Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM8467

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
08-07-2010
Zaaknummer
07/7761
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verkrijgingsprijs van de - niet vrij verhandelbare - aandelen aannemelijk gemaakt door te verwijzen naar transacties tussen derden, opgestelde waarderingen en de inbreng van hetzelde aandelenpakket door twee "informal investors" in hun persoonljike houdstermaatschappij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1725
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/7761

Uitspraakdatum: 10 juni 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met dagtekening 29 december 2004 heeft verweerder aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen(hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van NLG 6.957.394 (hierna: de navorderingsaanslag). Gelijktijdig is bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van NLG 331.079, zijnde 25 percent van de op winst uit aanmerkelijk belang betrekking hebbende nagevorderde belasting. Tevens is een beschikking heffingsrente opgelegd ten bedrage van NLG 310.881.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2007 heeft verweerder de in de navorderingsaanslag begrepen belasting gehandhaafd en de vergrijpboete verlaagd naar NLG 250.000. Eiser heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij brief van 16 november 2007, aangevuld bij schrijven van 19 december 2007. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd. Eiser heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.4. Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2010 te Haarlem. Eiser is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Namens verweerder zijn verschenen mr. B en mr. C. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd aan de Rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft daarbij zonder bezwaar van de wederpartij twee bijlagen gevoegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In 1982 is opgericht D B.V., waarvan op 1 mei 1998 in verband met de in 2.11. vermelde beursgang de statuten zijn gewijzigd, waarbij onder meer de rechtsvorm en de naam zijn gewijzigd in E N.V. (hierna: E). E is actief op het terrein van de ontwikkeling en productie van pompjes en spuitbussen ten behoeve van de cosmetica-industrie. Sinds de oprichting heeft E grote investeringen gedaan in research en development. Door aanhoudende verliezen was het (eigen) vermogen van E in 1995 zodanig aangetast dat E zich op de rand van faillissement bevond. E had dringend behoefte aan additionele financiële middelen. De zittende aandeelhouders, waaronder een aantal participatiemaatschappijen, waren niet bereid nog financiële middelen te verstrekken. Eiser en een viertal andere “informal investors”, waaronder F (hierna: F) en mr. G (hierna: G), tezamen met management waren bereid voor NLG 3.000.000 nieuwe financiële middelen te verstrekken aan E in ruil voor 75% van de aandelen. Bij die gelegenheid verwierf eiser 16,5% van de aandelen E, zijnde 23.100 aandelen, welk belang nadien door omzetting van een gedeelte van een lening toenam met 1.677 aandelen tot 24.777 aandelen van nominaal NLG 1,20.

2.2. Bij de onder 2.1. vermelde statutenwijziging zijn de aandelen E gesplitst in de verhouding 1:30; voor elk (oud) aandeel kregen aandeelhouders 30 (nieuwe) aandelen met een nominale waarde van NLG 0,04 nominaal, waardoor eiser vlak vóór de in 2.11 vermelde beursgang (24.777*30 = 743.310 minus 86 aan werknemers verstrekte aandelen =) 743.224 aandelen E met een nominale waarde van NLG 0,04 bezat. Tenzij anderszins uit de context blijkt zullen hierna waardes en koersen van de aandelen E worden weergegeven na splitsing.

2.3. Het belang van eiser in E vormt vanaf 1 januari 1997 (hierna ook genoemd: de waardepeildatum) een zogenaamd aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20a, lid 3 Wet IB 1964. Op 18 augustus 1997 is eiser vanuit België, waar hij tot dan toe woonde, naar Nederland verhuisd. Op hem is artikel 20c, lid 7, tweede volzin Wet IB 1964 van toepassing.

2.4. Op 31 december 1996 zijn (kleine) pakketten aandelen E verkocht voor NLG 0,59 per aandeel.

2.5. Op 15 mei 1997 heeft een “informal investor”, G, die eveneens oorspronkelijk een 16,5% belang bezat in E, zijn aandelenpakket E aan zijn persoonlijke houdstermaatschappij, H Beheer B.V., verkocht voor NLG 11 miljoen, hetgeen neerkomt op NLG 14,80 per aandeel. De door hem gehanteerde verkrijgingsprijs voor het hele pakket bedroeg eveneens NLG 11 miljoen.

2.6. Eveneens op 15 mei 1997 heeft “informal investor” F, die eveneens oorspronkelijk een 16,5% belang bezat in E, zijn aandelen E aan zijn persoonlijke houdstermaatschappij verkocht voor NLG 16,59 per aandeel. De door hem gehanteerde verkrijgingsprijs per 1 januari 1997 bedroeg NLG 14,65 per aandeel. F was in die periode tevens commissaris van E.

2.7. Op de aandeelhoudersvergadering van 12 december 1997, waarbij eiser aanwezig was, werd gesproken over een Initial Public Offering (hierna: IPO) van E. De Generale Bank (hierna: GB) had belangstelling getoond de IPO te begeleiden. In december 1997 had GB E gewaardeerd op NLG 15,45 - 18,75 per aandeel. Na het bekend worden van de eerste kwartaalcijfers 1998 werd de introductieprijs geschat op NLG 17 en bij introductie ter beurze (zie 2.11) op NLG 22 per aandeel op basis van een waardering van GB die later nog benadrukte dat NLG 22 per aandeel een reële en maximaal haalbare introductiekoers was.

2.8. Ter uitvoering van de in 2.7. vermelde aandeelhoudersvergadering werd tevens besloten om een gedeelte van de lening die aandeelhouders hadden verstrekt aan E te converteren in aandelen. Aandeelhouders, waaronder eiser, committeerden zich NLG 300 per aandeel te storten, hetgeen neerkomt op NLG 10 per aandeel na splitsing van de aandelen.

2.9. Op de in 2.7. vermelde aandeelhoudersvergadering werd ten behoeve van het werknemersparticipatieplan de waarde van E geschat op NLG 43 miljoen. In januari 1998 heeft Ernst & Young Corporate Finance vervolgens de aandelen gewaardeerd op in totaal NLG 41.478.000 wat neerkomt op ca. NLG 10 per aandeel. In besprekingen met de Belastingdienst Ondernemingen Q is namens E gesteld dat de waarde van de aandelen NLG 10 - 16 per aandeel zou bedragen. Bepleit werd een waarde van NLG 13 per aandeel, hetgeen ook nader (in 2003) in dat kader is overeengekomen met de Belastingdienst.

2.10. Vanaf de oprichting t/m 1996 waren de resultaten van E negatief. Aanzienlijke bedragen zijn opgegaan aan research & development. Het jaar 1996 werd door het management bestempeld als het jaar van de “turn-around”, hetgeen zich nog niet direct vertaalde in het resultaat vanwege problemen met de massaproductie van de aa in de tweede helft van 1996. Pas vanaf 1997 namen omzet, aantallen afnemers, aantallen werknemers en resultaten (exponentieel) toe. Het resultaat over 1997 was NLG 2.353.562 (€ 1.068.000). Blijkens het introductiebericht (pag. 12):

“(…) lijkt in 1997 de definitieve doorbraak te hebben plaatsgevonden.”

2.11. Op 28 mei 1998 zijn de aandelen E geïntroduceerd op de Nieuwe Markt van Amsterdam Exchanges N.V. (“NMAX”) tegen de introductieprijs van NLG 22 per aandeel. Hierbij zijn 571.098 nieuwe aandelen E uitgegeven en 467.262 aandelen verkocht voor rekening van de verkopende aandeelhouders, waaronder eiser. Op de eerste dag van de notering was de openingskoers NLG 43 per aandeel en is de koers van de aandelen zelfs (explosief) gestegen naar NLG 55 per aandeel. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de aanvankelijke aanname van de openingskoers van NLG 32,50 op een vergissing berust.

2.12. Bij de introductie ter beurze (in 1998) heeft eiser 62.385 aandelen E tegen de introductieprijs van NLG 22 (minus een provisie van 4,5%) verkocht. De totale netto opbrengst bedroeg NLG 1.310.708.

2.13. Uit een rapport opgesteld door I, tot 2000 werkzaam bij ABN AMRO en in die hoedanigheid betrokken bij vele beursintroducties, blijkt dat bij een IPO een zogenaamde IPO discount, dat wil zeggen het verschil tussen de introductieprijs en de openingsprijs, ontstaat. Deze bedroeg over de periode 1996 - 2000 gemiddeld 17%. Hiervan uitgaande zou de uitgiftekoers NLG 35,50 moeten hebben bedragen. Hij concludeert dan ook dat de uitgiftekoers van E veel te laag is vastgesteld. Dit zou te maken kunnen hebben met het feit dat GB (nog) weinig ervaring had met beursintroducties. Hij ziet een correlatie tussen ervaring van de begeleidende bank(en) en de hoogte van de discount.

2.14. Eiser heeft aanvankelijk voor het jaar 1999 geen aangifte inkomstenbelasting/vermogensbelasting gedaan. Verweerder heeft vervolgens ambtshalve een aanslag IB/PVV met dagtekening 14 maart 2003 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NLG 150.000. Na daartoe nog diverse malen te zijn aangemaand aangifte te doen heeft eiser uiteindelijk op 7 juni 2004 aangifte inkomstenbelasting 1999/vermogensbelasting 2000 gedaan naar een belastbaar inkomen van NLG 1.660.129, waarvan NLG 1.258.675 winst uit aanmerkelijk belang, en naar een belastbaar vermogen van NLG 23.323.828

2.15. In de aangifte IB/PVV 1999 is “om praktische redenen” het 2.12 vermelde transactieresultaat uit 1998 verwerkt en als volgt in de aangifte omschreven:

“Verk. 1998: 62.385 aandelen E 1.372.470

(…)

Verkoopprovisie 1998 - 61.761

(…)”

Als gevolg van het hanteren van een verkrijgingsprijs van NLG 32,50 ontstond hierdoor een verlies uit aanmerkelijk belang van NLG 1.310.708 minus (62.385 x NLG 32,50) NLG 2.027.512 = NLG 716.804

2.16. In de aangifte IB/PVV 1999 heeft eiser ter zake van een aandelentransactie in aandelen E de volgende specificatie opgenomen:

“Verk. 1999: 71.519 aandelen E (via J) 3.152.143”

Eiser geeft toe dat deze transactieprijs op een schatting berust. Na daartoe enige malen om nadere informatie te zijn verzocht heeft eiser de werkelijk gerealiseerde opbrengst aan verweerder kenbaar gemaakt, die toen NLG 624.465 hoger bleek te zijn.

2.17. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 29 december 2004 een navorderingaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van NLG 6.957.394, waarvan NLG 6.555.940 winst uit aanmerkelijk belang.

2.18. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft verweerder tevens een vergrijpboete opgelegd van NLG 331.079 zijnde 25% (grove schuld) van 25% van (NLG 6.555.940 minus NLG 1.258.675 = NLG 5.297.265). Bij uitspraak op bezwaar is de vergrijpboete wegens overschrijding van de redelijke termijn verlaagd naar NLG 250.000. De kennisgeving van de boete ingevolge artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is gegeven per brief van 14 december 2004 met als onderbouwing:

“(…)

Ik ben van mening, dat het aan tenminste grove schuld te wijten is, dat deze winst tot een te laag bedrag is aangegeven. U bent voor de bepaling van de verkrijgingsprijs uitgegaan van een eerste beursnotering van f 32,50. U heeft deze openingskoers overigens nog niet aangetoond. Uit de door u overgelegde publicatie blijkt, dat de openingskoers het gevolg was [van] een aantal factoren, welke in ieder geval niet per 1 januari 1997 speelden. Daarnaast blijkt uit de publicatie, dat zowel de bank welke de emissie heeft begeleid als het bedrijf zelf in mei 1998 van mening waren, dat de emissiekoers van f 22 in 1998 de juiste waarde van het aandeel vertegenwoordigde. Deze waarde dient in verband met de explosieve stijging van de omzet en winst in 1998 nog gecorrigeerd te worden naar het tijdstip 1 januari 1997. Ik ben op grond van deze feiten van mening, dat de door u gehanteerde verkrijgingsprijs van f 32,50 veel te hoog was.

(…)”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is de verkrijgingsprijs van de aandelen van eiser in E. Dat er sprake is van een aanmerkelijk belang is niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de waardering van het aandelenbezit E per 1 januari 1997 (waardepeildatum) in het kader van artikel 70c, eerste lid, letter c, Wet IB 1964.

3.2. Eiser stelt dat de beursgang in mei 1998 leidend zou moeten zijn voor de waardering van de aandelen per waardepeildatum. In zijn aangifte IB/PVV 1999 heeft eiser de verkrijgingsprijs voor de aandelen E gesteld op NLG 32,50 per aandeel, zijnde de (vermeende) openingskoers op de eerste dag van handelen ter beurze. In de bezwaarfase heeft eiser zijn standpunt gewijzigd en heeft hij de verkrijgingsprijs gesteld op NLG 47,75, zijnde de gemiddelde koers op de eerste dag van handelen ter beurze. Nadien in de beroepsfase en in zijn conclusie van repliek heeft eiser gesteld dat de verkrijgingsprijs NLG 37,77 zou moeten zijn, zijnde de contante waarde teruggerekend naar de waardepeildatum van de openingskoers van NLG 43 op 28 mei 1998.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de verkrijgingsprijs moet worden gesteld op NLG 10. Omdat eiser te laat en niet de juiste aangifte heeft gedaan dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard op grond van artikel 27e AWR. Verweerder handhaaft zijn standpunt ter zake van de boete.

3.4. Eiser concludeert tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van NLG 1.043.857 en vernietiging van de vergrijpboete. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep en handhaving van de vergrijpboete. Mocht de rechtbank eiser geheel of gedeeltelijk gelijk geven dan beroept verweerder zich expliciet op interne compensatie omdat het belastbaar inkomen te laag is vastgesteld met het in 2.16 vermelde bedrag van NLG 624.465.

3.5. Voor een volledige weergave van de argumenten van partijen zij verwezen naar het verhandelde ter zitting en de van partijen afkomstige gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

Winst uit aanmerkelijk belang

4.1. Artikel 70c, Wet IB 1964 luidde ten tijde in geding en voor zover hier van belang:

“1. Voor de berekening van winst uit aanmerkelijk belang wordt de verkrijgingsprijs van aandelen (…) welke reeds tot het vermogen van de belastingplichtige behoorden op 1 januari 1997, per die datum gesteld op:

a (…)

b (…)

c indien deze aandelen (…) naar de regeling zoals die gold op 31 december 1996 niet tot een zodanig belang behoorden: de waarde in het economische verkeer van de aandelen (….) per 1 januari 1997”

4.2. In geschil is de waarde in het economisch verkeer per waardepeildatum van de op die datum door eiser gehouden aandelen E. De waarde dient te worden bepaald naar objectieve maatstaven en kan worden omschreven als de koopprijs - op genoemde datum - bij aanbieding van de aandelen ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde. Het gaat hierbij om de toestand zoals die op de waardepeildatum was en de toen bestaande verwachtingen omtrent toekomstige feiten en omstandigheden die voor de waardebepaling van betekenis zijn.

4.3. Eiser staat (uiteindelijk) een waarde voor van NLG 37,77 per aandeel E, terwijl verweerder de vastgestelde waarde van NLG 10 heeft verdedigd.

4.4. Allereerst zal de rechtbank het standpunt van verweerder behandelen dat sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte, waaraan verweerder de sanctie van artikel 27e AWR (omkering en verzwaring van de bewijslast) verbindt. Daarbij stelt verweerder dat hiervan sprake is omdat eiser niet (tijdig) de aangifte heeft ingediend. Eiser stelt dat nu hij aangifte heeft gedaan waarop vervolgens de navorderingsaanslag is gebaseerd geen omkering zou mogen plaatsvinden. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van Hof Amsterdam van 30 november 2004 (nr. 00/03194) onder meer gepubliceerd in V-N 2007/25.10. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder terecht een beroep doet op de sanctie van artikel 27e AWR (omkering). Daartoe overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat de vereiste aangifte niet is gedaan leidt tot omkering van de bewijslast. De rechtbank verwijst hierbij naar r.o. 3.3 van HR 2 maart 2007, nr. 42311, BNB 2007/191.

4.5. Nu de rechtbank van oordeel is dat omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is, rust op eiser de last te doen blijken dat de door verweerder vastgestelde verkrijgingsprijs op de waardepeildatum onjuist is.

4.6. Verweerder heeft de waarde van de aandelen E op waardepeildatum vastgesteld op NLG 10. Hij verwijst daarbij naar de transacties met derden rond de peildatum (2.4), de waardering door GB per ultimo 1997 (2.7), de waardering door Ernst & Young Corporate Finance en de waardering zoals die is overeengekomen met de belastingdienst ten behoeve van het werknemersparticipatieplan (2.9). Bovendien hebben twee andere “informal investors” de verkrijgingsprijs van hun aandelen E gesteld op (rond) NLG 15 (2.5 en 2.6). Verweerder benadrukt dat een waardering van NLG 10 per aandeel erop neerkomt dat 19 maal het netto-resultaat van E over 1997 zou worden betaald bij verkoop op 1 januari 1997. Hij stelt verder dat het moment van de introductie ter beurze te ver verwijderd is van de waardepeildatum om licht te kunnen werpen op de waarde in het economische verkeer van de aandelen op laatstgenoemde datum. Zo al rekening zou moeten worden gehouden met de introductie ter beurze dan zou als uitgangspunt moeten dienen de introductiekoers van NLG 22 waarvoor de aandelen E in eerste instantie zijn geplaatst teruggerekend naar de waardepeildatum rekening houdend met de koerssprong van de AEX van 87 % tussen de waardepeildatum en 28 mei 1998 en overige factoren, zoals incourantheid (10% discount), lock-up periode (20% discount), resultaat 1998 factor 2,5 hoger dan 1997 en de bijzonder sterke groei van de onderneming sinds de waardepeildatum. Ook in dat geval komt de waarde uit op (rond) NLG 10 per aandeel, aldus nog steeds verweerder. Verweerder stelt ten slotte dat de potentie van E duidelijk pas na de waardepeildatum tot uitdrukking is gekomen, zoals ook blijkt uit de resultaatontwikkeling tot die datum (2.10). Hij acht een k/w verhouding van 19 x het resultaat 1997, hetgeen neerkomt op (rond) NLG 10, alleszins redelijk op de waardepeildatum, gelet op de toen nog aanwezige onzekerheid en het resultaat over 1997 dat op de waardepeildatum onvoorzienbaar hoog was.

4.7. Naast de in 4.6 vermelde transacties en waarderingen beroept verweerder ter ondersteuning van zijn vaststelling van de waarde van de aandelen E op NLG 10 per aandeel zich nog op transacties van een drietal medewerkers van E die voor prijzen van respectievelijk NLG 11,10, NLG 11,11 en NLG 11,84 aandelen E International B.V. (de dochtermaatschappij van E) op 29 april 1998 hebben verkocht aan E. Hiermee wil verweerder aangeven, zo begrijpt de rechtbank, dat ook ruim na de waardepeildatum transacties tussen derden plaatsvonden tegen prijzen in de buurt van NLG 10. Omdat verweerder geen duidelijkheid kon verschaffen - ook niet ter zitting - over de vraag of de dochtermaatschappij één op één kon worden vereenzelvigd met de moedermaatschappij (E) zal de rechtbank deze transacties niet in haar oordeel betrekken.

4.8. Eiser heeft tegen de waardering door verweerder het volgende ingebracht. Bij de transacties waarop verweerder zich beroept gaat het hetzij om heel kleine pakketten waarbij voorkoming van het bereiken c.q. overschrijden van de zogenaamde 5%-grens vooropstond (2.4), hetzij gelieerde transacties, namelijk de verkopen van F en G aan hun respectievelijke personal holdings (2.5 en 2.6). Aan de waardering door Ernst & Young Corporate Finance (2.9) kleeft het bezwaar dat deze is ingegeven om een zo laag mogelijke waardering te bereiken ten behoeve van werknemers. Bovendien kleeft hieraan het bezwaar dat het slechts betreft een waardering en niet een objectief vastgestelde prijs. Dat zelfde geldt voor de waardering door GB per ultimo 1997. Geen van de door verweerder genoemde transacties en waarderingen zijn (voldoende) representatief. Eiser stelt zich nadrukkelijk op het standpunt dat de beursgang als uitgangspunt moet worden genomen en van daaruit de waarde per waardepeildatum moet worden herleid. Hoewel de beursgang 17 maanden na de waardepeildatum plaatsvond stelt eiser dat pas toen de potentiële waarde van E tot uitdrukking kwam. Eiser verwijst hierbij expliciet naar de uitspraak van Hof Den Haag van 29 januari 2002, BK-00/00294, gepubliceerd in onder meer V-N 2002/42.10. En overigens stelt eiser dat de introductieprijs veel te laag is vastgesteld vanwege de geringe ervaring van GB met beursintroducties en op NLG 35,50 moeten worden gesteld (2.13). Het feit dat de beursintroductie 17 maanden na de waardepeildatum heeft plaatsgevonden is niet zo relevant. De waardering op dat moment geeft het beste weer de potentie van het bedrijf en dient als uitgangspunt te dienen, aldus nog steeds eiser.

De rechtbank herinnert eraan dat ter beoordeling voorligt de vraag of eiser heeft doen blijken dat de door verweerder vastgestelde waarde van de aandelen op de waardepeildatum onjuist is. De rechtbank acht eiser niet geslaagd in deze op hem rustende bewijslast en overweegt daartoe als volgt.

4.9. Het gaat in de onderhavige zaak om de waardering per 1 januari 1997 van aandelen in een besloten vennootschap, die niet vrij verhandelbaar zijn. Weliswaar kon op deze datum niet worden uitgesloten dat de rechtsvorm van deze vennootschap zou worden omgezet in die van een naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen, waarna de aandelen van de vennootschap op succesvolle wijze ter beurze zouden worden geïntroduceerd, doch op de waardepeildatum was het onzeker of deze feiten zich zouden verwezenlijken. Eerst in december 1997 werd het principebesluit genomen dat E naar de beurs zou gaan. Het tijdstip waarop was toen nog onduidelijk. Ook de vraag of een eventuele beursgang succesvol zou zijn, was op 1 januari 1997 onduidelijk, hetgeen wordt onderstreept door de omstandigheid dat eiser de beursgang heeft willen ondersteunen door verkoop van aandelen tegen de introductiekoers van NLG 22. Voorts was op 1 januari 1997 onzeker hoe de beurs zich zou ontwikkelen tot aan het moment van een eventuele beursgang; de forse stijging van de AEX in die periode was op 1 januari 1997 niet voorzienbaar. Om al deze redenen kan de (uiteindelijk) door eiser verdedigde waarde van NLG 37,77 – zijnde de contante waarde van de openingskoers van NLG 43 op 28 mei 1998 teruggerekend naar de waardepeildatum – niet als uitgangspunt dienen. Eiser heeft geen alternatieve benadering van de waarde van de aandelen per 1 januari 1997 uitgewerkt.

4.10. Verweerder heeft daarentegen wél gewezen op andere mogelijk relevante omstandigheden. Hij heeft aangegeven dat een waardering van NLG 10 per aandeel erop neerkomt dat 19 maal het netto-resultaat van E over 1997 zou worden betaald bij verkoop op 1 januari 1997. Hij heeft onweersproken gesteld dat tussen derden transacties hebben plaatsgevonden op 31 december 1996, vér onder de door hem bepleite waarde. Hij heeft voorts onweersproken gesteld dat in 1997 en begin 1998 waarderingen zijn opgesteld die alle liggen in de range van NLG 10 - 15. Bovendien hebben twee “informal investors” die hetzelfde aandelenpakket hadden als eiser, hun respectievelijke pakketten in 1997 ingebracht in hun persoonlijke houdstermaatschappijen, waarbij (verkrijgings)prijzen zijn gehanteerd van (rond) NLG 15. Uit door verweerder overlegde correspondentie met één van deze “informal investors”, F, blijkt dat in dit kader vooroverleg heeft plaatsgevonden met de belastingdienst R. Zoals verweerder onweersproken heeft gesteld, mag ervan worden uitgegaan dat een belastingplichtige een zo hoog mogelijke ‘step up’ van de verkrijgingsprijs heeft willen bepleiten. Daarbij komt dat F in die periode commissaris was bij E en dus verondersteld mag worden goed op de hoogte te zijn geweest van de toekomstverwachtingen van E. Voorts heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat zelfs indien de introductiekoers van NLG 22 als richtsnoer wordt genomen, deze nog moet ‘teruggerekend’ naar de waardepeildatum in die zin dat de nodige afslagen moeten worden gehanteerd. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar onderdeel 4.6 hiervóór. Eiser heeft deze afslagen onvoldoende weersproken.

4.11. De rechtbank komt tot de slotsom dat de door eiser verdedigde waardering niet kan worden aanvaard, dat verweerder gemotiveerd heeft gesteld dat en waarom een waarde van NLG 10 per aandeel op 1 januari 1997 moet worden gehanteerd en dat eiser deze gemotiveerde stellingname – mede in het licht van de op hem rustende verzwaarde bewijslast – onvoldoende heeft ontkracht. Met name heeft eiser niet gemotiveerd hoe de aandelen in de besloten vennootschap op de waardepeildatum – na de verwerping van zijn stelling dat de openingskoers op 28 mei 1998 richtinggevend zou zijn – dan wél zouden moeten worden gewaardeerd. De navorderingsaanslag is derhalve terecht opgelegd. Het (subsidiaire) beroep van verweerder op interne compensatie behoeft geen behandeling.

Boete

4.12. Ingevolge artikel 67e, eerste lid, van de AWR kan de inspecteur bij de vaststelling van een navorderingsaanslag een vergrijpboete opleggen indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. De aan eiser verweten gedraging – in onderdeel 2.18 hiervóór weergegeven – heeft niet ertoe kunnen leiden dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Deze gedraging kan derhalve niet worden bestraft met een vergrijpboete. De rechtbank zal om die reden de boetebeschikking vernietigen.

5. Proceskosten

Nu het beroep ten dele gegrond is vindt de rechtbank aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 810 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- handhaaft de navorderingsaanslag;

- handhaaft de beschikking heffingsrente;

- vernietigt de boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 810; en

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. van Kempen, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. S.C.W. Douma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.