Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9751

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
30-06-2010
Zaaknummer
09/962 en 09/963
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

enkelvoudige raadkamer; artikel 591a, derde lid, jo artikel 90 SV; artikel 496 Sv; minderjarige verdachte;

De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Haarlem wijst het verzoek strekkende tot toekenning aan verzoekers van een vergoeding ten laste van de Staat wegens de door hen als ouders van de gewezen minderjarige verdachte met betrekking tot de strafzaak gemaakte kosten af. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van kosten op de voet van artikel 591a, derde lid, Sv. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoekers niet zijn opgeroepen op grond van artikel 496, eerste lid, Sv. De strafzaak tegen hun minderjarige zoon is geëindigd zonder dat een terechtzitting heeft plaatsgevonden. De verzochte kosten, die zien op de fase van de voorlopige hechtenis, betreffen de periode voorafgaand aan een terechtzitting en komen derhalve niet op grond van artikel 591a, derde lid, Sv voor vergoeding in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 09/962 en 09/963

Parketnummer: 15/740860-08

Uitspraakdatum: 10 juni 2010

beschikking (art. 591a Sv.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 22 juni 2009 is ter griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een door mr. P.A. van der Waal, advocaat, ingediend verzoekschrift, gedateerd 19 juni 2009, van

[moeder], verzoekster,

geboren op 1 september 1963 te Metsala (Marokko),

en

[vader], verzoeker,

geboren op 7 maart 1964 te Imbaba (Egypte),

hierna te noemen verzoekers,

domicilie kiezende te (1019 HD)Amsterdam, Veembroederhof 111, ten kantore van mr. P.A. van der Waal, voornoemd.

Het verzoekschrift, ingediend op grond van artikel 591a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, strekt tot toekenning aan verzoekers van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 800,-, wegens de door hen als ouders van de gewezen minderjarige verdachte met betrekking tot de strafzaak met bovengenoemd parketnummer gemaakte kosten in verband met het reizen naar en het tijdverzuim vanwege aanwezigheid op het politiebureau, de jeugdinrichting en de rechtbank. Tevens strekt het verzoekschrift tot vergoeding van de kosten van een raadsman met betrekking tot de indiening en behandeling van het onderhavige verzoekschrift, te weten € 540,-.

Op 27 mei 2010 is dit verzoekschrift in het openbaar in raadkamer behandeld. Voor verzoekers is verschenen mr. P.A. van der Waal, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. F.A.C. Kooper-Gerritsen.

Van het verhandelde in raadkamer is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Beoordeling

De minderjarige zoon van verzoekers, [verdachte], is op 18 november 2008 in verzekering gesteld en in de loop van 4 december 2008 in vrijheid gesteld. De strafzaak tegen [verdachte] is geëindigd door een brief van de officier van justitie van 26 maart 2009 aan de gewezen verdachte waarin deze meedeelt dat de strafzaak is geseponeerd.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en mede door verzoekers ondertekend. Verzoekers kunnen derhalve worden ontvangen in hun verzoek.

Op de voet van het bepaalde in artikel 591a, derde lid, jo artikel 90 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) kunnen ouders van de gewezen minderjarige verdachte – indien de strafzaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht – in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te hunner laste gekomen reiskosten en kosten in verband met het tijdverzuim, voor zover zij zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid, Sv.

Artikel 496, eerste lid, Sv bepaalt dat de ouders (of de voogd) van de minderjarige verdachte tot bijwoning van de terechtzitting worden opgeroepen.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van kosten op de voet van artikel 591a, derde lid, Sv. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoekers niet zijn opgeroepen op grond van artikel 496, eerste lid, Sv. De strafzaak tegen hun minderjarige zoon is geëindigd zonder dat een terechtzitting heeft plaatsgevonden. De verzochte kosten, die zien op de fase van de voorlopige hechtenis, betreffen de periode voorafgaand aan een terechtzitting en komen derhalve niet op grond van artikel 591a, derde lid, Sv voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, in dit geval geen gronden aanwezig die de toekenning van een vergoeding rechtvaardigen. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

4. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J. Hobo, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2010.