Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7542

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-06-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
15-700409-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8573, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; verweren t.a.v. voorvragen verworpen; poging tot moord in Brinkmannpassage Haarlem; seksueel misbruik; betrouwbaarheid verklaringen aangeefster; beslag; vordering benadeelde partij.

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn dochter. Verdachte heeft zijn dochter geprobeerd te wurgen, haar met een zaklamp en hamer met kracht op haar hoofd geslagen en toen zij niet meer bewoog heeft hij haar in een plastic zak gedaan en haar in een ondergrondse vetput gestopt en deze met een zwaar deksel afgesloten. Uit de planmatige wijze waarop verdachte te werk is gegaan en uit de aard van de handelingen kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat verdachte zonder enig mededogen en met een ijzige kilheid moet hebben gehandeld. Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte gedurende vijf maanden met zijn dochter, terwijl zij de leeftijd van twaalf jaren maar die van zestien jaren nog niet heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Verdachte heeft daarmee een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijk en psychische integriteit van zijn dochter en haar seksuele ontwikkeling ernstig verstoord.

Verdachte heeft geen, althans geen volledige, verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. De rechtbank ziet in de uitzonderlijke omstandigheden van deze concrete zaak – die zich niet of nauwelijks voor een vergelijking met andere zaken leent – aanleiding verdachte een hogere vrijheidsbenemende straf op te leggen dan doorgaans ten aanzien van een niet voltooid levensdelict pleegt te worden opgelegd. De rechtbank legt evenwel een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd (18 jaar) op, nu deze eis, hoe gruwelijk de feiten ook zijn, te veel afwijkt van de gangbare rechterlijke straftoemeting, zeker ook als wordt gekeken naar de straffen die voor voltooide levensdelicten plegen te worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700409-09

Uitspraakdatum: 14 juni 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 december 2009, 4 maart 2010 en 31 mei 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toelating van een nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 4 maart 2010, ten laste gelegd dat:

1. Primair: hij op of omstreeks 02 juni 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zijn, verdachtes dochter, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met zijn, verdachtes hand(en) de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of

- één- of meerma(a)l(en), met kracht, met een zaklantaarn en/of een hamer, in elk geval met één of meer harde voorwerp(en) en/of met zijn, verdachtes vuist(en) en/of hand(en), heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) en/of elders op/tegen het lichaam van die [slachtoffer], en/of

- die [slachtoffer] in een plastic zak heeft gestopt, en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] in die/een (afgesloten) plastic zak zat) die [slachtoffer] heeft gebracht in een (deels met water gevulde) (ondergrondse) (vet)put,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. Subsidiair: hij op of omstreeks 02 juni 2009 te Haarlem aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijn, verdachtes dochter, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hoofd- en/of hersenletsel en/of een gebroken hand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- met kracht de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, en/of

- één- of meerma(a)l(en), met kracht, met een zaklantaarn en/of een hamer, in elk geval met één of meer harde voorwerp(en), en/of met zijn, verdachtes vuist(en) en/of hand(en), op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) en/of elders op/tegen het lichaam te slaan.

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 2 juni 2009 te Haarlem en/of te Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede Ca en/of elders binnen het arrondissement Haarlem en/of elders in Nederland, met [slachtoffer] (zijn, verdachtes, dochter, geboren op [geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis gebracht en/of geduwd in de vagina van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis gebracht en/of geduwd in de mond van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, vinger(s) gebracht en/of geduwd in de vagina van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans éénmaal, de kleren van die [slachtoffer] geheel of gedeeltelijk uitgetrokken en/of meerm(a)l(en), althans éénmaal, die [slachtoffer] aangeraakt aan/bij en/of gevoeld aan de (deels of geheel ontblote) borst(en) en/of de (deels of geheel ontblote) vagina en/of elders aan/bij het (deels of geheel ontblote) lichaam van die [slachtoffer].

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de dagvaarding voor wat betreft feit 1 subsidiair partieel nietig is omdat het “zwaar lichamelijk letsel”, omschreven als ernstig hoofd- en/of hersenletsel en/of een gebroken hand, niet kan zijn veroorzaakt door de in de feitsomschrijving onder meer opgenomen handeling van “het met kracht de keel dichtknijpen en/of dichtgeknepen houden”. De dagvaarding is op dit punt onbegrijpelijk en derhalve (partieel) nietig, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat de door de raadsman bedoelde eis, dat de dagvaarding een opgave bevat van het feit dat wordt ten laste gelegd, is vervuld: doordat in de omschrijving van het ten laste gelegde feit meerdere gedragingen zijn opgenomen die tot de kwalificatie zwaar lichamelijk letsel – nader aangeduid als ernstig hoofd en/of hersenletsel – zouden kunnen leiden, wordt de door de raadsman opgeworpen kwestie uiteindelijk beantwoord bij de vraag of en in hoeverre bewezen is, dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft begaan en of die gedragingen tot het beweerde gevolg hebben geleid. Het verweer, waarin van een andere opvatting wordt uitgegaan, wordt derhalve verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding behalve ten aanzien van feit 1 subsidiair ook ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 geldig is.

2.2. Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ter zake van feit 2 op de dagvaarding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisanten die de verhoren van het slachtoffer [slachtoffer] (hierna te noemen [slachtoffer]) hebben opgenomen geen gevolg hebben gegeven aan de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (hierna: de Aanwijzing).

Hoewel de verbalisanten gecertificeerde zedenrechercheurs zijn, blijkt uit het proces-verbaal van aangifte immers niet dat zij tevens overwegend – dat wil zeggen voor ten minste 50% van een volledige werkweek – belast zijn met zedenzaken. Daarnaast is in deze zaak eerst tot opsporing overgegaan (op 4 juni 2009) en is daarna pas aangifte gedaan (op 7 januari 2010), terwijl de Aanwijzing voorschrijft dat de aangifte de formele aanzet tot opsporing moet zijn. De aangifte is van groot belang voor het verdere onderzoek in zaken van seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties. Zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit zijn daarbij geboden. Daarom dient in de aanloop tot een aangifte een informatief gesprek met het slachtoffer te worden gehouden en daarvan een schriftelijk verslag te worden opgemaakt. Dit is in deze zaak niet gebeurd. Verder is niet voldaan aan het voorschrift de aangifte zelf op geluidsband op te nemen, is niet – zoals aanbevolen – een tijdlijn van de gebeurtenissen opgemaakt en heeft na het opnemen van de aangifte (7 januari 2010) ten onrechte geen gesprek plaatsgevonden met verdachte, tegen wie de aangifte is gedaan. Bovendien is [slachtoffer] ten onrechte niet gehoord volgens het zogeheten protocol studioverhoor, nu zij blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2009 (zaaksdossier, p. 780/1) zwakbegaafd zou zijn, aldus nog steeds de raadsman.

Het standpunt van de raadsman leidt de rechtbank tot de volgende vaststellingen, overwegingen en het daaruit voortvloeiende oordeel.

[slachtoffer] is op 2 juni 2009 ernstig gewond aangetroffen en een aantal malen gehoord met betrekking tot datgene wat haar die dag zou zijn overkomen. Dit heeft geleid tot de verdenking dat verdachte, haar vader, ernstig geweld tegen haar zou hebben gebruikt (feit 1). In de desbetreffende verhoren is ingegaan op de achtergrond van het gebeuren en het mogelijke motief voor het gepleegde geweld. Op grond van uitlatingen van [slachtoffer] tijdens de verhoren ontstond op enig moment het vermoeden van seksueel misbruik door haar vader en zijn haar nadere vragen gesteld. Een en ander heeft geleid tot een verdenking ter zake daarvan tegen verdachte en het reeds lopende opsporingsonderzoek is daarmee uitgebreid, hoewel nog geen officiële aangifte van seksueel misbruik was gedaan. De rechtbank acht deze gang van zaken niet in strijd met de genoemde Aanwijzing. De situatie in deze zaak is immers wezenlijk anders dan die in zedenzaken, waarop de Aanwijzing het oog heeft. In deze zaak liep al een opsporingsonderzoek naar een ernstig geweldsmisdrijf binnen dezelfde afhankelijkheidsrelatie. Dat tijdens dat lopende onderzoek de verdenking van seksueel misbruik is gerezen, betekent niet dat deze verdenking zonder aangifte en zonder een voorafgaand informatief gesprek niet zou kunnen worden meegenomen in dat onderzoek. Gelet op een mogelijk verband tussen beide feiten waarvan verdenking bestond respectievelijk was ontstaan, diende mogelijk seksueel misbruik van [slachtoffer] in de relatie met haar vader dan ook onder ogen te worden gezien en in het licht van de onderzoeksresultaten aangaande het gebeuren op 2 juni 2009 te worden onderzocht. De rechtbank oordeelt dat voor de bijzondere en ook uitzonderlijke situatie van deze zaak de genoemde Aanwijzing niet is geschreven en bedoeld.

Met betrekking tot het standpunt van de verdediging dat de betrokken zedenrechercheurs, hoewel gecertificeerd, niet overwegend belast zouden zijn met zedenzaken, kent de rechtbank de daaraan toekomende betekenis toe aan de ter terechtzitting gedane mededeling van de officier van justitie dat de betrokken zedenrechercheurs wel degelijk meer dan 50% van hun werktijd besteden aan zedenzaken.

Ook het bezwaar van de raadsman tegen het niet opnemen van de aangifte van [slachtoffer] op geluidsband, deelt de rechtbank niet. Immers, de aan die formele aangifte voorafgegane, inhoudelijke verklaringen van [slachtoffer] met betrekking tot het seksuele misbruik (feit 2) zijn op geluids- (en video-)band opgenomen. De aangifte van 7 januari 2010 vormde in het onderzoek slechts een formele afsluiting van haar eerdere verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde deze aangifte – waarin [slachtoffer] alleen verwijst naar haar eerdere verklaringen – niet noodzakelijk op geluidsband te worden opgenomen. Evenmin was het nodig verdachte nadien opnieuw te horen aangezien hij met de eerdere inhoudelijke verklaringen van [slachtoffer] al tijdens de van hem afgenomen verhoren was geconfronteerd.

De hier geschetste gang van zaken brengt met zich mee, dat het niet opmaken van een tijdlijn van de gebeurtenissen – nog daargelaten dat het hier slechts om een aanbeveling gaat in de meergenoemde Aanwijzing – een logisch uitvloeisel daarvan is.

Zijn stelling dat [slachtoffer] zwakbegaafd zou zijn en er sprake is van een achterstand in haar ontwikkeling zodat zij volgens de genoemde Aanwijzing zou moeten worden gehoord volgens het Protocol Studioverhoor baseert de raadsman op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 17 juni 2009 waaruit blijkt dat twee mentoren van de school van [slachtoffer] hebben medegedeeld dat haar IQ tussen de 70 en de 80 zou liggen. De rechtbank acht dit enkele – overigens niet geverifieerde – gegeven onvoldoende om te concluderen dat aangeefster zwakbegaafd is en er sprake zou zijn van een achterstand in haar ontwikkeling. Daarbij heeft te gelden dat uit ditzelfde proces-verbaal ook blijkt dat volgens de mentoren het (naar de rechtbank begrijpt: lage) IQ van [slachtoffer] deels kan worden verklaard door haar taalachterstand als gevolg van haar nog korte verblijf (sinds 2003) in Nederland.

Nu [slachtoffer] ten tijde van de verhoren ouder was dan 12 jaar en niet gesproken kan worden van een achterstand in haar ontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] ook overeenkomstig de Aanwijzing op juiste wijze is verhoord.

Op grond van het bovenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman met betrekking tot de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte ter zake van feit 2.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

2.4. Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen, met oplegging van de corresponderende schadevergoedingsmaatregel, en de in beslag genomen (batterij van een) mobiele telefoon en simkaart verbeurd te verklaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 primair

Op 2 juni 2009 omstreeks 12.55 uur krijgt de politie de opdracht zich te begeven naar een adres in de Barteljorisstraat te Haarlem. In de aldaar gevestigde boekwinkel bevindt zich een jonge vrouw. Verbalisanten nemen waar dat deze vrouw doorweekt is en sterk ruikt naar rioollucht. Het gezicht van de vrouw is bebloed, haar linkerwang is geheel opgezwollen en, net als haar lippen, witgekleurd. Op de hoofdhuid zijn verse wonden te zien, het hoofdhaar is bebloed en in het haar zijn witte kleine deeltjes van een onbekende materie aanwezig. Op een vraag van verbalisanten wat er is gebeurd, antwoordt de vrouw dat zij het zo koud heeft. Verbalisanten zien haar rillen en horen haar praten met trillende stem. Twee medewerksters van de boekwinkel vertellen dat de vrouw even voor 13.00 uur de winkel is binnengekomen. Eén medewerkster verklaart: “Volgens mij komt die vrouw uit die deur want daar lopen natte voetsporen, de deur staat nog op een kier.” Op aanwijzingen van deze medewerkster begeven verbalisanten zich naar een ruimte achter een blauwe nooddeur. Zij komen terecht in de onderste verdieping van de Brinkmannpassage en volgen natte schoensporen, zichtbaar op de vloer, die lopen in de richting van de gevel van een zich aldaar bevindende voormalige groentezaak. De voorzijde van deze winkel is afgedicht met grote houten platen. De linker onderzijde van een van die platen staat gedeeltelijk open en aan de gevelzijde zijn bloedsporen aanwezig. Nadat verbalisanten zich de toegang tot de niet meer in gebruik zijnde groentewinkel hebben verschaft, zien zij opnieuw natte schoensporen. Midden in een ruimte treffen verbalisanten een put aan, een soort bezinkput, die voor ongeveer driekwart is gevuld met vuil stinkend water. Verbalisanten ruiken dat het water een soortgelijke geur heeft als de geur die om de vrouw in de boekwinkel hing. Rond de put ligt water en in de put bevindt zich een stuk doorzichtig plastic. Voordat de jonge vrouw per ambulance naar het ziekenhuis wordt afgevoerd, verklaart zij tegenover verbalisanten dat zij een uur of vier geleden is geslagen door haar vader en dat hij haar toen in een plastic zakje heeft gedaan. Ook verklaart de vrouw dat de put niet helemaal vol was met water, waardoor zij kon blijven ademen.

Nog diezelfde middag, om 16.30 uur, wordt de vrouw, die blijkt te zijn genaamd [slachtoffer], in het Kennemer Gasthuis te Haarlem kort door verbalisanten gehoord. Zij verklaart dat haar vader haar dit die ochtend in de oude winkel heeft aangedaan. Hij heeft haar bij haar keel gepakt en haar met een zaklantaarn en ander gereedschap op haar hoofd geslagen. Nadat zij flauw viel, heeft hij haar in het water gedaan, waarna zij later door een gat naar buiten is gekropen. Alleen haar vader en niemand anders was er bij.

Nadat in het Kennemer Gasthuis te Haarlem ernstig schedel- en hersenletsel bij [slachtoffer] is geconstateerd, wordt zij overgebracht naar het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam. Daar is geconstateerd dat het hoofd van [slachtoffer] bebloed was en de huid gescheurd, er ongeveer 13 zichtbare hoofdverwondingen waren, zij een gezwollen linkerkaak met hematoom had, zich links in de hals puntvormige bloedingen bevonden, er aan extremiteiten enkele bloeduitstortingen waren, de rechterhand gebroken was en zij als inwendig letsel een hersenbloeding had. Aan deze hersenbloeding is [slachtoffer] geopereerd. [slachtoffer] heeft van 2 tot en met 4 juni 2009 op de intensive care-afdeling gelegen en op 9 juni 2009 is zij uit het ziekenhuis ontslagen. De forensisch arts die haar eerder op de spoedeisende hulp van het Kennemer Gasthuis heeft bezocht, heeft aangegeven dat de toegebrachte verwondingen zeer goed de dood tot gevolg zouden kunnen hebben gehad.

Over hetgeen zich in de ochtend van 2 juni 2009 heeft afgespeeld, heeft [slachtoffer] nadien verklaard dat haar vader haar die ochtend rond 6.45 uur heeft gebeld met de mededeling dat zij naar hem toe moest komen. Zij is daarop rond 7.45 uur bij haar vader op zijn werk in de Brinkmannpassage aangekomen. Samen zijn zij daar naar de winkel gegaan , volgens haar vader moesten ze ergens heen gaan waar niemand kwam. Haar vader heeft hier een ‘hutje’ (de rechtbank begrijpt dat hiermee put wordt bedoeld en leest dit ook verder zo) geopend en daar met een zaklamp in geschenen. Vervolgens heeft hij de put gesloten en begon hij aangeefster te omhelzen, waarbij hij haar bij haar keel pakte en vasthield en haar met twee handen probeerde te wurgen. Haar vader heeft daarbij gezegd dat hij haar ging vermoorden. Hij heeft haar met een zaklantaarn op haar hoofd en op haar nek en rechter hand geslagen. Vervolgens zijn aangeefster en haar vader ongeveer een half uur in de keuken (van de winkelruimte) gaan zitten en hebben daar samen sigaretten gerookt.

De verklaringen van verdachte over de gebeurtenissen die ochtend komen tot dat moment vrijwel overeen met de verklaring van [slachtoffer]. Verdachte heeft verklaard dat zij ergens naartoe gingen waar het vrij en stil was, dat hij denkt dat hij zijn dochter rond 08:00 uur met een zaklamp in de nek heeft geslagen en dat zij daarna een half uur in de keuken hebben gestaan en sigaretten hebben gerookt.

Over het gebeuren daarna heeft verdachte echter verklaard dat hij tegen [slachtoffer] heeft gezegd dat zij zich wat moest opknappen en de boel wat moest opruimen, dat hij toen weg is gegaan en dat bij zijn latere terugkeer in de winkelruimte, zijn dochter daar niet meer was.

[slachtoffer] heeft over het latere gebeuren anders en als volgt verklaard.

Haar vader zou hebben gezegd dat zij moest blijven, dat zij niet naar school mocht gaan, en dat ze “gewoon verder zouden gaan”. Hij heeft haar daarop diverse malen met een hamer op haar hoofd, rug en handen geslagen. Toen zij geen kracht meer had, zij haar ogen gesloten had en zich dood hield , heeft haar vader haar in een grote zak gestopt en vervolgens in de put met het water gegooid. Daarna heeft haar vader de put boven haar hoofd gesloten. Haar vader heeft voordat hij haar in de put stopte haar telefoon, bankpas en identiteitskaart afgepakt. Gedurende de tijd dat ze in de put zat, voelde het alsof ze zat te slapen of dronken was. Na ongeveer vier tot vijf uur in de put te hebben gezeten is het aangeefster gelukt om met haar handen en hoofd het ding te openen en uit het gat te kruipen. De deur bleek op slot. Aangeefster, nat en koud, is toen omgelopen en heeft een muur van hout opengeduwd, is via een nooduitgang in de stad terecht gekomen en een winkel binnengegaan.

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer]

De rechtbank acht de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen betrouwbaar op grond van het volgende.

Allereerst kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] kort na het gewelddadig gebeuren en voordat zij met anderen heeft kunnen spreken verklaringen heeft afgelegd over wat zich op 2 juni 2009 (in de Brinkmannpassage) heeft afgespeeld. Zij heeft later weliswaar meer uitgebreid beschreven wat haar was overkomen, maar heeft daarbij haar voorgaande verklaringen steeds herhaald en een consistent verhaal verteld zonder daaraan, wat betreft de door haar vader verrichte geweldshandelingen, nieuwe elementen toe te voegen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] ondersteuning vinden in andere, hierna te noemen, feiten en omstandigheden:

Uit het door de politie verrichte onderzoek in de kelder van de Brinkmannpassage is gebleken dat vanaf de nooduitgang in de Barteljorisstraat een nat schoenspoor te zien was, afkomstig uit de voormalige groentewinkel, die was afgesloten met houten schotten waarvan er een gedeeltelijk geopend was. Op de nooddeur en het schot zijn bloedsporen aangetroffen. Het natte schoenspoor liep vervolgens via het schot door een keukengedeelte, op welke route op diverse plaatsen bloedsporen zijn aangetroffen. De twee deuren waarmee het keukengedeelte tevens te bereiken is, waren slotvast afgesloten. Het gangspoor met hetzelfde golf-profiel kwam uit de richting van een put. De put bleek te zijn afgedekt door twee afzonderlijke deksels, waarvan er één schuin lag over de daarvoor bestemde uitsparing. In een bak direct naast de put trof de politie een zaklamp aan, waarop bloedsporen te zien waren. Op het water in de put dreef een gedeeltelijk gescheurde en met een knoop bij elkaar gebonden plastic zak. Op de onderzijde van de putdeksel en op de plastic zak zijn bloedsporen aangetroffen.

Van het aangetroffen bloed op de plastic zak, de onderzijde van de putdeksel en de zaklamp is een DNA-profiel verkregen dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met deze DNA-profielen (ofwel de berekende frequentie van deze DNA-profielen) van het bloed in deze bemonsteringen, is kleiner dan één op één miljard.

[slachtoffer] heeft, zoals hiervoor is aangegeven, verklaard dat haar vader onder andere haar bankpas en telefoon heeft afgepakt. In de fouillering van verdachte is een Fortis bankpas op naam van [slachtoffer] aangetroffen. Deze pas behoort bij de jongerenrekening van [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]. Op een kopie daarvan is de bankpas door [slachtoffer] herkend als de bankpas die op 2 juni door haar vader is weggenomen.

Uit onderzoek naar het telefoonverkeer met de mobiele telefoonnummers van [slachtoffer] en verdachte volgt voorts dat de telefoon van [slachtoffer] op 2 juni 2009 om 10.01 uur en 10.42 uur twee sms-berichten heeft ontvangen. Haar telefoon straalt op dat moment een mastlocatie aan in de buurt van de woning van [slachtoffer] en verdachte aan de [adres]. Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 juni 2009 rond 10:00 uur weer thuis was. Daarnaast is in de auto van verdachte een deel van een simkaart aangetroffen, welk gedeelte met de pincode van aangeefster uit te lezen bleek.

De verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar bankpas en telefoon (met simkaart) zou hebben afgepakt, wordt door deze bevindingen ondersteund.

Ook het letsel dat op 2 juni 2009 bij [slachtoffer] is geconstateerd sluit aan bij haar verklaring over het gebeuren die dag. De aard, ernst, en omvang van de bij haar geconstateerde verwondingen passen bij de geweldshandelingen waarover zij heeft verklaard. De rechtbank acht het volstrekt niet aannemelijk dat – zoals de raadsman van verdachte voor mogelijk houdt – het bij [slachtoffer] geconstateerde ernstige letsel (enkel) zou (kunnen) zijn veroorzaakt doordat bij haar pogingen om de put te openen, het putdeksel hard op haar hoofd terecht zou zijn gekomen. In dat geval zou zij immers in de toestand waarin zij zich in de put moet hebben bevonden, met een gebroken hand, een zestig kilo zwaar putdeksel omhoog hebben weten te tillen waarna dit deksel dan met zoveel kracht op haar hoofd terecht zou zijn gekomen, dat daardoor het ernstige geconstateerde letsel van 13 hoofdwonden zou zijn ontstaan. Vanwege de onaannemelijkheid daarvan gaat de rechtbank aan een dergelijk scenario voorbij.

In de kofferbak van de auto van verdachte is in een plastic zak, naast een polo-shirt met daarop het logo van het schoonmaakbedrijf [naam], waar verdachte in dienst was, een spijkerbroek aangetroffen. Het bloed op die broek matcht met het DNA-profiel van aangeefster, met een berekende frequentie die kleiner is dan één op één miljard.

Tenslotte heeft de vrouw van verdachte verklaard dat zij van diens broer heeft gehoord dat verdachte tegen hem zou hebben gezegd dat hij [slachtoffer] met een hamer zou hebben geslagen.

Met al het voorgaande zijn naar het oordeel van de rechtbank in strijd de verklaringen van verdachte dat hij zijn dochter slechts met een zaklamp heeft geslagen en dat hij haar in slechts licht gewonde toestand heeft achtergelaten. De rechtbank gaat dan ook aan die verklaringen voorbij.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, redengevend voor het bewijs dat verdachte heeft gepoogd zijn dochter opzettelijk van het leven te beroven.

Dat, zoals door de raadsman van verdachte is betoogd, op de plastic zak geen biologische sporen van verdachte zijn aangetroffen komt in het licht van al hetgeen hiervoor is vastgesteld geen ontlastende betekenis toe, mede nu is komen vast te staan dat de zak aanzienlijke tijd in het water heeft gelegen en alleen al daarom de kans bestaat dat eventuele sporen zijn verdwenen. Hetzelfde geldt voor het verweer van de raadsman dat geen relatie kon worden vastgesteld tussen het vuil op de rand van de put en de sporen op de spijkerbroek van verdachte. Dat hiernaar en naar eventuele biologische sporen op de put als gevolg van de door de rechtbank op 7 december 2009 gehouden schouw op de plaats delict geen nader onderzoek meer kon worden verricht, zoals de raadsman heeft gesteld, is onjuist: de officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat alle sporen, waaronder ook het putdeksel, zijn veiliggesteld en bewaard gebleven. Overigens heeft de rechtbank moeten constateren dat de raadsman het bestaan van deze en andere onbekend gebleven onderzoekswensen eerst op de inhoudelijke terechtzitting aan de orde heeft gesteld en daar – ook na mededeling van de officier van justitie dat alle sporen zijn veiliggesteld en bewaard gebleven – niet het verzoek heeft gedaan alsnog onderzoek te laten verrichten.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zijn dochter [slachtoffer] in een plastic zak heeft gestopt en vervolgens gebracht heeft in de deels met water gevulde put.

Voorbedachte raad

Van voorbedachte raad – in de tenlastelegging (feitelijk) omschreven als ‘na kalm beraad en rustig overleg’ – is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sprake, indien een verdachte de tijd en de gelegenheid heeft gehad na te denken over en zich rekenschap te geven van de gevolgen van zijn voorgenomen handelen. Dat de geweldshandelingen van verdachte tegen zijn dochter niet voortkwamen uit een ogenblikkelijke gemoedsbeweging, maar dat hij de tijd en de gelegenheid heeft gehad na te denken over en zich rekenschap te geven van de gevolgen van deze, door hem voorgenomen geweldshandelingen, leidt de rechtbank af uit de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zijn dochter [slachtoffer] in de vroege ochtend van 2 juni 2009 opgebeld met de mededeling dat zij naar zijn werk moest komen. Een duidelijke verklaring voor de reden of noodzaak voor dit bezoek heeft verdachte nimmer gegeven. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte in het telefoongesprek heeft aangegeven dat zij geld gingen pakken onder de ‘hutjes’. Nadat [slachtoffer] bij de Brinkmannpassage was aangekomen, heeft verdachte tegen haar gezegd dat zij naar een plek moesten gaan waar het rustig en stil was. Zij zijn daarop naar een ruimte in de kelder gegaan, welke plek niet voor het publiek toegankelijk is en waar het zonder licht, dat daar ontbreekt, aardedonker is. Verdachte heeft hier een zaklamp gebruikt, een put geopend en aangegeven dat zich daarin een groot geldbedrag zou bevinden. Vervolgens heeft verdachte zijn dochter geprobeerd te wurgen en met een zaklamp geslagen en daarbij gezegd dat hij haar ging vermoorden. Na een (rook-)pauze van ongeveer 30 minuten heeft verdachte gezegd dat ze gewoon verder zouden gaan. Hij heeft zijn dochter daarop meerdere keren met een hamer geslagen en toen zij niet meer bewoog en zich dood hield, haar persoonlijke bezittingen afgenomen, haar in een plastic zak gedaan en haar vervolgens in de ondergrondse put gestopt, waarna hij het deksel boven haar hoofd heeft gesloten. Verdachte heeft de ruimte daarna verlaten. Het kan, gelet op de verklaringen van zijn dochter en de resultaten van het forensisch onderzoek op de plaats delict, niet anders dan dat hij de ruimte daarbij heeft afgesloten.

De rechtbank acht het verhaal over een groot geldbedrag dat zich in de ondergrondse put zou moeten bevinden, mede gelet op het feit dat dit dezelfde put is als waar verdachte zijn dochter later in heeft gegooid en het feit dat er nooit enig geldbedrag is aangetroffen, onaannemelijk en gaat ervan uit dat verdachte dit verhaal als smoesje heeft gebruikt om zijn dochter naar de afgelegen en donkere plek te lokken. Toen zij eenmaal op die plek was aangekomen, heeft verdachte geweld tegen zijn dochter gebruikt en daarbij gezegd dat hij haar ging vermoorden. De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat bij verdachte ten minste reeds op het moment dat hij aangeefster ’s ochtends opbelde met de mededeling dat zij naar zijn werk moest komen, het voornemen heeft bestaan haar van het leven te beroven. Aangezien na dit telefoontje van verdachte en voor de komst van zijn dochter ook enige tijd is verstreken, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voldoende tijd en gelegenheid gehad zich rekenschap te geven van de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen handelen. Niet alleen heeft verdachte na het telefoongesprek en voor de komst van zijn dochter (in de Brinkmannpassage) ruimschoots de mogelijkheid gehad van de uitvoering van zijn voornemen af te zien, verdachte heeft ook tijdens de (rook-)pauze van ongeveer 30 minuten na de eerste gewelddadige handelingen gelegenheid gehad zich te bezinnen op zijn voorgenomen daad zijn dochter van het leven te beroven. Verdachte heeft er na die pauze echter voor gekozen aan zijn voornemen verdere uitvoering te geven. Hij heeft toen een hamer gepakt en zijn dochter daarmee diverse keren op haar hoofd, rug en handen geslagen. Toen zijn dochter niet meer bewoog heeft verdachte haar in de zak gedaan en haar in de ondergrondse put gegooid. Dergelijke gedragingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank slechts worden uitgelegd als uitingen van het vaste voornemen zich te ontdoen van het lichaam op een wijze dat dit wellicht nooit meer gevonden zou worden.

Op grond van de feitelijke handelingen die verdachte heeft ondernomen, nadat hij het besluit moet hebben genomen zijn dochter te doden, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van zijn daad. De rechtbank acht derhalve ook de voorbedachte raad bewezen

Hoe sterk het voorgenomen plan van verdachte om zijn dochter van het leven te beroven was, leidt de rechtbank ook af uit de handelingen die verdachte diezelfde dag nog heeft verricht. Na haar lichaam te hebben verstopt, verkeerde verdachte blijkbaar tot zijn aanhouding in de veronderstelling dat de uitvoering van zijn plan was geslaagd. Zo deed verdachte diezelfde dag (pas na aandringen van zijn gezinsleden) ’s avonds aangifte van vermissing van zijn dochter op het politiebureau en gaf hij daarbij aan dat hij zijn dochter die ochtend om 07:00 uur voor het laatst telefonisch had gesproken. Daarnaast bevat het dossier zeer sterke aanwijzingen op grond waarvan de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte in naam van zijn dochter een afscheidsbericht via MSN heeft verstuurd: verdachte is op 2 juni 2009 rond 14.00 uur op het station gezien , het emailadres van [slachtoffer] werd om 13.56 uur benaderd vanaf het IP-adres van het internetcafé [naam], gevestigd naast het station Haarlem, en bij verdachte is in zijn fouillering zowel een briefje van dit internetcafé als een briefje met het e-mailadres en het wachtwoord van zijn dochter aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte op deze wijze voor de buitenwereld een verklaring willen creëren voor de verdwijning van zijn dochter, zodat er geen (opsporings)onderzoek zou worden ingesteld en hij zelf buiten schot zou blijven.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2

[slachtoffer], geboren op [geboortedatum], heeft tegenover de politie verklaard dat zij seksueel is misbruikt door haar vader, verdachte [verdachte]. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij onder neuken verstaat, dat de piemel in de vagina gaat en dat haar vader met haar heeft gevreeën en geneukt. Dit gebeurde bij hen thuis als daar niemand anders van het gezin aanwezig was, of in de auto. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat haar vader overal aan haar heeft gezeten, en in elk geval ook aan haar borsten en vagina. Verdachte raakte haar borsten aan en hij neukte haar in haar vagina. Soms vingerde hij haar ook. Verder heeft zij haar vader gepijpt. Wanneer zij en haar vader seksuele handelingen verrichtten in de auto, gebeurde dat meestal op dezelfde plek, vlak bij een zeetje. Als ze thuis seks hadden trok haar vader zijn en haar kleding helemaal uit, in de auto ging de kleding soms niet helemaal uit. Wanneer [slachtoffer] met haar vader wegging, en dit kon wel drie keer per week zijn, gingen zij het met elkaar doen. In de auto ging de stoel naar achteren, verdachte ging dan op haar. [slachtoffer] heeft verklaard dat haar vader wist dat zij al in december 2007 ontmaagd was en dat het misbruik is begonnen eind 2008, begin 2009, en dat haar vader het op 2 juni 2009 ook wilde doen. In haar op 7 januari 2010 gedane aangifte heeft [slachtoffer] nogmaals aangegeven dat het seksueel misbruik plaatsvond bij haar thuis in Haarlem en in de auto van haar vader op voor haar onbekende plaatsen.

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer]

De raadsman van verdachte heeft, onder verwijzing naar een briefrapport van psycholoog [psycholoog], het standpunt ingenomen dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en niet als bewijsmiddel kunnen dienen. Daartoe is aangevoerd dat de zogenoemde disclosure (de eerste keer dat aangeefster over het vermeende misbruik heeft verteld) tot stand is gekomen op basis van een gesloten vraag van een van de verbalisanten, verbalisanten informatie hebben ingevuld, aangeefster slechts summiere verklaringen heeft afgelegd en zij van verbalisanten positieve feedback heeft ontvangen op door hen ‘gewenste’ informatie. Daar komt nog bij, aldus de raadsman, dat aangeefster door haar zwakbegaafdheid gevoeliger is voor beïnvloeding dan normaal gesproken het geval zou zijn.

De rechtbank overweegt dat in haar algemeenheid in zaken als deze bij de beoordeling van de verklaringen waarin het begaan van zedenmisdrijven aan de orde is, de nodige behoedzaamheid dient te worden betracht.

De rechtbank is echter na kennisneming van de letterlijk uitgewerkte verhoren van aangeefster waarin zij verklaart over het seksueel misbruik, van oordeel dat die verhoren op een zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Daarbij zijn aangeefster geen vragen gesteld noch zijn opmerkingen gemaakt die haar mogelijk hebben kunnen beïnvloeden of haar in een zodanige positie hebben kunnen brengen, dat zij een verklaring zou hebben afgelegd, die zij – naar de inhoud daarvan bezien – niet wilde afleggen. Dat aangeefster zwakbegaafd zou zijn, is voor de rechtbank, zoals hiervoor onder 2.3. reeds is overwogen, niet althans onvoldoende aannemelijk geworden. Ook overigens kan uit de vele verhoren van aangeefster niet de indruk ontstaan dat zij gevoelig zou zijn voor beïnvloeding. De rechtbank acht, alles overziende, de door aangeefster in haar verhoren afgelegde verklaringen over het seksueel misbruik betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Het door de raadsman overgelegde briefrapport van psycholoog [psycholoog] kan daaraan niet afdoen. Dat aangeefster tegenover anderen dan de politie het seksueel misbruik heeft ontkend en zich in zijn algemeenheid niet negatief heeft uitgelaten over (het hebben van) seks, doet hier evenmin aan af.

De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak nader onderzoek te laten verrichten naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, zoals dit voorwaardelijk is verzocht door de raadsman.

De verklaringen van aangeefster vinden naar het oordeel van de rechtbank bovendien ondersteuning in de volgende feiten en omstandigheden.

Familieleden hebben over de relatie tussen aangeefster en verdachte verklaard dat hun band intiemer was dan de band tussen verdachte en zijn andere kinderen en dat verdachte en zijn dochter [slachtoffer] soms samen weggingen , dat hun relatie sinds een half jaar zeer goed was en verdachte zijn dochter overal mee naar toe nam , of dat ze samen (’s avonds) weggingen.

Een nicht van [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte wist dat [slachtoffer] ontmaagd was en dat zij, verdachte en zijn dochter, nadien een goede band kregen. Na december 2008 werd de band tussen verdachte en zijn dochter nog beter. Ze gingen ’s avonds of ’s nachts samen naar buiten. Zij waren ineens heel close, volgens deze getuige. Ook verklaart deze getuige dat [slachtoffer] vertelde dat zij met haar vader ging afspreken.

Een schoolvriendin van aangeefster heeft verklaard, dat verdachte alles van haar wist, dat zij, verdachte en aangeefster, een goed contact hadden en dat aangeefster haar heeft verteld dat zij met haar vader rondjes was wezen rijden in de auto.

Een vriendin en buurmeisje van aangeefster heeft verklaard dat [slachtoffer] en haar vader erg close waren en dat zij één tot twee keer per week samen op pad gingen.

Verder is op de passagiersstoel in de auto van verdachte een spermaspoor aangetroffen. Het daaruit verkregen DNA-profiel matcht met dat van verdachte, de berekende frequentie is kleiner dan één op één miljard. De aanwezigheid van dit spermaspoor op de passagiersstoel in de auto van verdachte duidt erop dat verdachte in zijn auto minimaal één keer seksuele handelingen moet hebben verricht. De onderzoeksbevinding ondersteunt de verklaring van [slachtoffer] dat de ontuchtige handelingen ook in de auto van haar vader plaatsvonden, waarbij de stoel naar achteren werd gedaan en haar vader op haar kwam.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, redengevend voor het bewijs dat verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn dochter die destijds 14 of 15 jaar oud was, welke handelingen telkens mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Van een schending van het voorschrift van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is dan ook geen sprake.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat de ontuchtige handelingen een aanvang hebben genomen op 1 januari 2008. De rechtbank gaat uit van de verklaring van aangeefster dat de handelingen eind 2008, begin 2009 zijn begonnen en acht om die reden een kortere periode bewezen dan is ten laste gelegd.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. Primair: hij op 2 juni 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zijn, verdachtes, dochter, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met zijn, verdachtes, handen de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden en

- met kracht met een zaklantaarn en een hamer heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) van die [slachtoffer] en

- die [slachtoffer] in een plastic zak heeft gestopt en

- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] in die (afgesloten) plastic zak zat, die [slachtoffer] heeft gebracht in een deels met water gevulde ondergrondse put,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 2 juni 2009 te Haarlem of elders in Nederland, met [slachtoffer], zijn, verdachtes, dochter, geboren op [geboortedatum], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen zijn, verdachtes, penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer], en/of

- meermalen zijn, verdachtes, penis gebracht in de mond van die [slachtoffer], en/of

- meermalen zijn, verdachtes, vinger(s) gebracht in de vagina van die [slachtoffer], en

- meermalen de kleren van die [slachtoffer] geheel of gedeeltelijk uitgetrokken en meermalen die [slachtoffer] aangeraakt aan/bij en/of gevoeld aan de (deels of geheel ontblote) borst(en) en/of de (deels of geheel ontblote) vagina en/of elders aan/bij het (deels of geheel ontblote) lichaam van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

1 primair: poging tot moord;

2: met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en met name uit de bespreking aldaar van het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 17 december 2009, opgemaakt door [psycholoog], psycholoog, en [psychiater], psychiater, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 2 juni 2009 met voorbedachte raad geprobeerd zijn toen 15-jarige dochter van het leven te beroven. Hij heeft haar met dat doel naar zijn werk gelokt en daar, in een afgesloten, voor het publiek niet toegankelijke en aardedonkere ruimte in de kelder van de Brinkmannpassage, eerst geprobeerd haar te wurgen en haar daarna met een zaklamp en hamer diverse malen met kracht op het hoofd geslagen. Toen zijn dochter niet meer bewoog en verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij aan de door hem gepleegde geweldshandelingen was overleden, heeft hij haar lichaam in een grote plastic zak gedaan en in een ondergrondse deels met water gevulde vetput gestopt en deze met een zwaar deksel afgesloten. Verdachte heeft op doordachte en zeer geraffineerde wijze getracht het misdrijf te verdoezelen door de telefoon van zijn dochter weg te nemen, haar simkaart in stukken te knippen en een gefingeerd MSN-bericht te versturen vanaf haar emailaccount. Hij heeft zijn familie en de politie in de waan willen laten dat zijn dochter op eigen initiatief van huis was weggelopen zodat zij niet naar haar op zoek zouden gaan en de verdenking van betrokkenheid bij haar verdwijning in elk geval niet op hem zou vallen. Als door een wonder is het aangeefster gelukt zichzelf uit die put te bevrijden, de afgesloten (donkere) kelderruimte te verlaten en hulp te zoeken. Zij is met spoed naar het ziekenhuis overgebracht, is aan ernstig hersenletsel geopereerd en heeft de moordpoging van haar eigen vader weten te overleven.

Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij heeft geprobeerd zijn eigen dochter op deze brute, gewelddadige en respectloze wijze van het leven te beroven. Van de angst en ontreddering die zijn dochter moet hebben gevoeld toen zij, gewikkeld in een plastic zak, voor dood was achtergelaten in de ondergrondse deels met stinkend water gevulde put in de aardedonkere kelderruimte kan de rechtbank zich slechts een voorstelling maken. Uit de planmatige wijze waarop verdachte te werk is gegaan en uit de aard van de handelingen, kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat verdachte zonder enig mededogen en met een ijzige kilheid moet hebben gehandeld. Binnen de categorie misdrijven tegen het leven beoordeelt de rechtbank deze casus als een van de gruwelijkste soort, waarin enkel en alleen door het doorzettingsvermogen van het (ernstig gewonde) slachtoffer niet van een voltooide moord sprake is.

Voorafgaand aan dit gruwelijke feit heeft verdachte ook nog gedurende ongeveer een half jaar feitelijk een seksuele relatie met zijn dochter onderhouden. Door daartoe het initiatief te nemen in een door afhankelijkheid gekenmerkte relatie als een vader-dochterrelatie per definitie is, heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn dochter en haar seksuele ontwikkeling ernstig verstoord.

Een directe relatie tussen beide ten laste gelegde en thans bewezen verklaarde feiten heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen, maar de stukken van het dossier bieden voldoende aanwijzingen dat sprake is geweest van een abnormale en ongezonde vader-dochterrelatie waarin verdachte zijn dochter niet de vrijheid en ruimte heeft gelaten zich op het gebied van seksualiteit zelfstandig te ontwikkelen.

Met het plegen van beide feiten heeft verdachte het vertrouwen dat een dochter in haar vader zou moeten kunnen stellen in zeer ernstige mate beschaamd en haar recht op een eigen invulling van haar leven en het leven zelf, alsmede haar seksualiteit, ernstig geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Niet uitgesloten is, dat verdachte’s dochter haar hele verdere leven de bedoelde last zal moeten dragen. De slachtofferverklaring die zich in het strafdossier bevindt, spreekt in dit verband boekdelen.

Verdachte heeft ogenschijnlijk geen, in elk geval geen volledige, verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, nu hij tot op heden heeft ontkend bovenstaande feiten te hebben gepleegd. Ter terechtzitting heeft verdachte zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Psycholoog [psycholoog] en psychiater [psychiater], voornoemd, geven in het door hen opgestelde PBC-rapport aan dat verdachte geen enkele medewerking heeft willen verlenen aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Hierdoor kon slechts op basis van observaties en beschikbare informatie geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische stoornis bij verdachte. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een stemmingsstoornis of een angststoornis. Verdachte maakte in het Pieter Baan Centrum geen impulsieve of ontremde indruk. Een persoonlijkheidsstoornis kon niet worden vastgesteld noch met zekerheid worden uitgesloten. De rechtbank neemt deze conclusies van de deskundigen – die zij mede aannemelijk acht in het licht van haar eigen waarneming ter terechtzitting en de stukken in het dossier – over en maakt die tot de hare. Gelet hierop is zij van oordeel dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf dan een die een langdurige vrijheidsbeneming meebrengt, dient te worden opgelegd. De rechtbank ziet in de uitzonderlijke omstandigheden van deze concrete zaak – die zich niet of nauwelijks voor een vergelijking met andere zaken leent – aanleiding verdachte een hogere vrijheidsbenemende straf op te leggen dan doorgaans ten aanzien van een niet voltooid levensdelict pleegt te worden opgelegd. De rechtbank zal evenwel een lagere straf opleggen dan welke door de officier van justitie is gevorderd, nu een gevangenisstraf van 18 jaren, hoe gruwelijk de feiten ook zijn, naar het oordeel van de rechtbank te veel afwijkt van de gangbare rechterlijke straftoemeting, zeker ook als wordt gekeken naar de straffen die voor voltooide levensdelicten plegen te worden opgelegd. De rechtbank heeft in de persoon van de verdachte, voor zover daarvan is kunnen blijken, geen enkele reden gezien tot een matiging van de op te leggen straf te komen.

Ook voor matiging van de straf met toepassing van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, zoals door de raadsman bepleit, nu sprake zou zijn van een ernstig en onherstelbaar (vorm)verzuim in het voorbereidend onderzoek, aangezien door verbalisanten opzettelijk de verdachte wellicht ontlastende delen uit een verklaring van aangeefster zijn weggelaten in het desbetreffende proces-verbaal, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Weliswaar heeft de rechtbank ter terechtzitting inderdaad vastgesteld dat het op DVD vastgelegde verhoor van aangeefster van 3 augustus 2009 gedeeltelijk geen juiste weerslag heeft gekregen in het daarvan opgemaakte proces-verbaal doordat de weergave in het desbetreffende proces-verbaal (op pagina 403, onderaan) onvolledig is geweest, maar anders dan de raadsman die in dit verband van opzettelijke misleiding spreekt acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat de verbalisanten hier doelbewust hebben geopereerd met de bedoeling de rechtbank in het kader van de bewijsvraag te misleiden. Gelet hierop en nu het gebrek ter terechtzitting hersteld is kunnen worden door het opgenomen verhoor aan een eigen waarneming van de rechtbank te onderwerpen, zal de rechtbank aan deze oneffenheid geen gevolgen verbinden.

Tenslotte acht de rechtbank evenmin een grond voor strafmatiging gelegen in de omstandigheid dat op 7 december 2009 op de plaats delict een schouw is gehouden. Zoals onder 4.1 al aangegeven, is daardoor – anders dan de raadsman van opvatting is – nader onderzoek niet illusoir geworden.

8. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven batterij van een mobiele telefoon (Samsung), waarvan de officier van justitie de verbeurdverklaring heeft gevorderd, dient te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Naar het oordeel van de rechtbank komt verbeurdverklaring van dit voorwerp niet in aanmerking, nu niet alleen geen directe relatie met een van de bewezen verklaarde feiten zoals bedoeld in artikel 33a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangetoond, maar bovendien niet is komen vast te staan dat dit voorwerp toebehoort aan verdachte. Integendeel, op grond van de stukken in het dossier dient ernstig rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat de hier bedoelde batterij van een mobiele telefoon – gevonden in de auto van de verdachte (waarin ook de na te noemen SIM-kaart is gevonden) – toebehoort aan aangeefster.

De onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven SIM-kaart (T-mobile), althans een gedeelte daarvan, dient naar het oordeel van de rechtbank te worden teruggegeven aan [slachtoffer]. Op grond van de stukken in het dossier is komen vast te staan dat deze simkaart aan haar toebehoort. Het belang van strafvordering verzet zich niet langer tegen teruggave.

9. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 9.675,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

- daggeldvergoeding ziekenhuis ad € 175,- en

- voorschot immateriële schadevergoeding ad € 9.500,-.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 5.175,- eenvoudig is vast te stellen, rechtstreeks voortvloeit uit de onder 4.3. bewezen verklaarde feiten en voor vergoeding in aanmerking komt. Dit bedrag bestaat uit de – door verdachte niet betwiste – daggeldvergoeding ziekenhuis en een bedrag van € 5.000,- als voorschot op de eventueel (later) toe te kennen immateriële schadevergoeding, welk bedrag de rechtbank op grond van de aard en de ernst van de feiten redelijk en billijk acht.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 5.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij [slachtoffer] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 4.3. bewezen verklaarde feiten is toegebracht.

Opdat de benadeelde partij niet zelf wordt belast met de inning van het toegewezen bedrag zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, te weten

€ 5.175,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 45, 57, 245 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 5.175,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [bankrekening], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 5.175,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- 1.00 STK Telefoontoestel Kl: zwart, SAMSUNG, 14557, batterij mobiele telefoon.

Gelast de teruggave aan aangeefster [slachtoffer] van:

- 1.00 STK SIM-kaart, T-Mobile, 14822.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. E.M. ten Bos en mr. M.M. van den Berg,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 juni 2010.