Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN0216

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-05-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
153273 - HA ZA 09-54
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onrechtmatige daad jegens Ontvanger afgewezen vanwege ontbreken causaal verband. Niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun vordering jegens de Inspecteur, nu aan Inspecteur geen zelfstandige procesbevoegdheid toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153273 / HA ZA 09-54

Vonnis van 19 mei 2010

in de zaak van

1. [Eiser],

wonende te Purmerend,

2. de rechtspersoon naar het recht van Isle of Man [A] LTD.,

gevestigd te Douglas, Isle of Man (U.K.),

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B] B.V.,

gevestigd te Purmerend,

eisers,

advocaat mr. M. Zee,

tegen

1. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-NOORD/KANTOOR ZAANDAM, voorheen ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST PARTICULIEREN/ONDERNEMINGEN ZAANDAM,

kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

2. DE INSPECTEUR VAN DE BELASTINGDIENST HOLLAND-NOORD/KANTOOR ZAANDAM,

kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagden,

advocaat mr. W. Heemskerk.

Eisers zullen hierna [eiser] c.s. (eisers tezamen) danwel respectievelijk [eiser], [A] Ltd. en [B] BV worden genoemd. Gedaagden zullen hierna de Ontvanger respectievelijk de Inspecteur worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] was, samen met enkele vennootschappen waarvan hij aandeelhouder was, betrokken bij de exploitatie van het zogenoemde “[C]-concept” waarbij overnachtingen in kamers van hotels met overcapaciteit werden verkocht.

2.2. [B] BV heeft de merknamen [C], [D], [E], [F] en [G] in de periode 1992-1995 doen deponeren bij het Benelux Merkenbureau.

In 1996 is deze merkenrechtelijke registratie gewijzigd en zijn genoemde merken ten name van [A] Ltd. (toen nog genaamd [H] Ltd.) gesteld.

2.3. Naar aanleiding van door [I] aan de belastingdienst verstrekte informatie heeft de FIOD onderzoek verricht naar [eiser] en aan hem gelieerde vennootschappen, waaronder [A] Ltd. en [B] BV.

2.4. De belastingdienst heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat bij het overschrijven in 1996 van de onder 2.2 genoemde merknamen op naam van [H] Ltd. ten onrechte geen vergoeding door [H] Ltd. (thans [A] Ltd.) is betaald aan [B] BV, hetgeen door de belastingdienst slechts verklaarbaar wordt geacht door het feit dat [eiser] van beide vennootschappen (economisch) aandeelhouder was. De Inspecteur heeft in verband hiermee de winst van [B] BV verhoogd met ƒ 3.000.000, en voor hetzelfde bedrag een winstuitdeling aan [eiser] als aandeelhouder van [B] BV in aanmerking genomen.

2.5. De belastingdienst heeft zich voorts naar aanleiding van het FIOD-onderzoek op het standpunt gesteld dat de feitelijke leiding van [A] Ltd., hoewel op Isle of Man gevestigd, vanuit Nederland geschiedde, zodat zij als Nederlands belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting moet worden aangemerkt. Door de Ontvanger is op 14 juni 2001 aan de president van de rechtbank Arnhem verlof gevraagd en gekregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder [J] BV ten laste van [A] Ltd. tot een bedrag van ƒ 3.800.000, zulks vanwege materieel verschuldigde vennootschapsbelasting 1996, 1998 en 1999 ten belope van ongeveer ƒ 3.700.000. De termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak dient te worden ingesteld is daarbij vastgesteld op zes maanden.

2.6. Op 26 juni 2001 is namens de Ontvanger beslag gelegd onder [J] BV op (onder meer) vorderingen die [A] Ltd. op [B] BV mocht hebben of uit (een) ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding(en) rechtstreeks zal verkrijgen.

2.7. [J] BV antwoordde op vragen van de belastingdienst bij brief van 30 augustus 2001 onder meer:

“Op 9 juni 1999 is er een koopovereenkomst gesloten tussen enerzijds [A] Ltd. en [K] BV en anderzijds [L] Holding NV (voorheen genaamd [M] Holding NV) te Curaçao.

Met als effectieve datum 9 juni 1999 heeft [L] Holding NV de in de bovengenoemde koopovereenkomst verworven activa voor dezelfde prijs (f 9.100.000) verkocht aan [J] BV.

In uw brief zegt u dat ook de schuld aan [A] Ltd. door [L] Holding NV is overgedragen aan [J] BV. Dit is dus niet het geval. [J] BV is f 9.100.000 schuldig aan [L] Holding NV. De schuld van [L] Holding NV wordt in opdracht van de NV door de BV betaald. Dit betreft dus betaling ten behoeve van een derde. Dat verklaart de door ons gevoerde correspondentie met de Ltd.

Derhalve hebben wij u de Verklaring bij Derdenbeslag geretourneerd met de mededeling dat [J] BV niets verschuldigd is of zal worden aan [A] Ltd.”

2.8. Op 20 december 2001 heeft de Ontvanger aan de president van de rechtbank Arnhem verzocht om verlenging van de termijn waarbinnen de eis in hoofdzaak dient te worden ingesteld met zes maanden. Dit verzoek is toegewezen.

2.9. Ter vervanging van het conservatoir derdenbeslag hebben [A] Ltd. en [B] BV op 11 juli 2002 aan de Ontvanger in pand gegeven al hetgeen zij nog te vorderen hebben van [J] BV en [M] Holding NV (met name) uit hoofde van de overeenkomst van 9 juni 1999.

2.10. Naar aanleiding van de uitkomsten van het FIOD-onderzoek is [eiser] strafrechtelijk vervolgd en bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 juli 2004 veroordeeld wegens - samengevat -:

a. valsheid in geschrift (valselijk in aangifteformulier inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 doen vermelden dat zijn belastbaar inkomen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 ƒ 15.316 bedroeg, terwijl dit inkomen in werkelijkheid hoger was)

b. feitelijk leiding geven aan het opzettelijk onjuist doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte door [K] BV (vennootschapsbelasting 1996)

c. feitelijk leiding geven aan het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte door [H] Ltd. (vennootschapsbelasting 1997)

d. feitelijk leiding geven aan het opzettelijk niet doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte door [H] Ltd. (vennootschapsbelasting 1999)

tot een geldboete van EUR 500.000, een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

2.11. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Bij vonnis van 6 september 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam [eiser] veroordeeld wegens de hiervoor onder 2.2 sub a en b genoemde strafbare feiten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van EUR 50.000. Het openbaar ministerie is daarbij niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging ter zake van de hiervoor onder 2.2 sub c en d genoemde strafbare feiten.

[eiser] heeft tegen dit vonnis cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - samengevat -

I. voor recht te verklaren dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. heeft gehandeld door willens en wetens beslag te doen leggen onder de verkeerde rechtspersoon en voorts willens en wetens nagelaten heeft actie te ondernemen onder de juiste rechtspersoon, wetende dat deze haar betalingen aan [eiser] had opgeschort in verband met de (te verwachten) invordering door de Ontvanger, waarbij uiteindelijk de Ontvanger de advocaat van [A] Ltd. heeft moeten vragen om de incasso door [A] Ltd. te doen verrichten, uit hoofde waarvan de Ontvanger schadeplichtig is jegens [eiser] c.s.,

II. voor recht te verklaren dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. door in het kader van een tegen [eiser] aanhangige strafrechtelijke procedure opzettelijk na te laten de officier van justitie alsook de rechtbank te Haarlem op de hoogte te stellen van het feit dat het aan [eiser] en [A] Ltd. gerichte verwijt, dat de aan [A] Ltd. gerichte aangiftebiljetten opzettelijk niet binnen de daarvoor gestelde termijn zouden zijn ingediend, rechtens grondslag ontbeerde, ondanks de daarvoor bestaande gelegenheden ter zitting, en aldus te bewerkstelligen dat [eiser] ten onrechte is veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit, waardoor [eiser] c.s. schade hebben geleden,

III. voor recht te verklaren dat de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] c.s. door na te laten deugdelijk onderzoek te (doen) verrichten naar de vraag of [B] BV de aangifte voor de vennootschapsbelasting over het kalenderjaar 1996 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan door een te laag belastbaar bedrag althans een te laag bedrag van de belasting op te geven of te doen opgeven, doordat de Inspecteur de wijziging in 1996 van de merkenrechtelijke registratie van de merknamen [C], [D], [E], [F] en [G] heeft aangemerkt als een fiscaal belastbare vermogensoverheveling vanuit [B] BV naar [A] Ltd., waardoor [eiser] c.s. schade hebben geleden,

IV. de Ontvanger en de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

3.2. De Ontvanger en de Inspecteur voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid van de vorderingen

4.1. Gedaagden hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun jegens de Inspecteur ingestelde vorderingen, nu de Inspecteur als functionaris van een orgaan van de Staat niet als zodanig zelfstandig in civilibus kan optreden. [eiser] c.s. stellen zich op het standpunt dat, gelet op het bepaalde in artikel 128, derde lid, Rv, de exceptie die gedaagden wensen aan te voeren als vervallen moet worden beschouwd. De rechtbank gaat aan dit debat tussen partijen voorbij, nu de vraag of aan de in deze procedure optredende partijen zelfstandige procesbevoegdheid toekomt van openbare orde is en door de rechtbank ambtshalve moet worden beantwoord. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.2. Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 25 november 1983, nr 12068, NJ 1984, 297) komt de bevoegdheid om als partij in een burgerlijk geding op te treden in beginsel alleen toe aan natuurlijke personen en aan rechtspersonen. Dit uitgangspunt vindt zijn rechtvaardiging daarin dat bij een ander uitgangspunt - in het bijzonder als zou worden aangenomen dat een ambtelijk orgaan als zodanig in een burgerlijk geding kan optreden - problemen kunnen rijzen van procesrechtelijke aard. Zo zou onzeker kunnen zijn wie op grond van het aan een uitspraak toekomend gezag van gewijsde door die uitspraak zijn gebonden en jegens wie een uitspraak zou kunnen worden geëxecuteerd.

In het onderhavige geval zijn door [eiser] c.s. de Inspecteur en de Ontvanger als gedaagden gedagvaard. Gedaagden zijn beide in hun ambtelijke hoedanigheid ondergeschikt aan de minister van Financiën en ambtelijk orgaan van de Staat. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of grond bestaat om in het onderhavige geval op het voormelde uitgangspunt een uitzondering aan te nemen.

4.3. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 treedt in alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak de Ontvanger als zodanig in rechte op. Ten aanzien van de Ontvanger beantwoordt de rechtbank voormelde vraag dan ook bevestigend, nu - naar tussen partijen ook niet in geschil is - de vordering jegens de Ontvanger in deze procedure is gegrond op handelen dan wel nalaten door de Ontvanger, optredend in de uitoefening van zijn taak als Ontvanger. In dat geval is aan de Ontvanger bij wet zelfstandige procesbevoegdheid toegekend.

4.4. Aan de Inspecteur komt naar het oordeel van de rechtbank echter geen zelfstandige procesbevoegdheid toe, nu de rechtbank ten aanzien van hem geen reden ziet om een uitzondering aan te nemen op de regel dat uitsluitend natuurlijke personen en rechtspersonen als partijen in een burgerlijk proces kunnen optreden. Anders dan door [eiser] c.s. is aangevoerd, impliceert de enkele omstandigheid dat de Inspecteur bij advocaat als procespartij in deze procedure is verschenen geen procesbevoegdheid, terwijl de Inspecteur, anders dan [eiser] c.s. betoogt, evenmin als een “filiaal of bijkantoor” van de Staat kan worden aangemerkt. Ten slotte is de omstandigheid dat aan de Inspecteur in het kader van de heffing van belastingen in de Algemene wet op de rijksbelastingen vergaande bevoegdheden zijn toegekend, onvoldoende voor het aannemen van een uitzondering.

4.5. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen jegens de Inspecteur. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de door gedaagden (in de conclusie van antwoord onder 3.2.) “uitgestoken hand”, er toe strekkende dat de vordering tegen de Inspecteur door de rechtbank inhoudelijk kon worden beoordeeld, door [eiser] c.s. om hen moverende redenen niet is aanvaard.

Verklaring voor recht

4.6. [eiser] c.s. leggen aan hun onder 3.1 onder I vermelde vordering tot verklaring voor recht ten grondslag dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld doordat hij willens en wetens beslag heeft gelegd onder de verkeerde rechtspersoon ([J] BV) en vervolgens willens en wetens heeft nagelaten alsnog de juiste rechtspersoon ([L] Holding NV) aan te spreken. Uit de onder 2.7 vermelde brief van [J] BV was hem immers duidelijk dat [A] Ltd. niet een vordering had op [J] BV, maar op [L] Holding NV. De Ontvanger wist voorts dat [L] Holding NV haar betalingen aan [A] Ltd. had opgeschort in verband met de (te verwachten) uitwinning door de Ontvanger van het onder [J] BV gelegde beslag. Om aan deze opschorting een einde te maken hebben [A] Ltd. en [B] BV ingestemd met de verpanding van hun vordering op [J] BV en [L] Holding NV. [A] Ltd. heeft daarna moeten constateren dat [L] Holding NV in de periode van 26 juli 2001 tot 7 november 2002 haar activiteiten had overgedragen en geen noemenswaardig verhaal (meer) bood terzake van haar schuld aan [A] Ltd. ten bedrage van ƒ 5.500.000. Ten gevolge van dit onrechtmatig handelen van de Ontvanger heeft [A] Ltd. het door [L] Holding NV aan haar verschuldigde bedrag van ƒ 5.500.000 niet kunnen incasseren, waardoor zij aanzienlijke schade heeft geleden, aldus [eiser] c.s.

4.7. De Ontvanger heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat, voor zover al moet worden aangenomen dat het door de Ontvanger gelegde beslag onder de verkeerde rechtspersoon is gelegd, de vordering moet worden afgewezen omdat er geen causaal verband bestaat tussen het alsdan verkeerd gelegde beslag en de door [eiser] c.s. gestelde schade.

4.8. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser] c.s. ten aanzien van het vereiste causale verband tussen het handelen van de Ontvanger en de gestelde schade niet aan hun stelplicht voldaan. Zij hebben de enkele stelling ingenomen dat het nietsdoen en stilzitten van de Ontvanger rechtstreeks en onmiddellijk heeft geleid tot het doen verdwijnen van alle verhaalsmogelijkheden door [L] Holding NV en dat het [A] Ltd. niet mogelijk was om enige actie ter bewaring van haar recht te ondernemen. Zij hebben die stelling niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden. Zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, valt niet in te zien op welke wijze [A] Ltd. en [B] BV, toen [L] Holding NV in gebreke bleef met de betaling van het aan hen verschuldigde bedrag, door het onder [J] BV gelegde derdenbeslag werden belemmerd in hun mogelijkheden [L] Holding NV - al dan niet in rechte - tot nakoming van haar betalingsverplichting te bewegen. De enkele omstandigheid dat [L] Holding NV zich op een opschortingsrecht had beroepen, staat daaraan niet in de weg. Het (bij conclusie van repliek op pagina 10, laatste alinea) gedane bewijsaanbod dient daarom als niet ter zake doende te worden gepasseerd. Nu geen overige feiten of omstandigheden ter onderbouwing van het causaal verband zijn gesteld, zal de rechtbank de onder 3.1 onder I vermelde vordering afwijzen.

4.9. [eiser] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

Rente over de proceskosten zal worden toegewezen als door gedaagen gevorderd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens de Inspecteur;

5.2. wijst de vorderingen voor het overige af;

5.3. veroordeelt [eiser] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op EUR 1.158,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de 15e dag na betekening van dit vonnis,

5.4. verklaart dit vonnis voor zover het onderdeel 5.3. betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2010.?