Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN0232

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
169460 - KG ZA 10-243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil, artikel 5:42 lid 2 BW van toepassing nu leiperen als bomen zijn aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 169460 / KG ZA 10-243

Vonnis in kort geding van 2 juli 2010

in de zaak van

PETRONELLA LANGENDIJK-BIJMAN[Eiseres],

wonende te Beverwijk,

eiseres,

advocaat mr. D. Kist,

tegen

1. [Gedaagde 1],

wonende te Beverwijk,

gedaagde,

in persoon verschenen,

2. [Gedaagde 2],

wonende te Beverwijk,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] c.s., en gedaagden afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2], genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met de daarbij behorende producties

- de bij brief van 16 juni 2010 van mr. Kist toegezonden producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de aantekeningen van [gedaagde 1] met de daarbij behorende producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is eigenaar van de woning aan de […] te Beverwijk. [gedaagde] c.s. zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van de woning gelegen aan de […] te Beverwijk. Partijen zijn buren. De achtertuinen van de woningen van partijen grenzen aan elkaar en zijn gelegen op het noordwesten.

2.2. In april 2007 hebben [gedaagde] c.s. in overleg met en met toestemming van [eiseres] een schutting geplaatst tussen de achtertuinen van partijen. De schutting is 1,8 meter hoog.

2.3. In augustus 2007 hebben [gedaagde] c.s. in de lengterichting aan de oostzijde van hun achtertuin op ongeveer 60 centimeter van de schutting drie leiperen geplant. De leiperen worden ondersteund door een houten raamwerk, zijn ca. 3,60 meter hoog en steken daarmee ca. 1,80 meter boven de schutting uit.

2.4. Kort na de aanplant heeft [eiseres] [gedaagde] c.s. meegedeeld dat zij het niet eens was met de plaatsing van de drie leiperen.

2.5. Omstreeks augustus-september 2008 zijn [gedaagde] c.s. benaderd door een jurist van het televisieprogramma “De rijdende rechter” met de vraag om over het geschil met [eiseres] mee te doen aan het programma. [eiseres] had daarom verzocht. [gedaagde] c.s. hebben dat geweigerd.

2.6. Op 11 november 2009 heeft de raadsman van [eiseres] gesommeerd de leiperen te verwijderen. [gedaagde] c.s. hebben niet aan het verzoek voldaan.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - dat [gedaagde] c.s. zullen worden veroordeeld, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de leiperen te hebben verwijderd en verwijderd te houden onder verbeurte van, ieder hoofdelijk voor het geheel, een dwangsom van € 600,00 per dag met een maximum van € 60.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] c.s. na twee dagen na betekening van het vonnis in gebreke blijven hieraan te voldoen, met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van het geding, te vermeerderen met nakosten.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] c.s. onrechtmatig handelen omdat de leiperen zich bevinden binnen de toegestane afstand van twee meter van de grens tussen de beide erven van partijen. Daarmee handelen [gedaagde] c.s. in strijd met artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voorts ondervindt [eiseres] hinder van de bomen doordat haar licht en zon onthouden wordt en het uitzicht wordt beperkt, waardoor zij ernstig in haar woongenot wordt aangetast. Dit levert onrechtmatige hinder op in de zin van artikel 5:37 BW, waarmee [gedaagde] c.s., aldus [eiseres], onrechtmatig handelen.

3.3. [gedaagde 1] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verweer van [gedaagde 1] dat leiperen niet zijn aan te merken als bomen, maar als struiken of haag, zodat plaatsing op een afstand van ongeveer 60 centimeter van de schutting is toegestaan, slaagt niet. Naar gangbaar spraakgebruik alsmede gelet op de hoogte die de leiperen inmiddels hebben bereikt, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de leiperen zijn aan te merken als bomen.

Gelet op artikel 5:42 lid 2 BW is het niet geoorloofd bomen binnen een afstand van 2 meter van de grenslijn van eens anders erf te hebben, tenzij de eigenaar daartoe toestemming heeft gegeven.

Ter zitting heeft [gedaagde 1] niet betwist dat [eiseres] geen toestemming heeft verleend voor het planten van de leiperen. [gedaagde 1] heeft niet weersproken dat [eiseres] direct na plaatsing van de leiperen daartegen bij [gedaagde] c.s. heeft geprotesteerd.

Dit leidt tot de conclusie dat sprake is van een ongeoorloofde toestand.

4.2. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van hinder. Weliswaar heeft [gedaagde 1] ter zitting toegelicht dat geen sprake kan zijn van hinder omdat uitsluitend ’s avonds de zon vanaf de kant van de achtertuin van [gedaagde] c.s. in de tuin van [eiseres] kan schijnen, hetgeen bovendien al wordt verhinderd door de hoge bomen die staan in de naastgelegen straat, maar [eiseres] heeft dat gemotiveerd betwist. Bovendien stelt de voorzieningenrechter vast dat, gelet op de ligging van de achtertuinen op het noordwesten, gegeven is dat aan het eind van de dag door de leiperen zonlicht uit de achtertuin van [eiseres] wordt weggenomen. Anders dan door [gedaagde 1] betoogd is de vordering daarom niet in strijd met de redelijkheid en de billijkheid.

4.3. Tot slot heeft te gelden dat de leiperen weliswaar enige tijd geleden zijn geplant, maar dat daarmee het spoedeisend belang (voorzover [gedaagde 1] dat heeft willen betwisten) bij een vordering tot opheffing van een ongeoorloofde toestand niet is weggenomen. Dat geldt temeer nu [eiseres] heeft geprobeerd een oplossing in der minne te bereiken, onder meer door inschakeling van de ‘rijdende rechter’ (aantekening verdient wel dat het [gedaagde 1] uiteraard vrijstond zijn medewerking daaraan te weigeren.)

4.4. Gelet op de bepaling van artikel 5:42 lid 3 BW, waarin is bepaald dat de nabuur zich niet kan verzetten tegen de aanwezigheid van bomen die niet hoger reiken dan de scheidsmuur tussen de erven, is het voor opheffing van de ongeoorloofde toestand niet nodig om de leiperen volledig te verwijderen. Volstaan kan worden met het terugbrengen van de hoogte van de leiperen tot aan de hoogte van de bestaande schutting. De vordering zal met inachtneming daarvan worden toegewezen, als hierna in het dictum vermeld.

4.5. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna in het dictum vermeld.

4.6. Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat verstek zal worden verleend tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde 2]. Op grond van artikel 140 lid 2 Rv heeft te gelden dat bij meerdere gedaagden tussen alle partijen één vonnis wordt gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Gelet op het hiervoor overwogene zullen [gedaagde] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld als hierna in het dictum vermeld.

4.7. [gedaagde] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.152,89

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde [gedaagde 2],

5.2. veroordeelt [gedaagde] c.s. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de leiperen voornoemd, die zich bevinden op het perceel van [gedaagde] c.s. binnen twee meter van de erfgrens met het perceel van [eiseres], te verwijderen en verwijderd te houden voor zover deze boven de tussen beide percelen bestaande schutting van 1,8 meter uitkomen,

5.3. bepaalt dat [gedaagde] c.s., ieder hoofdelijk voor het geheel, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in strijd handelen met het onder 5.2 bepaalde, aan [eiseres] een dwangsom verbeuren van EUR 250,-, tot een maximum van EUR 5.000,-,

5.4. veroordeelt [gedaagde] c.s., ieder hoofdelijk voor het geheel, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.152,89,

5.5. veroordeelt [gedaagde] c.s., ieder hoofdelijk voor het geheel, in de nakosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,-- voor nasalaris advocaat,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, bijgestaan door mr. A.R. ten Berge, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2010.?