tot de constatering dat in de relevante periode onder deskundigen kennelijk verschil van inzicht bestond in het gezondheidsgevaar van met name wit asbest.

4.14. Forbo heeft er voorts op gewezen dat asbestgevaren oorspronkelijk werden gekoppeld aan de beroepsbevolking en dat pas na het proefschrift van dr Stumphius in de jaren zeventig en tachtig geleidelijk aan het besef is doorgedrongen dat asbest mogelijk ook een gevaar voor de volksgezondheid zou kunnen worden. Deze stelling vindt steun in door Forbo overgelegde producties. Daartegen heeft [eiseres] ingebracht dat het proefschrift van Stumphius al uit 1969 dateert en dat Stumphius reeds in 1970 heeft gewezen op gevaren voor de niet beroepsbevolking. Voorts wordt in voornoemd rapport van Swüste, Burdorf en Klaver gememoreerd dat op de Tweede Internationale Asbestconferentie in Dresden in 1968 asbest als volksgezondheidsprobleem aandacht kreeg. Een en ander biedt echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun aan de stelling dat in de relevante periode onder deskundigen als algemeen aanvaarde kennis gold dat asbest niet alleen voor de beroepsbevolking, maar ook voor de volksgezondheid gevaarlijk is.

4.15. Ten derde heeft Forbo erop gewezen dat in de jaren zeventig nog niet werd gedacht in termen van risico’s bij de -eenmalige- verwijdering van asbesthoudende producten en dat de risico’s van verwijdering van asbesthoudende vloerbedekking pas vanaf het einde van de jaren tachtig relevant werden geacht.

4.16. Deze stelling treft doel. In de door partijen overgelegde literatuur in de periode tot 1982 die geacht kan worden de weerslag te vormen van de wetenschappelijke discussie in die jaren wordt naast de hierboven gememoreerde discussie over de gevaren van de verschillende soorten asbest vooral aandacht besteed aan (on)veilige concentraties en blootstellingsduur en niet zozeer aan blootstellingsvormen.

4.17. In aanmerking genomen dat in de relevante periode onder wetenschappers verschil van inzicht bestond in het gevaar van de verschillende soorten asbest en voorts dat blootstelling aan asbest door verwijdering van asbesthoudend materiaal geen, althans geen significante aandacht had in de wetenschap, kan niet worden geoordeeld dat bij Forbo bekendheid bestond met de gevaren verbonden aan het verwijderen van door haar geproduceerde asbesthoudende vloerbedekking. Van onrechtmatig handelen door niet te waarschuwen tegen de thans wel bekende gevaren is dan ook geen sprake en Forbo is niet aansprakelijk voor de door [eiseres] geleden schade.

4.18. Het onder 4.17 weergegeven oordeel brengt mee dat in het midden kan blijven of de door [eiseres] verwijderde vloerbedekking asbesthoudend was, of causaal verband bestaat tussen het verwijderen van de vloerbedekking en het ontstaan van het mesothelioom, of alternatieve causaliteit aan de orde is en de omvang van de schade.

4.19. De vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. [eiseres] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding, die de rechtbank aan de zijde van Forbo tot op heden begroot op € 1.390,- aan verschotten en op € 3.576,- aan salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Forbo tot op heden begroot op € 1.390,- aan verschotten en op € 3.576,- aan salaris advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking, mr. I.A.M. Tel en A.M. Hol en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2010.?