Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7457

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/2613
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP4737, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om openbaarmaking van documenten over de JSF-Businesscase. Geheimhouding. Proces- en onderhandelingspositie met oog op arbitrageprocedure.Belang van betrekking van Nederland met de Verenigde Staten. Niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 2613

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 mei 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

de minister van Economische Zaken,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2009 heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van informatie die de opvatting van het Ministerie van Economische Zaken weergeeft ten aanzien van de medefinancieringsovereenkomst inzake de Joint Strike Fighter (hierna: JSF) business case, gedeeltelijk afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 april 2009 heeft verweerder het bezwaar deels gegrond verklaard, alsnog 14 documenten openbaar gemaakt en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 20 mei 2009, aangevuld bij brief van 5 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij brief van 24 juni 2009 heeft verweerder een verweerschrift en de op het geding betrekking hebbende stukken toegezonden, met het verzoek om geheimhouding van de stukken genoemd in onderdeel B van de lijst van bijlagen.

Bij beslissing ex artikel 8:29, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 27 augustus 2009 heeft de rechtbank dit verzoek toegewezen.

Bij fax van 11 september 2009 heeft eiser de rechtbank toestemming te geven om mede op grond van deze stukken uitspraak te doen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 januari 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.R. Stein en drs. M.J.M. Goos, beiden werkzaam bij het ministerie van Economische Zaken.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

b. bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan;

c. intern beraad: het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan, dan wel binnen een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor een bestuurlijke aangelegenheid.

f. persoonlijke beleidsopvatting: een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde documenten.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij de wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie.

Ingevolge het tweede lid draagt het bestuursorgaan er zoveel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.

Ingevolge artikel 3, vijfde lid, wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.

Ingevolge het tweede lid blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

[…]

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

[…]

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Ingevolge het derde lid is het tweede lid, aanhef en onder e, niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, wordt in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ingevolge het tweede lid kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.

2.2 Eiser heeft op 3 december 2008 verzocht om openbaarmaking van documenten die de opvatting van het Ministerie van Economische Zaken weergeven ten aanzien van de medefinancieringsovereenkomst (hierna: MFO) inzake de JSF-businesscase, gedurende de periode van 1 juli 2008 tot 3 december 2008. Hij heeft met name verzocht om:

1. de presentatie (van argumenten) van of namens het Ministerie die is ingebracht in genoemde onderhandelingen over de MFO,

2. en/of de uitwisseling van documenten en/of e-mails over de onderhandelingen over de MFO, binnen het Ministerie,

3. documenten/e-mails over dit onderwerp tussen (beleidsambtenaren van) het Ministerie van Economische Zaken en andere ministeries.

2.3 Het bestreden besluit behelst de weigering tot openbaarmaking van 58 documenten en de gedeeltelijke openbaarmaking van 20 documenten, waarvan er 14 gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt bij het bestreden besluit.

2.4 Het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob dient uitsluitend het algemene belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. Uitgangspunt van de Wob is dan ook openbaarheid te geven aan documenten waardoor de burger in de gelegenheid wordt gesteld de bestuurlijke besluitvormingsprocessen te volgen dan wel te doorzien. Van deze verplichting tot openbaarmaking kunnen slechts worden uitgezonderd, die documenten die vallen onder de in de wet opgenomen uitzonderingsgronden.

2.5 Verweerder heeft voornoemde weigering gebaseerd op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, b, e en g en artikel 11, eerste en tweede lid, Wob.

2.6 Ter beantwoording staat de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat in door hem als zodanig aangegeven documenten, sprake is van bedrijfs- en fabricagegegevens in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob en of de op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob geweigerde stukken beleidsopvattingen bevatten. Voorts staat de vraag ter beantwoording of verweerder op goede gronden geoordeeld heeft dat voor de overige, door hem als zodanig aangegeven documenten, de belangen als genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, b, e en g, van de Wob aan de orde zijn. Bij bevestigende beantwoording van de tweede vraag dient vervolgens te worden beoordeeld of verweerder deze belangen in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat gediend is bij openbaarmaking van de betreffende documenten.

2.7 Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb van de betreffende stukken kennis te hebben genomen, overweegt de rechtbank ten aanzien hiervan als volgt.

2.8 Uit het beroepschrift blijkt, en ook ter zitting is door eiser verklaard, dat eiser zich niet verzet tegen het weglakken van namen in de bestreden documenten. Met betrekking tot de documenten waarbij verweerder zich heeft beroepen op artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob, te weten eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met het oog op in de stukken genoemde namen, zal de rechtbank de beoordeling van genoemde weigeringsgrond dan ook achterwege laten.

2.9 Aangezien diverse documenten door verweerder zijn verstrekt aan het Netherlands Industrial Fighter Aircraft Replacement Platform (hierna: NIFARP) met het oog op de gevoerde arbitrageprocedure, betoogt eiser dat verweerder jegens hem geen beroep meer kan doen op in de Wob opgenomen weigeringsgronden. Hij stelt zich op het standpunt dat nu de beide partijen, verweerder en NIFARP, op de hoogte zijn van de documenten openbaarmaking niet meer schadelijk kan zijn voor de procespositie van deze partijen. Bovendien is de arbitrageprocedure inmiddels afgerond, hetgeen temeer pleit voor openbaarmaking van de documenten.

2.10 Verweerder bestrijdt het standpunt van eiser dat reeds aan NIFARP verstrekte documenten als openbaar dienen te worden beschouwd. Hij benadrukt dat deze documenten onder geheimhouding zijn verstrekt aan haar wederpartij met oog op de onderhandelingen en de arbitrageprocedure. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat bepaalde documenten hier in geding onder geheimhouding zijn verstrekt aan NIFARP.

2.11 Een geheimhoudingsverklaring welke geldt tussen twee partijen kan niet in de weg staan aan de plicht van een bestuursorgaan tot openbaarmaking van documenten als is opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de Wob. Dit laat onverlet dat ten aanzien van stukken die onder geheimhouding zijn verstrekt, absolute of relatieve weigeringsgronden als opgenomen in de Wob kunnen gelden welke aan openbaarmaking in de weg staan. Onder 2.13 en verder zal op de door verweerder ingeroepen weigeringsgronden worden ingegaan. Het standpunt van eiser dat verweerder geen beroep meer kan doen op weigeringsgronden ten aanzien van documenten die onder geheimhouding aan derden zijn verstrekt, is onjuist. In zoverre treft het betoog van eiser geen doel.

2.12 Het gegeven dat de arbitrageprocedure is afgerond, waarmee – zoals eiser heeft betoogd – belangrijke argumenten van verweerder om niet over te gaan tot openbaarmaking zijn komen te vervallen, speelt bij de beoordeling van dit geding geen rol. De rechtbank dient het beroep namelijk te beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit. Nu de arbitrageprocedure eind 2009 is afgerond, derhalve na de beslissing op bezwaar van 15 april 2009, dient dit gegeven bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep buiten beschouwing te blijven.

2.13 Verweerder heeft ten aanzien van verschillende stukken een beroep gedaan op de bescherming van zijn proces- en onderhandelingspositie ten opzichte van NIFARP, met name bij de documenten waarop verweerder de weigeringsgronden als genoemd in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b (economische en financiële belangen van de Staat) en g (voorkoming van onevenredige bevoordeling of benadeling) van de Wob van toepassing acht.

Het feit dat stukken, onder geheimhouding, zijn verstrekt aan NIFARP is bij de beoordeling of sprake is van een weigeringsgrond van belang. Uit de overgelegde stukken en uit het bestreden besluit wordt evenwel niet duidelijk welke stukken reeds aan NIFARP zijn verstrekt in het kader van de arbitrageprocedure. Ook heeft verweerder de omstandigheid dat bepaalde stukken aan het NIFARP zijn verstrekt, niet betrokken in de besluitvorming. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk op welke wijze de economische en financiële belangen van de Staat kunnen worden geschaad, dan wel sprake kan zijn van onevenredige bevoordeling of benadeling, indien stukken die in de arbitrageprocedure ter kennis van de wederpartij zijn gebracht, openbaar worden gemaakt. Verweerder kan in dit verband niet volstaan met de enkele verwijzing naar onderhandelingen, dan wel de arbitrageprocedure.

Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en tevens in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet deugdelijk gemotiveerd.

2.14 Eiser betoogt verder dat de per document gegeven motivering van verweerder, die bestaat uit vermelding van het artikel op grond waarvan de openbaarmaking is geweigerd, te beperkt is. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder vaker documenten deels openbaar had kunnen maken, dan wel vaker hiervan een samenvatting had kunnen verstrekken.

2.15 De rechtbank stelt vast dat verweerder, op een beperkt aantal documenten na, meerdere weigeringsgronden per document aanwezig acht. Ten aanzien van deze door verweerder gehanteerde weigeringsgronden is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd op welke passages van het betreffende document de genoemde weigeringsgronden betrekking hebben. Met name dient verweerder daar waar verweerder van mening is dat sprake is van interne beleidsopvattingen, aan te geven om welke passages het gaat. Ook op dit punt acht de rechtbank het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

2.16 Met betrekking tot het beroep van verweerder op bescherming van het belang van de betrekkingen van Nederland met andere staten, in dit geval de Verenigde Staten (hierna: VS) (artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob) overweegt de rechtbank als volgt.

2.17 Met eiser is de rechtbank van oordeel dat nu verweerder heeft nagelaten aan de VS te vragen of de betreffende documenten met het oog op het verzoek hier in geding kunnen worden vrijgegeven, verweerder op grond van uitsluitend de documenten niet heeft kunnen concluderen dat openbaarmaking van deze documenten de betrekkingen tussen beide landen zou kunnen schaden. De in het verweerschrift betrokken stelling “voor een ieder die de internationale contacten over een dergelijk gevoelig dossier kent stond bij voorbaat vast dat hiermee zeer vertrouwelijk diende te worden omgegaan”, is als motivering voor de weigering informatie te verstrekken op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob niet voldoende. Verweerder dient deugdelijk te motiveren dat openbaarmaking van de betreffende documenten de betrekkingen van Nederland met de VS daadwerkelijk zal schaden.

2.18 Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder in de besluitvorming niet alle onder het verzoek vallende documenten heeft betrokken. Daarnaast is de rechtbank gebleken dat bij diverse documenten niet de daarin genoemde bijlagen zijn opgenomen, terwijl deze moeten worden geacht een (onlosmakelijk) onderdeel te zijn van het betreffende document. Verweerder heeft derhalve niet volledig beslist op het verzoek van eiser.

2.19 Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiser.

De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder in de nadere besluitvorming tevens dient te betrekken het feit dat de arbitrageprocedure inmiddels is afgerond.

2.20 Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank het volgende op. In de overwegingen 2.11 en 2.12 heeft de rechtbank een beroepsgrond van eiser uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen. Eiser heeft op dit punt dus ongelijk gekregen. Als eiser wil voorkomen dat deze uitspraak op dit punt komt vast te staan, moet hij daartegen hoger beroep instellen.

2.21 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Niet gebleken is dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2009;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;

3.4 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.5 gelast dat de minister van Economische Zaken het door eiser betaalde griffierecht van € 150,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. J.M. Janse van Mantgem, rechters, en op 18 mei 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.