Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9811

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
15-800308-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opiumwet. De meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem heeft een verdachte in wiens handbagage 8734,7 gram cocaine zat, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden. Voor stelling van de raadsvrouw dat het erop lijkt alsof verdachte er in is geluisd, bevinden zich naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800308-10

Uitspraakdatum: 21 juni 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 juni 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] (Verenigde Staten),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 8.734,7 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, te weten een vliegticket en een geldbedrag, verbeurd te verklaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Verdachte is op 7 maart 2010 met een vlucht vanuit Guayaquil in Ecuador op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangekomen. Door de douane is op deze vlucht een verscherpte controle uitgevoerd. Het in dat kader gevoerde selectiegesprek met verdachte had tot gevolg dat hij voor verdere controle naar een visitatieruimte werd overgebracht. Daar werd de zwarte rugtas die verdachte als handbagage bij zich had, gecontroleerd. Behalve kleding bleken daarin diverse vierkante pakketten te zitten. Nadat met een fretboortje in één van de pakketten een opening werd gemaakt, bleef er een witte stof aan het boortje zitten. Deze stof testte op de MMC cocaïnetest positief. Nader onderzoek aan de rugtas heeft uitgewezen dat er twee broeken, een aantal onderbroeken, drie shirts, een handdoek, een tafelkleed en elf pakketten in zaten. In alle pakketten is een witkleurige stof aangetroffen, waarvan het nettogewicht in totaal 8734,7 gram is. Door het Douane Laboratorium is vervolgens vastgesteld dat het materiaal van alle elf monsters cocaïne bevat.

Verdachte heeft ontkend te hebben geweten dat deze pakketen zich in zijn tas bevonden.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het hem ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe aangevoerd dat de bagage van verdachte bij de tussenstops in Quito en Bonaire onbeheerd in het vliegtuig is achtergebleven en dat anderen aldus de gelegenheid hebben gehad de cocaïne in de tas van verdachte te stoppen.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij tot voor kort in de Verenigde Staten woonde en dat zijn vader in Ecuador woont. Omdat zijn vader hartproblemen heeft, is hij op 12 september 2009 naar Ecuador gereisd om zijn vader te helpen met diens bedrijf. Daarmee verdiende hij 8 tot 10 dollar per dag, maar soms nam hij geen geld aan van zijn vader. Verdachte zou voor drie maanden in Ecuador blijven, maar omdat het erg slecht ging met zijn vader is hij een maand langer gebleven. Voordat hij naar Ecuador ging, heeft verdachte zijn werk en huis in de Verenigde Staten opgezegd en zijn auto verkocht. Verdachte ontvangt geen uitkering en verdiende bij zijn voormalige werkgever in de Verenigde Staten 12 dollar per uur en werkte dan 8 tot 9 uur per dag op 5 of 6 dagen in de week. Verder heeft verdachte verklaard dat hij weinig spaargeld bezit en dat hij zijn bankrekening heeft stopgezet. Over de reis die verdachte maakte heeft hij verklaard dat hij naar Parijs door zou reizen, omdat een vriendin die hij kent vanuit New York hem vertelde dat zij in Parijs zou zijn en omdat hij Parijs nog nooit had gezien en hij Parijs graag wilde bezoeken. Het plan om naar Parijs te gaan heeft verdachte een week nadat het weer beter ging met zijn vader gemaakt. Verdachte wilde er even tussenuit. Een hotel in Parijs had hij nog niet geregeld. Voor vertrek heeft verdachte zijn vader om € 2.000,- gevraagd. Zijn vader wilde hem dit niet cash geven en zou dit later op zijn rekening storten. Voor vertrek heeft verdachte € 400,- van zijn vader gekregen. Ook kon verdachte wel geld van zijn moeder lenen. Het ticket, dat € 1.200,- euro kostte, heeft verdachte niet zelf betaald. Zijn vader heeft gezorgd dat een administratief medewerker zijn ticket ging kopen en betalen. Volgens verdachte betaalt zijn vader voor al zijn reizen. Verdachte heeft ook verklaard dat hij bij aankomst op Schiphol € 350,- en $ 30,- bij zich had en dat dit het geld was dat hij had gekregen van zijn vader. Verdachte had niet veel kleding bij zich, omdat hij in Parijs kleding van het merk Dolce Gabana wilde kopen.

Voorts heeft verdachte verklaard dat bij aankomst op Schiphol wel merkte dat zijn tas iets zwaarder was dan toen hij zijn tas in het vliegtuig stopte, maar dat hij daar geen aandacht aan heeft besteed omdat hij erg nodig moest plassen. Bij de douanecontrole bleek dat drie spijkerbroeken en zijn jas in zijn tas ontbraken. Volgens verdachte zijn hij en zijn bagage bij vertrek vanaf Guayaquil in verband met een drugscontrole grondig onderzocht. Bij zowel de tussenstop in Quito als Bonaire werd tegen de passagiers gezegd de bagage in het vliegtuig te laten en alleen van boord te gaan met een paspoort en instapkaart. Tijdens die stops heeft hij geen zicht op zijn bagage gehad. Het was niet verplicht het vliegtuig te verlaten, dus het is mogelijk dat iemand in het vliegtuig bleef zitten en de pakketten in zijn tas heeft gestopt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bij aankomst op Schiphol drie spijkerbroeken en een trui miste. Bij het verlaten van het vliegtuig merkte hij dat zijn bagage zwaarder was, maar hij heeft zijn tas toen niet gecontroleerd vanwege de drukte in het vliegtuig en het feit dat hij zijn volgende vlucht wilde halen. Over het vliegticket heeft verdachte verklaard dat deze gekocht is door een vriend van zijn vader, zodat verdachte geen zeggenschap had over de te vliegen route. Sommige mensen zijn zijn vader geld verschuldigd en daarom doen zij hem soms een gunst, zoals nu het ticket voor verdachte is gekocht. Verdachte kent deze vriend niet, hij heeft geen contacten met de vrienden van zijn vader. Geconfronteerd met het feit dat verdachte eerder verklaarde dat het ticket door een administratief medewerker van zijn vader is gekocht, heeft verdachte verklaard dat hij niet weet wie het geregeld heeft, maar dat iemand van de transportmaatschappij van zijn vader dat gedaan heeft. Dit is zowel een werknemer als een vriend van zijn vader. Verdachte wist alleen dat hij naar Parijs zou vliegen en aldaar bij wijze van verrassing een vriendin zou bezoeken. Over het geld dat zijn vader na aankomst in Parijs zou overmaken, heeft verdachte aangegeven dat hij nimmer heeft gezegd dat dit op zijn bankrekening zou worden gestort, maar dat het geld via Western Union naar hem zou worden overgemaakt. Met betrekking tot zijn verblijf in Ecuador heeft verdachte verklaard dat hij als Amerikaans staatsburger vier maanden in dat land mag verblijven en dat hij slechts enkele dagen langer dan die vier maanden daar is geweest. Over een stempel van Ecuador in zijn paspoort van 5 maart 2010 kan verdachte niet verklaren. Tot slot heeft verdachte nog verklaard dat hij alleen reisde en met geen van de passagiers aan boord van het vliegtuig heeft gesproken over zijn reisroute en zijn eindbestemming.

De rechtbank acht de door verdachte ter terechtzitting en tijdens het voorbereidend onderzoek gegeven lezingen van de gebeurtenissen hoogst onwaarschijnlijk en volstrekt ongeloofwaardig. Die - op onderdelen niet consistente - verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook afgelegd om te bemantelen dat hij wist of moest weten dat hij was betrokken bij een cocaïnetransport. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zijn leven in de Verenigde Staten heeft opgezegd om zijn zieke vader drie maanden in diens bedrijf te helpen. Verdachte is echter veel langer in Ecuador verbleven dan hij heeft verklaard. Indien hij Ecuador niet tussentijds verlaten heeft, is hij gedurende ongeveer zes maanden in dat land verbleven. Dit is meer dan slechts enkele dagen langer dan volgens verdachte voor hem was toegestaan. Verder strookt het – lage – inkomen dat verdachte in de Verenigde Staten en in Ecuador verdiende, in combinatie met het feit dat hij geen spaargeld heeft, niet met de dure reis die verdachte naar Parijs maakte en zijn voornemen om aldaar dure merkkleding te kopen. Verdachte is geheel onvoorbereid op reis gegaan, zonder een hotel in Parijs te boeken en de gestelde vriendin die verdachte daar zou bezoeken lijkt niet van zijn komst op de hoogte te zijn geweest. Daarnaast heeft verdachte geen warme kleding bij zich, hetgeen toch zeker nodig is om Parijs in maart te bezoeken. Over de wijze waarop het ticket voor verdachte zou zijn gekocht heeft hij wisselende verklaringen afgelegd, evenals over het geld dat door zijn vader zou worden overgemaakt. Bovendien acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat een ander de drugs in de koffer van verdachte zou hebben gestopt, nu verdachte verklaard heeft dat niemand op de hoogte was van zijn eindbestemming en het voorts onaannemelijk is dat een drugsorganisatie verdovende middelen in de handbagage van een totaal onwetende burger stopt.

Gelet op het vorenoverwogene, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de zich in zijn bagage bevindende cocaïne opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Dat, zoals de raadsvrouw heeft bepleit, het in theorie mogelijk is geweest dat een derde de cocaïne tijdens de tussenstops in de bagage van verdachte heeft gedaan, doet aan het voorgaande niet af.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 7 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 8.734,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het fei

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1 De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 8734,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De officier van justitie heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 45 maanden gevorderd. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, hoewel deze eis in overeenstemming is met de richtlijn, aan verdachte een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd nu het erop lijkt dat verdachte er is ingeluisd.

De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd, en zij ziet, anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om daarvan af te wijken. Voor het oordeel dat verdachte ‘er is ingeluisd’, bevinden zich geen aanknopingspunten in het dossier.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank derhalve van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven vliegticket dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat ticket, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

Voorts is de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggeven geld, te weten € 350,- en $ 30, dient te worden verbeurd verklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Het kan niet anders dan dat het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag, mede gelet op de hoogte daarvan, aan die invoer dienstbaar is gemaakt in die zin, dat moet worden aangenomen dat het bewezen verklaarde feit met behulp van dat geld is begaan of voorbereid.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 45 (vijfenveertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 1.00 STK Vliegticket, KLM electronis, 074-3820415387;

- Geld Euro, 7x50= 350 euro (ibg 07/03/10);

- Geld buitenlands, 3x10 usdollars= US$30,-- (ibg 07/03/10).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.Th. Goossens, voorzitter,

mrs. T.A.M. Tijhuis en G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M. ten Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2010.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.