Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7495

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-06-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/2071& AWB 10/2073
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP2812, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

8:86 Awb, kapvergunning, vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning voor de bouw van een nieuwbouwgedeelte (gemeenschapscentrum) naast kerk. Welstand alsmede aspecten van ruimtelijke onderbouwing bestreden. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 2071 (voorlopige voorziening) en 10 - 2073 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juni 2010

in de zaak van:

[naam eiser 1],

[naam eiser 2],

[naam eiser 3],

[naam eiser 4],

[naam eiser 5],

[naam eiser 6],

[naam eiser 7],

wonende te [woonplaats],

eisers,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beemster,

verweerder,

derde partij,

[naam derde partij],

gevestigd te Middenbeemster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2009 heeft verweerder aan de derde partij vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en een bouwvergunning verleend ten behoeve van het oprichten van een gemeenschapscentrum op het perceel [locatie].

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 15 oktober 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 april 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie voor bezwaar- en beroep van 26 januari 2010.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 25 april 2010 beroep ingesteld. Bij brief van diezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 20 mei 2010, alwaar eisers [naam eiser 1], [naam eiser 3], [naam eiser 4] en [naam eiser 5] in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H.K. Pieters, werkzaam bij de gemeente Beemster. De derde partij is vertegenwoordigd door [naam 1], [naam 2], [naam 3], en [naam 4], bijgestaan door hun gemachtigde mr. J.M. Neefe.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de voorzieningenrechter is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Het bouwplan voorziet in het aanbouwen van een nieuwbouwgedeelte aan de oorspronkelijke Keyserkerk te Middenbeemster. De nieuwbouw zal als gemeenschapscentrum fungeren en voorziet in voorzieningen als sanitair, een keuken, een garderobe en een foyer. Met de bouw van het gemeenschapscentrum heeft de derde partij een breder en intensiever gebruik van de kerk voor ogen, voor zowel kerkelijke als niet-kerkelijke activiteiten.

2.3 Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Middenbeemster 1983’. Verweerder heeft vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, WRO verleend, onder de voorwaarden dat van de bouwvergunning pas gebruik mag worden gemaakt nadat het bestaande bijgebouwtje is gesloopt en nadat archeologisch onderzoek is uitgevoerd op basis van een door verweerder goedgekeurd Programma van Eisen. Eisers hebben overwegende bezwaren tegen het bouwplan.

2.4 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

2.5 Eisers voornaamste grond van beroep is dat zij twijfelen aan de noodzaak - en daarmee samenhangend het volume - van het bouwplan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat deze grond thans niet meer aan de orde kan komen, nu de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State hierover reeds een inhoudelijk oordeel heeft gegeven in de procedure omtrent de restauratievergunning (LJN BG3373), welke vergunning inmiddels onherroepelijk is geworden.

2.6 Voorts hebben eisers het welstandsadvies en de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit ten grondslag liggen bestreden. Eisers stellen dat verweerder in deze stukken te weinig aandacht heeft besteed aan het feit dat het bouwplan niet alleen naast een monument wordt opgericht, maar tevens zal moeten worden ingepast in een beschermd dorpsgezicht. Verweerder verwijst, volgens eisers, slechts naar het advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ) waarin volgens verweerder reeds is gekeken naar het beschermd dorpsgezicht en gaat daarbij voorbij aan het feit dat dit advies in het kader van de monumentenvergunning en niet in het kader van de bouwvergunning is afgegeven waardoor het toetsingskader te beperkt is gebleven. In dit verband hebben eisers nog verwezen naar het door hun ingediende tegenadvies van drs. mr. E.H. Mattie.

2.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder worden gevolgd in zijn opvatting dat de beoordeling van de inpasbaarheid van een bouwplan in zijn omgeving zowel in het kader van de monumentenvergunning als in het kader van de bouwvergunning plaatsvindt en de toetsing in dit opzicht elkaar deels overlapt. De verwijzing van verweerder naar het advies van de RDMZ is derhalve terecht, nu daarin ook aandacht wordt besteed aan het beschermd dorpsgezicht. In de ruimtelijke onderbouwing dient echter een toetsing plaats te vinden die verder gaat dan alleen de monumentenwet en in het kader van de welstand dient nog specifiek aandacht te worden gegeven aan de vormgeving, materiaalgebruik en detaillering van het bouwplan in relatie tot de omgeving.

2.8 In de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder getoetst aan het beschermd dorpsgezicht en geoordeeld dat sfeer, schaal en karakter van het beschermd dorpsgezicht niet worden aangetast door het bouwplan. Daarnaast heeft verweerder getoetst aan het streekplan Noord-Holland en het bouwplan tevens in een ruimere context beoordeeld. Verweerder heeft in de behandeling van de zienswijzen nog opgemerkt dat de hoogte van de nieuwbouw en de korte afstand tot de kerk geen gevolgen heeft voor de lichtinval en sfeer van de interieur van de kerk en dat de nieuwbouw zich aan de zuidkant bevindt, waardoor deze vooral van de voorzijde te zien is en de beeldwaarde van de andere, meer in het zicht liggende zijdes intact wordt gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder daarmee ook andere ruimtelijke aspecten dan de verhouding tot het monument in zijn oordeel betrokken en is de ruimtelijke onderbouwing dan ook voldoende zorgvuldig op dit punt. Het door eisers ingediende advies van Mattie leidt niet tot een ander oordeel.

2.9 In het welstandsadvies heeft de Welstandscommissie overwogen dat zowel de vormgeving van het gebouw als de gekozen materialen en het kleurgebruik zich goed voegen in de gekozen kwetsbare plek. De voorzieningenrechter stelt vast dat de commissie daarmee blijk heeft gegeven zowel de situering als het uiterlijk in haar oordeel te hebben betrokken. Hoewel verweerder niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag hij aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derdebelanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Het tegenadvies van Mattie gaat in op het door verweerder in de ruimtelijke onderbouwing ingenomen standpunt dat schaal, sfeer en karakter van het beschermde dorpsgezicht niet worden aangetast. Het tegenadvies gaat niet in op de welstandsnota, noch op het welstandsadvies zelf, zodat verweerder daarin geen aanleiding heeft hoeven zien om van het welstandsadvies af te wijken.

2.10 Vervolgens hebben eisers aangevoerd dat het bouwplan een parkeerproblematiek met zich brengt. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder de ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van het onderdeel parkeren aangevuld. Hierin heeft verweerder gesteld dat circa 58 parkeerplaatsen op de marktpleinen zijn gelegen en dat op loopafstand van 200 tot 225 meter van de kerk nog eens circa 107 parkeerplaatsen zijn gelegen. Verder is de verwachting dat bezoekers van de kerk ook per fiets of te voet naar de kerk zullen komen. Ter zitting heeft de derde partij nog aangegeven dat bij hoge uitzondering (ongeveer 10 maal per jaar) het bezoekersaantal 250 zal bedragen. Dat is op huidige jaarbasis ongeveer 5 maal en dit heeft nimmer voor parkeerproblemen gezorgd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, het geheel overziende, geen sprake van een onzorgvuldige ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van de parkeersituatie. De voorzieningenrechter neemt daarbij nog in aanmerking dat de verenigingsleden die na realisatie van het bouwplan van de nieuwbouw gebruik zullen maken thans gebruiken maken van de kosterij, die zich ook op het plein bevindt. Voor een toename van verkeer als gevolg van deze verenigingsactiviteiten behoeft derhalve niet te worden gevreesd. Ook voor de overige activiteiten die in de nieuwbouw plaats zullen vinden, biedt de omgeving voldoende parkeerruimte, zo blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft in hetgeen eisers ten aanzien van het parkeren hebben aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien de vrijstelling te weigeren.

2.11 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

2.12 Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening tevens strekt tot schorsing van de aan de derde partij verleende kapvergunning oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. De kapvergunning is verleend voor het kappen van in totaal 5 bomen ten behoeve van het bouwplan, onder voorwaarde dat de bouwvergunning onherroepelijk is. Eisers hebben als enige grond voor schorsing van de kapvergunning aangevoerd dat starten met de kapactiviteiten totdat onherroepelijk is beslist op de bouwaanvraag onherstelbare gevolgen heeft. Nu, gelet op het vorenstaande, de bouwvergunning naar het oordeel van de voorzieningenrechter in stand kan blijven, bestaat geen aanleiding de verleende kapvergunning te schorsen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 2 juni 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.