Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9782

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
15/740842-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk leugenachtige verklaring verdachte. Poging tot moord. Opzet en voorbedachte rade. Geen noodweersituatie: verwerping noodweer(exces).

"Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat zijn daad kennelijk het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat hij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd had zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het opzet op de dood van aangever ligt besloten in de aard van de gedraging, te weten het met een vuurwapen met een kaliber van .22 van dichtbij op het onderlichaam van aangever schieten. Daarmee heeft verdachte - minst genomen - welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het schot de dood van aangever tot gevolg zou hebben.

Daarbij betrekt de rechtbank in haar oordeel dat die kans aanmerkelijk was, omdat de buikholte een deel van het lichaam is, waarin schietverwondingen gemakkelijk potentieel dodelijk letsel kunnen veroorzaken. Daaraan doet niet af dat adequaat en snel medisch ingrijpen veelal het intreden van de dood kan voorkomen. (..)

De rechtbank stelt vast dat verdachte doelbewust meerdere malen, gewapend met een pistool de confrontatie heeft opgezocht met aangever, laatstelijk zelfs op het moment dat deze zich al in zijn woning bevond. Op het moment dat aangever werd neergeschoten was er tussen hem en verdachte een afstand van ongeveer 5 meter gelegen. De rechtbank is van oordeel dat er in deze situatie niet gesproken kan worden van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever, op grond waarvan er voor verdachte noodzaak tot verdediging bestond. Integendeel was het juist verdachte die de confrontatie heeft opgezocht ruim twee minuten na de vechtpartij, terwijl hij alle gelegenheid heeft gehad zich te distantiëren. Daarenboven is op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat aangever een beweging zou hebben gemaakt dat hij een vuurwapen zou trekken."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740842-09

Uitspraakdatum: 6 mei 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 april 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- een vuurwapen in zijn hand(en) heeft gepakt en/of

- dat vuurwapen heeft gericht op het lichaam van die [het slachtoffer] en/of

- (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, de trekker heeft overgehaald

(terwijl het vuurwapen was gericht op het lichaam van die [het slachtoffer]) en/of

- (vervolgens) dat vuurwapen heeft doorgeladen en/of

- (vervolgens) eenmaal met dat vuurwapen op het lichaam van die [het slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot zeven (7) jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden(1)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op zondag 27 september 2009 in de avonduren stelt de politie naar aanleiding van een ontvangen melding van een vechtpartij op [straatnaam] te Zaandam, in de gemeente Zaanstad, waarbij ook geschoten zou zijn, een onderzoek in. Ter plaatse gekomen hoort een verbalisant dat een man zojuist iemand met een schotverwonding naar het ziekenhuis had gebracht. Naast de deurmat van perceel [adres] wordt een koperkleurige patroonhuls van vermoedelijk kaliber .22 aangetroffen(2). Ter plaatse worden drie personen aangehouden: [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], welke personen niet de schutter blijken te zijn(3). Eveneens ter plaatse meldt zich een getuige, [getuige 4], die verklaart het slachtoffer met een schotwond naar het ziekenhuis te hebben gebracht(4). Het slachtoffer blijkt te zijn genaamd [het slachtoffer] en wordt, nadat de kogel poliklinisch uit zijn lichaam is verwijderd, in het ziekenhuis als getuige gehoord. Hij verklaart door een negroïde man met rastahaar die ‘[bijnaam]’ wordt genoemd te zijn beschoten, nadat deze persoon hem eerder had bedreigd met het vuurwapen. De kogel die in het lichaam van het slachtoffer werd aangetroffen, wordt ter plaatse in beslag genomen(5). Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat de kogel door de rechter lever en de rechter nier heen is gegaan en is blijven steken in de rugmusculatuur naast de wervelkolom(6). Op basis van het beschreven signalement en de bijnaam ‘[bijnaam]’ wordt de schutter door een verbalisant geïdentificeerd als de hem ambtshalve bekende [verdachte], zijnde verdachte(7). Het slachtoffer herkent verdachte op basis van een hem getoonde politiefoto als de schutter door hem genoemd ‘[bijnaam]’(8). Op 19 oktober 2009 meldt de tot dan toe gezochte verdachte zich op het politiebureau, waarna hij zich eerst beroept op zijn zwijgrecht(9).

Het slachtoffer, [het slachtoffer], hierna te noemen aangever, doet aangifte en verklaart dat er tussen hem en verdachte die avond een gevecht was ontstaan, in het bijzijn van [getuige 4] en ‘[bijnaam getuige 6]’. Nadat zij uit elkaar waren gehaald, gaat verdachte naar de woning van [getuige 1] en komt, na kort binnen te zijn geweest, weer naar aangever toelopen en richt een pistool op het hoofd van aangever. Vervolgens loopt verdachte weg richting zijn eigen woning. Aangever, gaat zijn eigen woning binnen. Kort daarna wordt er tegen zijn deur getrapt. Wanneer aangever open doet ziet hij verdachte staan, die weer het pistool op hem richt, vervolgens het pistool naar beneden richt en een beweging maakt om het pistool door te laden. Verdachte richt het pistool weer op aangever en schiet hem in zijn buik(10).

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard aangever te hebben bedreigd met een vuurwapen, weg te zijn gelopen en terug te zijn gekomen, tegen de gesloten deur van de woning van aangever te hebben getrapt teneinde hem naar buiten te laten komen en met een vuurwapen op aangever te hebben geschoten, terwijl verdachte niet wist of het wapen geladen was. Verdachte heeft voorts verklaard geen kennis of ervaring met wapens te hebben en het wapen van [getuige 1] in diens woning aangereikt te hebben gekregen, hoewel verdachte daar eigenlijk op zoek was naar een dweilstok. Verdachte heeft ook verklaard het wapen nooit eerder te hebben gezien en ook nooit eerder een wapen in bezit te hebben gehad.

[Getuige 4] verklaart dat hij verdachte, voordat deze gericht op aangever schiet, het pistool ziet doorladen(11). [Getuige 2] verklaart bij zijn verhoren op 28 september 2009 dat hij verdachte in de woning van [getuige 1] het pistool heeft zien laden. Nadat verdachte tegen de deur van de woning van aangever had geschopt, zou hij hebben gezegd: “Ik schiet hem”. Hij ziet aangever de deur opendoen. Vervolgens richt verdachte het pistool op aangever, ook als deze een stap opzij doet, en schiet dan van een afstand van ongeveer vijf meter. Voorts verklaart [getuige 2] dat het hem bekend is dat verdachte een pistool heeft. Ook heeft verdachte dit pistool wel eens aan hem laten zien in de woning van [getuige 1](12). In een later verhoor op 5 november 2009 heeft [getuige 2] verklaard “dingen te hebben verzonnen”, zonder daarbij aan te duiden welke dingen en waarom hij zijn verklaring herziet(13). In onderlinge samenhang met de overige verklaringen ter zake, heeft de rechtbank – en anders dan van de zijde van de verdachte is betoogd - geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen [getuige 2] kort na het incident heeft verklaard,.

[Getuige 1] verklaart dat verdachte aangever van kleine afstand neerschiet. Voorts verklaart hij dat hij zowel bij verdachte thuis als in zijn eigen woning deze met een pistool heeft gezien en dat verdachte het wapen op enig moment in de bank van aangever had verstopt. Hij ziet verdachte voordat deze schiet het pistool naar de grond richten, de slede van het pistool naar achteren halen en vervolgens op aangever richten en ziet dat deze in zijn buik is geraakt(14). [Getuige 6] verklaart dat hij in de zomer van 2009 door verdachte met een pistool is bedreigd. Verdachte zou het pistool hebben geladen en hebben gericht. Een melding van deze bedreiging, gepleegd op 21 juni 2009 ter hoogte van het [adres] te Zaandam, blijkt in het politieregistratiesysteem op 22 juni 2009 te zijn opgenomen en te zijn gedaan door een persoon genaamd [naam persoon] en in het bijzijn gedaan van voornoemde [getuige 6](15).

Overweging ten aanzien van het vuurwapen:

Gezien bovenstaande verklaringen beschouwt de rechtbank de verklaring van verdachte, waarin hij stelt nooit eerder een vuurwapen in bezit te hebben gehad als kennelijk leugenachtig en afgelegd om de waarheid te bemantelen, namelijk dat verdachte al langer over een pistool beschikte en dat hij doelbewust dat pistool is gaan halen in de woning van [getuige 1], dat pistool heeft doorgeladen en, in de wetenschap dat het pistool vuurklaar was, gericht heeft afgedrukt richting het lichaam van aangever.

Tijdsverloop van het incident:

Op beveiligingscamerabeelden van het wooncomplex aan [straatnaam] in Zaandam is waargenomen dat om 21.50 uur en 54 seconden twee manspersonen bij de brievenbussen in gevecht raken en om 21.51 uur en 7 seconden door twee andere manspersonen worden gescheiden. Een manspersoon rent daarop de woning van [getuige 1] binnen en komt om 21.51 uur en 13 seconden naar buiten gelopen. Op de camerabeelden is te zien dat dan ook een vijfde persoon zich bij de groep gevoegd heeft.(16)

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met aangever bij de brievenbussen in gevecht was gekomen en dat daarbij [getuige 4] en ‘[bijnaam getuige 6]’ ([getuige 5]) aanwezig waren. Voorts heeft verdachte bevestigd de woning van [getuige 1] binnen te zijn gelopen en met een pistool naar buiten te zijn gekomen.

Om 21.51 uur en 58 seconden rent een manspersoon weg. Om 21.52 uur en 1 seconde is deze persoon aan zijn rastahaar te herkennen als verdachte. Te zien is dat verdachte de trap op rent, halverwege stopt en weer naar beneden rent. Hij lijkt hierbij iets in zijn broekband te stoppen. Hij loopt weer naar de plek waar de vechtpartij plaats heeft gevonden. Ondertussen is te zien dat verdachte zijn lange haar met beide handen bij elkaar bindt. Om 21.52 uur en 30 seconden is te zien dat verdachte samen met de vijfde manspersoon, vermoedelijk [getuige 2], kort stil staat en vervolgens door loopt in de richting van de woning van aangever, waarna zij uit beeld raken. Om 21.53 uur en 3 seconden loopt een onbekend gebleven vrouw het beeld in, die kijkt in de richting van de eerdere vechtpartij. Om 21.53 uur en 12 seconden is bij haar een schrikreactie waar te nemen. Om 21.53 uur en 17 seconden rent verdachte het beeld in en verlaat het wooncomplex via het parkeerterrein(17).

Ter terechtzitting verklaart verdachte dat hij eerst aangever heeft bedreigd met het vuurwapen, door er mee te zwaaien en op hem te richten, en daarna is weggelopen. Tijdens het oplopen van de trap naar zijn woning zou hij het wapen in zijn vestzak hebben gestopt. Voorts verklaart hij niet naar zijn woning te zijn gegaan, en te zijn omgedraaid, omdat hij “wel eens wilde horen waarom hij zo werd behandeld” door aangever. Verdachte heeft zijn haren samengebonden omdat hij lange ‘dreads’ had en er bloed op zijn gezicht zat. Ook verklaart verdachte na te hebben geschoten direct te zijn weggerend, waarbij hij in zijn vlucht het wapen heeft willen achterlaten bij [getuige 1] en [getuige 2], die dat weigerden aan te nemen.

Op grond van deze bevindingen stelt de rechtbank vast dat er een tijdspanne van ongeveer 2 minuten en 5 seconden gelegen tussen het moment waarop verdachte van aangever met wie hij in gevecht was is gescheiden en het moment waarop hij op aangever heeft geschoten.

Opzet en voorbedachte rade

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar op aangever heeft geschoten, maar niet wist dat het pistool doorgeladen was. De rechtbank heeft -zoals reeds overwogen- geoordeeld dat deze verklaring is afgelegd ter bemanteling van de waarheid, te weten dat verdachte doelbewust het pistool is gaan halen, dit heeft doorgeladen en van korte afstand richting het lichaam van aangever heeft afgevuurd. Tussen het gevecht met aangever en het moment dat verdachte op hem schiet is – zoals hiervoor vastgesteld - een tijdspanne gelegen van ongeveer 2 minuten en 5 seconden. In deze periode heeft verdachte een pistool gehaald, daarmee gedreigd, is hij nogmaals weggelopen, teruggekomen, heeft hij zijn haar vastgeknoopt, tegen de gesloten deur van de woning van aangever aangetrapt om hem naar buiten te laten komen, en toen deze daar gehoor aan gaf, na zijn pistool te hebben doorgeladen, in zijn buik geschoten.

Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte niet in een opwelling heeft gehandeld, maar dat zijn daad kennelijk het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren genomen besluit en dat hij in het tijdsverloop tussen het besluit en de uitvoering daarvan tijd had zich te beraden over het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het opzet op de dood van aangever ligt besloten in de aard van de gedraging, te weten het met een vuurwapen met een kaliber van .22 van dichtbij op het onderlichaam van aangever schieten. Daarmee heeft verdachte - minst genomen - welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het schot de dood van aangever tot gevolg zou hebben.

Daarbij betrekt de rechtbank in haar oordeel dat die kans aanmerkelijk was, omdat de buikholte een deel van het lichaam is, waarin schietverwondingen gemakkelijk potentieel dodelijk letsel kunnen veroorzaken. Daaraan doet niet af dat adequaat en snel medisch ingrijpen veelal het intreden van de dood kan voorkomen.

4.2 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 27 september 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- een vuurwapen in zijn hand heeft gepakt en

- dat vuurwapen heeft gericht op het lichaam van die [het slachtoffer] en

- vervolgens dat vuurwapen heeft doorgeladen en

- vervolgens eenmaal met dat vuurwapen op het lichaam van die [het slachtoffer] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

De raadsman heeft betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat toen aangever zijn woning uit kwam, nadat verdachte tegen de deur had geschopt, deze op hem af kwam en een gebaar maakte alsof hij een vuurwapen zou trekken. Verdachte heeft toen zijn pistool uit zijn zak gehaald en heeft op aangever geschoten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte doelbewust meerdere malen, gewapend met een pistool de confrontatie heeft opgezocht met aangever, laatstelijk zelfs op het moment dat deze zich al in zijn woning bevond. Op het moment dat aangever werd neergeschoten was er tussen hem en verdachte een afstand van ongeveer 5 meter gelegen. De rechtbank is van oordeel dat er in deze situatie niet gesproken kan worden van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever, op grond waarvan er voor verdachte noodzaak tot verdediging bestond. Integendeel was het juist verdachte die de confrontatie heeft opgezocht ruim twee minuten na de vechtpartij, terwijl hij alle gelegenheid heeft gehad zich te distantiëren. Daarenboven is op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat aangever een beweging zou hebben gemaakt dat hij een vuurwapen zou trekken..

Het bewezenverklaarde levert op: poging tot moord.

6. Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweerexces. Reeds vanwege het ontbreken van een noodweersituatie, zoals hiervoor onder 5. besproken, faalt dit verweer.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het Pro Justitia uitgebrachte psychologische rapport d.d. 8 april 2010 en het door de Reclassering, regio Alkmaar-Haarlem d.d. 22 oktober 2009 uitgebrachte rapport is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte die blijkens in het dossier aanwezige verklaringen reeds langere tijd over een vuurwapen beschikte, heeft met een geladen vuurwapen de confrontatie gezocht met aangever door tegen de deur van diens woning te trappen en toen deze naar buiten kwam zijn pistool door te laden en gericht op zijn lichaam te schieten. Hoewel het vast staat dat er kort daarvoor tussen beiden een vechtpartij plaats vond, heeft verdachte geen begrijpelijke verklaring gegeven waarom hij met een vuurwapen nadien nogmaals de confrontatie zocht. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij de onmin tussen hem en aangever, die al enkele jaren zou bestaan, heeft willen beslechten door laatstgenoemde in koelen bloede in zijn buik te schieten. Dat de dood van aangever niet is gevolgd, is te danken aan medisch ingrijpen en het feit dat de schotwond niet direct dodelijk was, hetgeen slechts gelukkig toeval is.

Met zijn handelen heeft verdachte ernstig letsel, pijn en angstgevoelens veroorzaakt bij aangever in het bijzonder, maar heeft hij ook bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving nu hij op de openbare weg en in het zicht van omstanders heeft getracht een ander van het leven te beroven.

De psycholoog heeft in zijn rapportage opgemerkt dat het onderzoek naar verdachte werd bemoeilijkt door het feit dat de getuigenverklaringen een beeld van verdachte oproepen dat erg verschilt van wat verdachte zelf verklaart. De psycholoog heeft daarbij hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht als uitgangspunt genomen. De rechtbank kan zich niet verenigen met hetgeen verdachte omtrent het tenlastegelegde naar voren heeft gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat, nu de psycholoog van een andere lezing uit is gegaan dan de rechtbank als bewezen heeft aangenomen, zij zich niet kan verenigen met de conclusie van het onderzoek, namelijk dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten is.

De rechtbank volgt het betoog van de raadsman de strafmaat vanwege genoemde verminderde toerekeningsvatbaarheid te matigen, gezien het bovenstaande, dan ook niet. Voor zover verdachtes cannabisgebruik die dag, naar zijn eigen zeggen 10 joints, een verzachtende omstandigheid zou opleveren, verwerpt de rechtbank dit betoog eveneens. Het is immers verdachte zelf geweest die zich door dit cannabisgebruik welbewust in een toestand heeft gebracht, waarin hij mogelijk de reikwijdte van zijn handelen niet volledig heeft kunnen overzien. Dit klemt des temeer , nu de rechtbank de door de psycholoog genoemde angstgevoelens slechts in verdachtes lezing van de feiten voorkomen.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging ten voordele van verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd en met de omstandigheid dat aangever zich ook enigszins provocerend heeft opgesteld.

De rechtbank merkt op, dat de officier van justitie bij een eis van 7 jaar gevangenisstraf – kennelijk – de ernst van de zaak anders waardeert dan de rechtbank.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 780,- ingediend tegen verdachte wegens materië¬le schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit medische kosten.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De vordering zal dan ook worden toegewezen.

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft eveneens een vordering tot schadevergoeding van

€ 5250,- ingediend tegen verdachte wegens immaterië¬le schade die hij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat ook deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade billijk voor.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoe¬dingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 6030,-.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 6030,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroor¬deelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuit¬voerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 6030,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2009, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 65 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Voetnoten:

(1) De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

(2) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2009 (pagina 34).

(3) Proces-verbaal van relaas d.d. 11 december 2009 (pagina 5).

(4) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2009 (pagina 37).

(5) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 oktober 2009 (pagina 48).

(6) Een medische verklaring van een arts d.d. 7 oktober 2009 (pagina 163).

(7) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 september 2009 (pagina 173).

(8) Proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 26 oktober 2009 (pagina 169).

(9) Proces-verbaal van relaas d.d. 11 december 2009 (pagina 26-27).

(10) Proces-verbaal van aangifte d.d. 28 september 2009 (pagina 119).

(11) Proces-verbaal van verhoor [getuige 4] d.d. 17 oktober 2009 (pagina 181).

(12) Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 28 september 2009 (pagina 198-203) en proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 28 september 2009 (pagina 204-205).

(13) Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 5 november 2009 (pagina 207-209).

(14) Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 28 september 2009 (pagina 210-212), proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 28 september 2009 (pagina 214 -216) en proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 29 september 2009 (pagina 217-219).

(15) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 oktober 2009 (pagina 391) en proces-verbaal van verhoor [getuige 6] d.d. 27 oktober 2009 (pagina 393).

(16) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2009 (pagina 230-231).

(17) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2009 (pagina 232-235).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mr. F.G. Hijink en mr A.J. Medze, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van Bree,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 mei 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.