Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9809

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
15-800310-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

PROMIS; drugsinvoer; Schiphol;

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna 20 kilo cocaine. Het reisverhaal van verdachte acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Veroordeling tot zestig maanden gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800310-10

Uitspraakdatum: 21 juni 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 juni 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] (Mexico),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Almere.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19.898,6 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de onder verdachte in beslag genomen rugzakken te onttrekken aan het verkeer en de overige onder verdachte in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Verdachte is op 7 maart 2010 met een vlucht vanuit Mexico op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangekomen. In een groene rolkoffer waaraan een bagagelabel op naam van verdachte hangt, worden drie rugzakken aangetroffen. In de rugzakken bevinden zich diverse pakketten waarin een witte stof zit. Het totaal nettogewicht van deze stof bedraagt 19.898,6 gram. Door het Douane Laboratorium is vervolgens vastgesteld dat het materiaal cocaïne bevat.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de koffer waarin de cocaïne is aangetroffen niet de koffer van verdachte is. Verdachte heeft naar zijn zeggen de kleinere koffer die op een foto in zijn mobiele telefoon staat afgebeeld en die volgens het bagagelabel op naam van verdachte acht kilo woog, ingecheckt. Van de zogenaamde ‘airbag-methode’ kan volgens de raadsvrouw geen sprake zijn, nu het aan de koffer met cocaïne bevestigde bagagelabel niet gaaf was en niet meer plakte. Daarnaast heeft verdachte een aannemelijk reisverhaal. Dat verdachte op bepaalde vragen geen antwoord kon of wilde geven hangt samen met het feit dat hij erg moe en in de war was en hij de tolk regelmatig onvoldoende begreep. Dat verdachte niet vanaf het eerste moment een eenduidig en rechtlijnig verhaal heeft verteld, betekent juist dat verdachte naar waarheid heeft verklaard. Derhalve kan, aldus nog steeds de raadsvrouw, niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk cocaïne binnen Nederland heeft gebracht.

Anders dan de verdediging komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wist dat er cocaïne in een op zijn naam gestelde koffer zat en dat zijn bagage derhalve cocaïne bevatte. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank stelt voorop dat zij het onaannemelijk acht dat een drugsorganisatie een koffer met een dergelijk grote hoeveelheid cocaine als hier aan de orde omwisselt met een koffer van een persoon, zonder dat deze persoon daar ook maar iets van af zou weten. Immers, zonder nadere afspraken te hebben gemaakt met deze persoon of anderszins zekerheid te hebben verkregen dat de cocaïne op de plaats van bestemming zou aankomen, zou de drugsorganisatie een – gezien de hoge (straat)waarde van cocaïne – onevenredig groot risico lopen dat de cocaïne buiten haar controle zou geraken.

Bij de beoordeling van het verweer van de verdediging komt het – in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – aan op de aannemelijkheid hiervan. In dat kader speelt met name de geloofwaardigheid van het reisverhaal van verdachte een rol.

Ten aanzien van verdachtes reisverhaal is het volgende van belang. Verdachte heeft bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat de reden van zijn reis gelegen was in het feit dat hij gedurende een week Frankrijk ging leren kennen. Verdachte zou eerst op reis gaan om te kijken of het leuk is, zodat hij deze reis daarna eventueel met zijn familie zou kunnen maken. Het plan om naar Frankrijk te reizen zou in november, december 2009 bij verdachte zijn ontstaan. Omdat hij bezig was met het (ver)bouwen van zijn huis, is de reis uitgesteld. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de reis in eerste instantie samen met zijn vrouw zou maken en dat zij drie jaar geleden al zijn begonnen met het plannen. In oktober of november 2009 besloten zij naar Parijs te reizen. Omdat echter zijn schoonvader op 12 maart 2009 was overleden en zijn vrouw wegens een voor haar vader op diens eerste sterfdag te houden herdenkingsmis niet met hem mee kon reizen, hebben zijn vrouw en hij besloten dat verdachte alleen op reis zou gaan om te kijken of het leuk was in Frankrijk.

Bij de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte geen antwoord willen geven op vragen over de (wijze van) aanschaf van het vliegticket. Ter terechtzitting heeft verdachte daarover verklaard dat het ticket zes maanden na oktober, november 2009 is aangeschaft. Het ticket is door verdachte zelf betaald, maar door een persoon in Mexico, van wie verdachte alleen zijn bijnaam kent en wie verdachte via zijn werk zou kennen, gekocht. Deze persoon kon het ticket goedkoper aanschaffen. Verdachte heeft deze persoon daarom zo’n zes tot zeven maanden geleden geld gegeven om één vliegticket te kopen. Verdachte heeft de reis ondanks de herdenkingsmis voor zijn schoonvader niet uitgesteld, omdat het vliegticket al betaald en uitgeschreven was. Bovendien bepaalde de persoon die het vliegticket kocht volgens verdachte wanneer de reis zou plaatsvinden.

Voorts weet verdachte niet de naam van de stad die hij als eerste zal bezoeken, en daarmee ook de eindbestemming van zijn vlucht, te vertellen, weet hij niet welke taal men in Frankrijk spreekt en heeft hij nog geen hotel geboekt. Wel heeft verdachte een kaartje van een hotel gekregen van een vriend, wiens naam hij zich bij de Koninklijke Marechaussee niet kan herinneren. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze vriend dezelfde man is als degene die het vliegticket voor hem heeft gekocht. Over de door hem ingecheckte bagage heeft verdachte verklaard dat in die koffer zeven flessen limonadesiroop (agua de sabor), zijn lievelingsdrank, zouden zitten. Dit nam hij mee op reis omdat hij niet wist of deze drank ook in Frankrijk te koop zou zijn. Een jas had verdachte niet bij zich, maar zou hij in Frankrijk aanschaffen.

De rechtbank acht, mede in het licht van de vele tegenstrijdigheden, het reisverhaal van verdachte volstrekt ongeloofwaardig. Daardoor is niet aannemelijk geworden dat verdachte, kort gezegd, het slachtoffer is geworden van listig handelen van een drugsorganisatie.

Dat verdachte, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, in het voorbereidend onderzoek de tolk niet steeds goed heeft begrepen is niet aannemelijk. Bij dit onderzoek zijn telkens ervaren tolken ingezet en voorts heeft verdachte ook op simpele vragen geen eenduidig antwoord gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen die verdachte heeft afgelegd dan ook bedoeld om te bemantelen dat hij wist dat hij was betrokken bij een cocaïnetransport.

Ditzelfde geldt voor de foto waarop verdachte op de luchthaven staat afgebeeld met twee koffers. Volgens verdachte is één van die koffers door hem ingecheckt en vervolgens kennelijk verwisseld met de koffer waarin cocaïne is aangetroffen.

Met betrekking tot die foto heeft verdachte bij de Koninklijke Marechaussee verklaard dat deze door zijn oom is genomen omdat hij afscheid nam van zijn familie. Ter terechtzitting heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de foto door zijn vrouw is genomen. Geconfronteerd met zijn eerdere verklaring, heeft verdachte vervolgens aangegeven dat zijn vrouw en oom de foto gezamenlijk hebben genomen. Bij de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte voorts verklaard dat de foto niet met een camera is genomen, omdat zijn vrouw die bij zich had en zij later zou komen. Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij de camera in zijn koffer had zitten. De foto zou zijn gemaakt ter afscheid en om te bewaren. Ook was de foto gemaakt omdat verdachtes oom het grappig vond hoe verdachte gekleed ging, aangezien hij normaal gesproken in overhemd en nette broek gekleed gaat. Geconfronteerd met het feit dat verdachte op de foto een overhemd en nette broek draagt, heeft verdachte verklaard dat hij normaal een spijkerbroek en overhemd draagt.

Gelet op de wisselende verklaringen die verdachte over de foto en de toedracht daarvan heeft afgelegd, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de reden van het nemen van de foto is gelegen in het feit dat verdachte bij een eventuele aanhouding deze foto zou kunnen tonen om daarmee zijn onschuld te bewijzen, zoals verdachte ook inderdaad heeft gedaan.

Gelet op het vorenoverwogene, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzet had op de invoer van cocaïne.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 7 maart 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19.898,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1 De hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 19.898,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De officier van justitie heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de eis van de officier van justitie in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank dan ook van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2 Verbeurdverklaring

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven slot en label dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren is begaan dan wel voorbereid.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld, te weten € 1.860,- , dient te worden verbeurd verklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Het kan niet anders dan dat het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag, mede gelet op de hoogte daarvan in het licht van het (uit zijn verklaring blijkende) inkomen en uitgaven van verdachte, door middel van het strafbare feit is verkregen dan wel tot het begaan van het misdrijf is bestemd.

7.3 Onttrekking aan het verkeer

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen koffer en rugzakken dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan. De cocaïne is immers in deze rugzakken en koffer vervoerd. Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is – nu de geur van de cocaïne er mogelijk nog aan zit – in strijd met het algemeen belang.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36c van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslagbeslissingen.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. T.A.M. Tijhuis, voorzitter,

mrs. M.Th. Goossens en G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. E.M. ten Bos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 juni 2010.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.