Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7483

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/1375
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening, geen spoedeisend belang, gevolgen van het bouwplan voor de parkeersituatie niet op korte termijn te verwachten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 1375

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2010

in de zaak van:

[naam verzoekster],

gevestigd te Nieuw-Vennep,

verzoekster,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder,

derde partij,

[naam derde partij],

gevestigd te Nieuw-Vennep,

gemachtigde: [naam] te Aalsmeer.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2010 heeft verweerder vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend aan de derde partij ten behoeve van de bouw van een horecagelegenheid met kantoorruimte op het perceel [locatie].

Bij brief van 4 maart 2010 heeft verweerder verzoekster bericht dat van rechtswege een bouwvergunning eerste fase is verleend aan de derde partij ten behoeve van voornoemd bouwplan.

Tegen de brief van 4 maart 2010 heeft verzoekster bij brief van 16 maart 2010 beroep ingesteld. Bij brief van diezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 mei 2010, alwaar verzoekster is vertegenwoordigd door W.G. Markwat. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. K. Vreeker, werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. De derde partij is vertegenwoordigd door [naam].

2. Overwegingen

2.1 Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Ingevolge artikel 9.1.10, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (IWro) blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste of tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2.2 Ingevolge artikel 3.6 van de op 31 maart 2010 in werking getreden Crisis- en herstelwet (Chw) is aan artikel 9.1.10 van de IWro een (derde) lid toegevoegd, luidende: Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van een aanvraag om bouwvergunning en een besluit tot verlening daarvan in overeenstemming met een verleende vrijstelling als bedoeld in het eerste lid.

2.3 Ingevolge artikel 5.10, eerste lid van de Chw treedt artikel 3.6 van deze wet in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en werkt dit artikel terug tot en met 1 juli 2008.

2.4 Op 14 februari 2008 heeft de derde partij een bouwvergunning aangevraagd ten behoeve van het bouwen van een horecacomplex met daarboven kantoorruimten op het perceel [locatie]. Niet in geschil is dat dit bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, zodat verweerder deze aanvraag terecht tevens heeft aangemerkt als een verzoek om vrijstelling.

2.5 Bij besluit van 27 januari 2009 heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO verleend. Op 4 maart 2010 heeft verweerder mededeling aan verzoekster gedaan dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend, nu verweerder niet binnen de wettelijke termijn op de aanvraag om een bouwvergunning heeft beslist. Daarbij heeft verweerder verwezen naar de relevante bepalingen uit de Woningwet zoals deze luidt vanaf 1 juli 2008. De brief bevat vervolgens een rechtsmiddelenclausule waarin staat dat beroep kan worden ingesteld bij deze rechtbank. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat ingevolge de Chw de bepalingen van de Woningwet van vóór 1 juli 2008 hadden moeten worden toegepast en dat het beroep alsnog als bezwaar zal dienen te worden behandeld. Het vorenstaande betekent dat het besluit is gebaseerd op onjuiste regelgeving en daarom niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal het beroepschrift van verzoekster aan verweerder doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift en het onderhavige verzoek opvatten als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar.

2.6 Hoewel het bestreden besluit op formele gronden niet in stand zal kunnen blijven, betekent dit niet dat het verzoek om voorlopige voorziening reeds hierom voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal dienen te oordelen of het besluit in bezwaar kan worden hersteld en of er een spoedeisend belang bestaat om het besluit reeds nu, hangende de behandeling van het bezwaar, te schorsen.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat het formele gebrek, dat ten onrechte de Woningwet van na 1 juli 2008 aan het besluit ten grondslag is gelegd, op eenvoudige wijze in bezwaar kan worden gecorrigeerd. Gelet op artikel 49, derde lid, van de Woningwet (oud), gelezen in samenhang met artikel 49, tweede lid, onder a, onder 2 van de Woningwet (oud) moet de bouwvergunning geacht worden van rechtswege te zijn verleend op 27 januari 2010. Vervolgens zal gekeken dienen te worden naar de door verzoekster tegen de bouwvergunning ingediende bezwaren.

2.8 Verzoekster heeft met name bezwaren geuit tegen de wijze waarop verweerder de voor de thans vergunde horecagelegenheid en kantoorruimte noodzakelijk geachte parkeerplaatsen gaat realiseren. Het gebrek aan parkeerplaatsen in het centrum is schrijnend. Verweerder heeft toegezegd met het vernieuwingsplan voor het centrum van [plaats] extra parkeerruimte te creëren, maar het tegendeel is gebeurd, er zijn een groot aantal parkeerplaatsen verdwenen, aldus verzoekster. Bij de beoordeling of kan worden voorzien in de benodigde 89 openbare parkeerplaatsen heeft verweerder dan ook rekening gehouden met parkeerplaatsen die niet (meer) voor een groter publiek toegankelijk zijn. Hierbij wijst verzoekster er op dat de parkeergarage van [bedrijf] na 21:00 uur ’s avonds gesloten is, juist wanneer horecagelegenheden bezoekers verwachten en dat het nabij gelegen Hotel/Restaurant ‘[naam hotel/restaurant]’ een groot deel van zijn terrein met parkeerplaatsen thans voor eigen gebruik heeft afgesloten voor publiek. Volgens verzoekster zal er, na realisering van het bouwplan, nog grotere druk komen op de weinige beschikbare parkeerruimte met alle nadelige gevolgen van dien voor de reeds aanwezige horecagelegenheden, waartoe ook verzoekster behoort.

2.9 Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat ten tijde van het primaire besluit ervan werd uitgegaan dat de 89 benodigde parkeerplaatsen grotendeels op het terrein bij ‘[naam hotel/restaurant]’ zouden kunnen worden gerealiseerd. Hij heeft ter zitting aangegeven dat bij de behandeling van het bezwaarschrift de bezwaren van verzoekster nader zullen worden onderzocht maar dat er vooralsnog van uit wordt gegaan dat indien het terrein van ‘[naam hotel/restaurant]’ onvoldoende plaatsen biedt, de eventueel nog ontbrekende parkeerplaatsen binnen het in de parkeerbalans aangeduide plangebied nvc 1, waarin het bouwplan is gelegen, moeten kunnen worden gerealiseerd. Verweerder heeft ter zitting voorts benadrukt dat de noodzaak van het treffen van een voorlopige voorziening niet aanwezig is, daar de derde partij nog geen bouwvergunning tweede fase heeft aangevraagd en heeft aangegeven dat eerst met de bouw zal worden gestart nadat 60% van het complex is verkocht.

2.10 De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu nog geen uitvoering wordt gegeven aan de bouwvergunning eerste fase, een bouwvergunning tweede fase nog niet is aangevraagd, en het feit dat de derde partij heeft aangegeven eerst te zullen aanvangen met de bouwwerkzaamheden nadat ten minste 60% van het complex is verkocht, er thans geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster ondervindt thans, en naar verwachting ook op korte termijn, geen concrete nadelige gevolgen van het bouwplan. Hoewel de parkeersituatie, zoals verzoekster terecht heeft gesteld, slechts in bouwvergunning eerste fase aan de orde kan worden gesteld, ziet de voorzieningenrechter niet in waarom de beoordeling van de door haar naar voren gebrachte bezwaren in de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.

2.11 Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.