Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7389

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
AWB 09/5515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

last onder dwangsom

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 5515

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2010

in de zaak van:

[namen eiseressen],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

gemachtigde: drs T. Timmers, adviseur gevestigd te Rijswijk,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders Haarlemmermeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2009 heeft verweerder eiseressen onder aanzegging van een dwangsom gelast binnen één maand na de datum van verzending van dit besluit alle buiten opgeslagen goederen op het terrein gelegen aan de [locatie] te verwijderen en verwijderd te houden.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 22 juli 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van 29 september 2009, van de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 5 november 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 april 2010, alwaar [naam eiseres] namens eiseressen is verschenen bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Namens verweerder is A.H. Leroi verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseressen zijn de eigenaren van het perceel [locatie]. Op dit perceel zijn goederen (te weten stellages met stenen, betonplaten en zakken) buiten opgeslagen. Op 10 april 2009 en op 19 mei 2009 hebben gemeentelijke toezichthouders geconstateerd dat de buiten opgeslagen goederen vanaf de openbare weg zichtbaar zijn. Dergelijke buitenopslag is in strijd met artikel 84 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: APV). Voor de opslag is voorts geen ontheffing verleend. Verweerder heeft eiseressen bij brief van 2 juni 2009 kenbaar gemaakt voornemens te zijn een last onder dwangsom op te leggen vanwege de overtreding van dat artikel en heeft die last onder dwangsom bij besluit van 8 juli 2009 ook daadwerkelijk opgelegd. In bezwaar heeft verweerder zijn besluit gehandhaafd. Eiseressen kunnen zich niet verenigen met dit besluit.

2.2 De rechtbank zal eerst enkele processuele punten bespreken alvorens over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van het beroep.

2.3 Eiseressen hebben op grond van artikel 8:60, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vier personen, waaronder [naam eigenaar naburige perceel] (eigenaar van het naburige perceel), als getuigen opgeroepen. Desgevraagd hebben eiseressen ter zitting aangegeven dat deze getuigen kunnen verklaren over hetgeen door de vertegenwoordiger van de gemeente tijdens de hoorzitting op 8 september 2009 is gezegd. Nu verweerder in zijn verweerschrift aan heeft gegeven niet te betwisten dat de gemeenteambtenaar de gestelde opmerking heeft gemaakt ziet de rechtbank – hoewel het proces-verbaal die opmerking niet vermeld – geen aanleiding om daaraan verder te twijfelen. Zij ziet daarom geen noodzaak om de getuigen alsnog op te roepen.

2.4 Ter zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat getuige [naam eigenaar naburige perceel] is verschenen. Daar gebleken is dat hij degene is die verweerder heeft verzocht handhavend op te treden tegen de buitenopslag heeft de rechtbank hem als derdebelanghebbende toegelaten tot de zitting en de (beroeps)procedure.

2.5 Vervolgens zal de rechtbank over gaan tot de inhoudelijke beoordeling van onderhavig beroep.

2.6 Ingevolge artikel 84 van de APV is het – voor zover hier van belang – verboden op een plaats in de open lucht, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, op te slaan of opgeslagen te houden: oude en nieuwe materialen en stoffen (mestopslag en grond daaronder begrepen). Burgemeester en wethouders kunnen voor dit verbod een ontheffing verlenen. Bij overtreding van dit artikel is verweerder ingevolge artikel 125, eerste lid, Gemeentewet jo artikel 5:32, eerste lid, Awb bevoegd aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen.

2.7 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) blijkt dat in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.8 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van strijd met artikel 84 van de APV en dat verweerder om die reden bevoegd is handhavend op te treden. In onderhavig geval is - zoals door verweerder in het (primaire) besluit van 8 juli 2009 is overwogen en door eiseressen niet is betwist- geen concreet zicht op legalisatie. Als (bijzondere) omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhaving zou moeten afzien, is door eiseressen aangevoerd dat op het bedrijventerrein overal buitenopslag plaatsvindt en tegen de omliggende bedrijven, waar ook goederen buiten staan opgeslagen die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn, niet handhavend door verweerder wordt opgetreden zodat sprake is van willekeur. Daarnaast hebben zij verwezen naar een uitspraak waaruit zou blijken dat een bestuursorgaan op grond van de APV buitenopslag van goederen – op eigen terrein – niet mag verbieden. Tenslotte hebben eiseressen nog, met een beroep op het vertrouwensbeginsel, betoogd dat zij bij de afweging om het pand aan de [locatie] te kopen zwaar hebben laten meewegen dat een vertegenwoordiger van de gemeente te kennen heeft gegeven dat buitenopslag niet bezwaarlijk zou zijn.

2.9 Ten aanzien van de stelling van eiseressen dat sprake is van willekeur heeft verweerder aangevoerd dat gemeentelijke toezichthouders in het gehele gebied, waar ook eiseressen hun perceel hebben, controles hebben verricht. Daarbij is geconstateerd dat enkele bedrijven buitenopslag in de vorm van containers hebben geplaatst, dat een bedrijf zonder toestemming een deel van gemeentegrond in gebruik heeft genomen en dat op drie percelen (waaronder het perceel van eiseressen) goederen zichtbaar vanaf de weg worden opgeslagen. Geen van deze gevallen is vergelijkbaar met die van eiseressen, zo meent verweerder.

2.10 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de eerste twee hiervoor omschreven gevallen niet gelijk zijn aan onderhavig geval. Zoals verweerder ook heeft overwogen zijn containers aan te merken als bouwwerken in de zin van de Woningwet en geldt daarvoor een ander handhavingstraject op grond van de Woningwet. In het geval waarbij een bedrijf gemeentelijke gronden ten onrechte in gebruik heeft genomen is sprake van een privaatrechtelijke kwestie welke ook niet te vergelijken is met die van eiseressen. Een beroep op het verbod van willekeur faalt in die twee gevallen. De rechtbank merkt overigens op dat in bovengenoemde gevallen wel door verweerder wordt opgetreden tegen de geconstateerde “illegale” situatie.

2.11 Met betrekking tot de twee percelen waar de toezichthouders – evenals bij eiseressen – geconstateerd hebben dat goederen zichtbaar vanaf de openbare weg zijn opgeslagen, heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat het hier opslag van goederen betreft in het kader van de bedrijfsvoering. Verweerder heeft aangegeven dat op het bedrijventerrein “Spoorzicht” – waartoe ook het perceel [locatie] behoort – bedrijfsgerelateerde (buiten)opslag wordt toegestaan. Op het perceel [locatie] staan echter privé-goederen buiten opgeslagen. Voor privé-goederen geldt deze, aan het bestemmingsplan gerelateerde, uitzondering niet. Of die privé-goederen al dan niet achter hekwerken staan opgeslagen is niet van belang. Ook deze twee gevallen kunnen derhalve niet aangemerkt worden als gelijk aan dat van eiseressen.

2.12 De verwijzing van eiseressen naar een uitspraak (overigens zonder vindplaats) waarin de beslissing van de gemeente Leidschendam waarbij een Gamma-vestiging op grond van een nagenoeg identiek artikel van de APV verboden werd buitenopslag te hebben, geen stand hield, leidt niet tot een ander oordeel. In de genoemde casus werd geoordeeld dat een bedrijf het recht heeft om zijn bedrijventerrein economisch optimaal te benutten, echter zonder het bebouwde oppervlak tot grenzen zoals neergelegd in het bestemmingsplan uit te breiden. De uitspraak ziet derhalve op bedrijfsgerelateerde buitenopslag. Zoals onder r.o. 2.11 reeds is overwogen hanteert verweerder voor bedrijfsgerelateerde opslag andere normen dan voor privé-goederen. De uitspraak kan eiseressen, die privé-goederen buiten hebben opgeslagen, niet baten. Derhalve faalt deze beroepsgrond.

2.13 De rechtbank volgt ook niet de stelling van eiseressen dat zij op grond van verkregen informatie van een gemeenteambtenaar er op mocht vertrouwen dat buitenopslag zou zijn toegestaan. Zij overweegt daarbij dat een gemeenteambtenaar niet bevoegd is om besluiten met betrekking tot de uitvoering van de APV te doen. Het is immers primair aan verweerder te beslissen over de vraag of er al dan niet handhavend zal worden opgetreden tegen een met de APV strijdige situatie. Voor zover eiseressen al niet wisten, hadden zij behoren te weten dat toezeggingen door gemeenteambtenaren niet zonder meer aan verweerder kunnen worden toegerekend.

2.14 Nu van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van verweerder gevergd kan worden niet tot handhaving over te gaan geen sprake is, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Het beroep is derhalve ongegrond.

2.15 Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van R. ten Cate, griffier. De beslissing is op 31 mei 2010 in het openbaar uitgesproken.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.