Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9368

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-06-2010
Datum publicatie
28-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/2701
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster en haar dochtertje hebben uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000 en verzoekster heeft verzocht om opvang in het kader van de Wmo. Deze is geweigerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is onderzocht of het COA aan verzoekster opvang kan bieden. Zij draagt verweerder op naar deze voorliggende voorziening onderzoek te doen. Ook is de voorzieningenrechter van oordeel dat als er geen voorliggende voorziening is, verweerder verzoekster en haar gezin toe moet laten tot de maatschappelijke opvang. Als verweerder uitsluitend verzoeker opvangt in de daklozenopvang, waarbij haar kinderen in een pleeggezin moeten worden geplaatst, is er geen sprake van een adequate maatschappelijke opvang. Bovendien is dit in strijd met artikel 8 EVRM. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit en draagt verweerder op verzoekster en haar gezinsleden toe te laten tot de maatschappelijke opvang..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 2701 WMO

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juni 2010

in de zaak van:

[naam verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2010 heeft verweerder de op 7 april 2010 in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ingediende aanvraag van verzoekster gericht op het verkrijgen van maatschappelijk opvang voor haar en haar gezinsleden, afgewezen.

Verzoekster heeft bij brief van 1 juni 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van eveneens 1 juni 2010 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 juni 2010, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door K. Roos en A.L.P. Baro, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster verblijft samen met haar echtgenoot, [naam echtgenoot] en haar dochter [naam dochter 1] (geboren op [geboortedatum]) vanaf 11 juni 2005 in Nederland. Zij hebben allen de Surinaamse nationaliteit. Aanvankelijk had verzoekster in Nederland als verblijfsdoel: verblijf in verband met studie. Dit verblijfsdoel is om financiële redenen niet gerealiseerd. Op [datum] is verzoekster bevallen van een dochter: [naam dochter 2]. Deze dochter is te vroeg geboren en heeft ernstige gezondheidsproblemen.

2.2 Bij beschikking van 12 februari 2010 heeft de staatssecretaris van Justitie verzoekster en haar jongste dochter tot en met 12 augustus 2010 uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Hierdoor hebben zij rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8, onder j, Vw 2000.

2.3 Op 7 april 2010 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend gericht op verkrijging van maatschappelijke opvang voor haar en haar gezinsleden, omdat zij het huis waarin zij tijdelijk verblijven moesten gaan verlaten en dreigden dakloos te worden. Op 22 februari 2010, 9 maart 2010 en 31 mei 2010 heeft verzoekster zich telkens gewend tot de BredeCentraleToegang Kennemerland ter verkrijging van (crisis)opvang.

2.4 Verweerder heeft bij besluit van 6 juni 2010 afwijzend op de aanvraag van verzoekster beslist. Ter zitting heeft verweerder ermee ingestemd dat het bezwaar van 1 juni 2010 wordt geacht te zijn gericht tegen dit besluit. Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat de aanvraag van verzoekster een aanvraag om een individuele voorziening betreft, waarvoor haar verblijfstatus op grond van het bepaalde in artikel 8 Wmo niet toereikend is. De echtgenoot van verzoekster en het oudste kind hebben geen uitstel van vertrek, dus zij komen sowieso niet voor voorzieningen in aanmerking, aldus verweerder. Volgens verweerder zijn er bovendien twee voorliggende voorzieningen voor verzoekster: opvang door het COA en hulp van de Surinaamse ambassade. Verweerder is ook van mening dat geen sprake is van kennelijke hardheid, omdat verzoekster, de echtgenoot en het oudste kind al vanaf juni 2005 in Nederland verblijven en zij sindsdien de kans hadden hun problemen op te lossen. Voor zover verzoekster op grond van het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wmo voor opvang in aanmerking zou komen, beschikt verweerder niet over adequate voorzieningen voor dakloze gezinnen.. Het Pauzement is een opvang voor CIZ-geïndiceerden. Verzoekster kan wel gebruik maken van de daklozenopvang van het Leger des Heils. Als dit voor het jongste kind bezwaarlijk blijkt, zou zij in een pleeggezin kunnen worden opgenomen. Volgens verweerder is opvang van de jongste dochter in een pleeggezin niet strijdig met artikel 8 EVRM. In dit verband wijst verweerder op de uitspraak van de CRvB van 15 april 2010 (LJN: BM3583).

2.5 Verzoekster kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stelt dat verweerder de verantwoordelijkheid heeft voor maatschappelijke opvang van mensen die dakloos zijn of dat dreigen te worden. Uitsluiting van opvang op basis van verblijfsstatus en het scheiden van ouders en kinderen is volgens verzoekster in strijd met de artikelen 14 en 8 EVRM, het ESH, IVESCR en Kinderrechtenverdrag. In dit verband wijst verzoekster op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010. (LJN: BM0956). Uit de beschikking van de staatssecretaris van Justitie blijkt volgens verzoekster dat de uitzetting van al haar gezinsleden achterwege moet blijven. Er moet dus voor alle gezinsleden opvang komen. Ook stelt zij dat er geen sprake is van voorliggende voorzieningen omdat opvang door het COA geschiedt in een asielzoekerscentrum (AZC). Deze opvang is voor het jongste kind niet adequaat, vanwege infectiegevaar, omdat zij daar met veel anderen in een ruimte moet verblijven. Ook de Surinaamse ambassade kan geen adequate hulp bieden, nu Suriname niet over voldoende middelen beschikt. Volgens verzoekster is het medisch gezien noodzakelijk dat haar jongste dochter bij haar verblijft en niet, zoals door verweerder gesuggereerd, in een pleeggezin wordt geplaatst. Verweerder beschikt volgens verzoekster wel over passende en adequate opvang in de vorm van het Pauzement. Door verzoekster en haar gezin niet op te vangen, voldoet verweerder niet aan zijn zorgplicht ingevolge de Wmo, aldus verzoekster.

2.6 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.7 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.8 Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder c, Wmo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder maatschappelijke opvang: het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen die, door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wmo bepaalt dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: (……..)

7º. het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd.

Artikel 2 van de Wmo luidt: “Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat.”

Artikel 8 van de Wmo luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“1. Een vreemdeling kan voor het verlenen van een individuele voorziening of het verstrekken van een uitkering als bedoeld in artikel 19a slechts in aanmerking komen indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000.

2. In afwijking van het eerste lid kunnen in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te noemen gevallen, zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, bij of krachtens die maatregel aan te geven categorieën niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen, geheel of gedeeltelijk in aanmerking komen voor bij die maatregel aan te geven individuele voorzieningen of voor een uitkering als bedoeld in artikel 19a (……….).

3. In de in het tweede lid genoemde maatregel kan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor het verlenen van bij die maatregel aangewezen voorzieningen. ”

Blijkens de toelichting bij artikel 8 van de Wmo is het de bedoeling van dit artikel om duidelijk te maken dat de bepalingen van de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 van toepassing zijn op onder meer alle op het verlenen van individuele voorzieningen betrekking hebbende onderdelen van de verschillende in artikel 1, eerste lid, onder g, van de Wmo genoemde beleidsterreinen. Zonder geldige verblijfstitel in Nederland verblijvende vreemdelingen kunnen wat deze onderdelen betreft aan de Wmo in beginsel geen rechten ontlenen.

Ingevolge artikel 8 van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:

a. (…………….);

j. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan als bedoeld in artikel 64.

(…………….).

Artikel 64 van de Vw 2000 luidt als volgt:

“Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.”

Artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, geen aanspraak kan maken op toekenning van verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen bij wege van een beschikking van een bestuursorgaan. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op de bij de wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen ontheffingen en vergunningen.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Vw 2000 kan van het eerste lid worden afgeweken indien de aanspraak betrekking heeft op het onderwijs, de verlening van medisch noodzakelijke zorg, de voorkoming van inbreuken op de volksgezondheid of de rechtsbijstand aan de vreemdeling.

Artikel 11, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat de aanspraken van de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in overeenstemming zijn met de aard van het verblijf. Tenzij bij of krachtens het wettelijk voorschrift waarop de aanspraak is gegrond anders is bepaald, is daarbij het tweede lid van toepassing.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000 kan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, aanspraken maken op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen, indien hij:

a. (………..);

c. rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, onder i tot en met k, voor de aanspraken die uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend. Blijkens de wetsgeschiedenis hebben vreemdelingen die in procedure zijn over het verblijfrecht als hoofdregel geen aanspraak op voorzieningen met uitzondering van vreemdelingen aan wie een aanspraak wordt toegekend bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers dan wel een andere regeling.

2.9 De voorzieningenrechter stelt vast dat is verzocht om opvang op grond van de Wmo, omdat verzoekster en haar gezinsleden dakloos dreigen te worden. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 stelt de voorzieningenrechter vast dat daklozenopvang geen individuele voorziening is, zoals bedoeld in onder meer artikel 8 van de Wmo. Dit betekent dat verzoekster een aanvraag heeft ingediend om een andere dan een individuele voorziening. Nu in de Wmo geen aan artikel 8 van de Wmo gelijke bepaling met betrekking tot de verlening van andere dan individuele voorzieningen is opgenomen, vormen, zoals ook door de CRvB in de eerdergenoemde uitspraak van 19 april 2010 is bepaald, de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 het beoordelingskader.

2.10 Vaststaat dat verzoekster en haar jongste dochter op grond van artikel 8, aanhef en onder j, van de Vw 2000, rechtmatig in Nederland verblijven. Dit betekent dat zij ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c, aanspraak kunnen maken op voorzieningen, voor zover die aanspraken uitdrukkelijk aan deze vreemdelingen zijn toegekend. Nu aan verzoekster in de Wmo niet uitdrukkelijk een aanspraak tot opvang is toegekend, kan verzoekster op grond van het bepaalde in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 met haar jongste dochter geen aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijk opvang in de zin van de Wmo.

2.11 Verzoekster heeft tevens een beroep gedaan op diverse verdragsbepalingen. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB kunnen de bepalingen van het ESH, het IVESCR en het Kinderrechtenverdrag waarop verzoekster zich beroept niet een ieder verbinden als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. In genoemde verdragsbepalingen is sprake van algemeen omschreven sociale doelstellingen waaruit geen onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht in de vorm van een (afdwingbare) aanspraak op maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang valt te ontlenen.

2.12 Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM overweegt de voorzieningenrechter dat, zoals de CRvB meermalen heeft overwogen, voorop dient te worden gesteld dat het EHRM als “the very essence” van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen.

2.13 In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat verzoekster een vreemdeling is die op dit moment rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j van de Vw 2000. Bovendien komt uit de medische stukken genoegzaam naar voren dat de fysieke gezondheid van verzoeksters jongste kind substantieel wordt bedreigd wanneer zij verstoken blijft van (adequate) opvang. Verweerder heeft hier - bijvoorbeeld op basis van een medisch onderzoek door de GGD – geen andersluidend standpunt tegenover gesteld. Ter zitting heeft verzoekster voorts verklaard dat het in medisch opzicht voor haar jongste dochter van wezenlijk belang is dat zij (verzoekster) haar zelf verzorgt. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verzoeksters jongste dochter, gelet op haar huidige gezondheidstoestand, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Onder verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB van 19 april 2010 is de voorzieningenrechter van oordeel dat onder deze omstandigheden niet in redelijkheid kan worden volgehouden dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozenopvang voor gezinnen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoekster om wel toegelaten te worden.

2.14 Ten aanzien van de stelling van verweerder dat de echtgenoot van verzoekster en de oudste dochter geen recht hebben op opvang, omdat zij geen rechtmatig verblijf houden, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de beschikking van de staatssecretaris wordt geen beslissing genomen ten aanzien van de overige gezinsleden. Gelet op het beleid zoals dit is neergelegd in paragraaf 7.1 van hoofdstuk A4 van de Vreemdelingen Circulaire 2000 moet het er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor worden gehouden dat de overige gezinsleden ook onder het op artikel 64 Vw 2000 gebaseerde uitstel van vertrek vallen. In dit beleid wordt immers onder meer het volgende vermeld:

“Artikel 64 Vw bepaalt dat de uitzetting achterwege dient te blijven zolang het, gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of een van zijn gezinsleden, niet verantwoord is om te reizen. (…) In de situatie dat ten aanzien van een minderjarig kind sprake is van het achterwege laten van de uitzetting, worden als gezinsleden aangemerkt:

- de (stief/pleeg)ouders van het kind;

- de minderjarige (stief)broers en –zussen van het kind.”

Gelet op dit beleid kunnen ook de overige gezinsleden, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo.

2.15 In artikel 2 van de Wmo is evenwel bepaald dat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning bestaat, voor zover voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning een voorziening bestaat op grond van een andere wettelijke bepaling. Naar het zich nu laat aanzien, is er sprake van een voorliggende voorziening op grond van artikel 3 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva). In het derde lid van artikel 3 Rva is immers bepaald dat met de in het tweede lid bedoelde categorieën asielzoekers wordt gelijkgesteld de vreemdeling wiens uitzetting op grond van artikel 64 Vw 2000 achterwege blijft. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.14 is overwogen, zou deze voorziening ook voor de overige gezinsleden gelden. Ter zitting heeft verzoekster in dit verband aangevoerd dat een COA-opvangvoorziening in het kader van de Rva niet adequaat is, omdat in een dergelijk geval de opvang geschiedt in een asielzoekerscentrum (AZC) waar er veel mensen in één ruimte worden opgevangen. Ter onderbouwing verwijst zij naar de verklaring van de kinderarts-neonatoloog van de Onze lieve vrouwe gasthuis van 10 april 2010, waarin staat dat voor verzoeksters jongste kind een goede woonomgeving van groot belang is en dat een omgeving waar veel andere personen in dezelfde ruimte komen, vanwege het infectierisico niet is aan te raden.

2.16 De voorzieningenrechter stelt vast dat tot op heden niet is onderzocht of het COA passende en adequate opvang kan bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een woning. Het ligt op de weg van verweerder te onderzoeken of verzoekster en haar gezinsleden in aanmerking komen voor een Rva-voorziening en of deze voorziening voldoende is aangepast aan de medische situatie van verzoeksters jongste kind.

2.17 Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het feit dat verzoekster zich tot de Surinaamse ambassade kan wenden, eveneens moet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening. De voorzieningenrechter volgt verweerder hierin niet, omdat in artikel 2 Wmo melding wordt gemaakt van een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat hiermee worden bedoeld andere wettelijke bepalingen in de Nederlandse wetgeving. Dat verzoekster zich tot de Surinaamse ambassade kan wenden, berust dan ook niet op een andere wettelijke bepaling als bedoeld in artikel 2 Wmo.

2.18 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, indien komt vast te staan dat geen sprake is van een voorliggende voorziening, verweerder verzoekster en haar gezinsleden, in de gegeven omstandigheden, dient toe te laten tot de maatschappelijke opvang in de zin van artikel 1, eerste lid, onder c van de Wmo. Ten aanzien van de stelling van verweerder ter zitting dat hij niet in staat is aan die zorgplicht te voldoen voor zover deze betreft de opvang van dakloze gezinnen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 20, eerste lid, van de Wmo, is aan de daartoe aangewezen gemeenten een zorgtaak opgedragen om beleid te realiseren ter zake van vormen van maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, Wmo. Artikel 38, eerste lid, van de Wmo bepaalt immers dat na inwerkingtreding van artikel 20 van deze wet het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid op het eerste en tweede lid van dat artikel berust. Artikel 1, aanhef en onder b van dit Besluit bepaalt, dat (onder meer) de gemeente Haarlem onder de G31 valt. De enkele omstandigheid dat verweerder (nog) geen (daklozen)opvang heeft voor gezinnen, ontslaat hem dan ook niet van voormelde verplichting.

2.19 Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat alleen daklozenopvang aan verzoekster kan worden geboden, waarbij de kinderen in een pleeggezin worden geplaatst. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in die situatie geen sprake van een adequate maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, Wmo. Een dergelijke gang van zaken levert, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, strijd op met artikel 8 EVRM, waarop verzoekster zich heeft beroepen. Verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de CRvB van 15 april 2010 kan hem niet baten, reeds omdat in die zaak geen sprake was van ernstige medische problematiek bij de kinderen en voorts omdat sprake was van kinderen die reeds tijdelijk, met instemming van de moeder, in een pleeggezin verbleven, waarbij een feitelijke situatie was ontstaan waarin er dagelijks langdurig contact met de kinderen kon zijn.

2.20 Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat, gelet op de betrokken belangen, onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Onderzoek naar de vraag of verzoekster en haar gezinsleden in aanmerking komen voor een Rva-voorziening zal enige tijd vergen. In de tussentijd is de (huisvestings)situatie van verzoekster en haar gezinsleden nijpend. Om die reden zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening op de hierna te vermelden wijze toewijzen.

2.21 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Omdat ten behoeve van verzoekster een toevoeging is afgegeven op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moeten de proceskosten worden betaald aan de griffier van de rechtbank.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het bestreden besluit van 6 juni 2010 tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op te onderzoeken of verzoekster en haar gezinsleden in aanmerking komen voor een Rva-voorziening van het COA en of deze voorziening adequaat is gelet op de medische situatie van verzoeksters jongste kind;

3.4 draagt verweerder op om verzoekster en haar gezinsleden gezamenlijk, als gezin, toe te laten tot de maatschappelijke opvang tot zes weken na verzending van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;

3.5 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

3.6 gelast dat de gemeente Haarlem het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, voorzieningenrechter, en op

14 juni 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.