Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7089

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-06-2010
Datum publicatie
09-06-2010
Zaaknummer
AWB 10/824
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het besluit van GS om ontheffing te verlenen voor het doden van reeën in het belang van de verkeersveiligheid alsmede ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen. Het beroep is gegrond, omdat onvoldoende is gemotiveerd dat de reeën schade aan gewassen hebben veroorzaakt dan wel dreigen te veroorzaken en voorts omdat onvoldoende is gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 824

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2010

in de zaak van:

Stichting De Faunabescherming,

gevestigd te Amstelveen,

eiseres,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder,

derde partij,

Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft verweerder de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland tot en met 17 maart 2014 ontheffing verleend van het verbod tot het verontrusten en doden van reeën, alsmede van het verbod het geweer te gebruiken voor zonsopgang en na zonsondergang.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 11 juli 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 januari 2010, verzonden op 19 januari 2010, heeft verweerder het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de hoor- en adviescommissie van 24 september 2009.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 13 februari 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 april 2010. Namens eiseres zijn verschenen A.P. de Jong en H.H. Niessen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Drahmann en mr. H. Schoordijk, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland. De derde partij werd vertegenwoordigd door P.B. van Houten en de heer de Jong.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 9 van de Flora- en faunawet (Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Ingevolge artikel 10 van de Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Ingevolge artikel 7, negende lid, onder a, van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren worden geweren niet gebruikt voor zonsopgang en na zonsondergang.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Ffw, voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74:

a. in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid;

(..).

c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren;

2.2 Vanwege de toename van het aantal botsingen tussen reeën en auto’s heeft verweerder besloten in het belang van de verkeersveiligheid ontheffing te verlenen van het verbod beschermde, inheemse diersoorten te doden dan wel opzettelijk te verontrusten. Voorts is de ontheffing verleend met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen. In bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij is bepaald dat het op grond van de ontheffing is toegestaan om reeën te doden tot een jaarlijkse streefstand van 90 reeën in de Wieringermeer, 492 reeën in Zuid-Kennemerland buiten de Amsterdamse Waterleidingduinen en 420 reeën in de Gooi en Vechtstreek buiten het Goois Natuurreservaat. Verder is bepaald dat de ontheffing geldig is vanaf de datum van ontvangst tot en met 31 december 2013. De ontheffing is verleend op basis van het Faunabeheerplan Noord-Holland 2009-2013.

2.3 Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Hiertoe voert zij allereerst aan dat niet is aangetoond dat sprake is van belangrijke schade aan gewassen. Uit het Faunabeheerplan 2009-2013 volgt juist dat in de voorliggende beheerperiode slechts incidenteel sprake is geweest van schade aan gewassen in Noord-Holland. De omvang van deze schade is niet bekend, zodat niet is aangetoond dat door reeën belangrijke schade aan gewassen is aangericht of dreigt te worden aangericht. De ontheffing had derhalve niet mogen worden verleend op grond van artikel 68, eerste lid, onder c, van de Ffw.

2.4 In het Faunabeheerplan is te lezen dat de door reeën aangerichte schade aan gewassen en bossen in de voorliggende periode is beperkt tot een incident, omdat werende middelen zijn ingezet en de populatie reeën in deze periode door afschot is gereguleerd. Uit het Faunabeheerplan blijkt echter niet waar en in welke mate zich schade heeft voorgedaan en welke maatregelen vervolgens met succes zijn ingezet, waardoor het aantal schadegevallen thans is beperkt tot een incident. Er kan derhalve niet worden vastgesteld dat afschot en inzet van werende middelen daadwerkelijk hebben geleid tot een afname van belangrijke schade en dat ook nu ter voorkoming van belangrijke schade ontheffing moet worden verleend. Het besluit is op dit punt derhalve onvoldoende gemotiveerd.

2.5 Verder heeft eiseres aangevoerd dat de in het Faunabeheerplan opgenomen streefstand voor de reeënpopulatie in de drie gebieden waarop de ontheffing betrekking heeft, volkomen willekeurig is. Bovendien is het tellen van het aantal reeën per definitie niet mogelijk, aldus eiseres.

2.6 In het Faunabeheerplan is aangegeven dat voor het berekenen van de gewenste streefstand gebruik wordt gemaakt van het door prof. Dr. J. van Haaften ontwikkelde waarderingsmodel. Het betoog dat de streefstanden willekeurig zijn vastgesteld, volgt de rechtbank dan ook niet. Met betrekking tot de wijze van tellen is ter zitting namens de Faunabeheereenheid aangegeven dat de populatieomvang weliswaar niet exact kan worden vastgesteld, maar dat het tellen altijd op dezelfde wijze geschiedt, zodat kan worden vastgesteld of de populatie in omvang is toe- of afgenomen. Aldus kan een redelijk goed inzicht worden verkregen in de groei of afname van de populatie en kan jaarlijks het benodigde afschot worden bepaald. De rechtbank kan de Faunabeheereenheid hierin volgen. Het betoog van eiseres faalt.

2.7 Eiseres heeft voorts betoogd dat het afschieten van reeën in het belang van de verkeersveiligheid zinloos is, omdat daarmee niet wordt voorkomen dat zij de weg oversteken.

2.8 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat afzien van beheer het risico in zich draagt dat de dichtheid van reeën zal toenemen, waardoor voedselconcurrentie en territoriaal gedrag ontstaat. Dit brengt een verhoogd migratiegedrag met zich mee, waardoor ook het aantal aanrijdingen zal stijgen. De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk. Het betoog dat het afschieten van reeën niet een effectief middel is om het risico op aanrijdingen te beperken, volgt de rechtbank dan ook niet.

2.9 Volgens eiseres wordt in het Faunabeheerplan geen inzicht gegeven in waar en onder welke omstandigheden zich aanrijdingen met reeën hebben voorgedaan en wat voor schade daarbij is opgetreden. Aldus kan niet worden vastgesteld in hoeverre het belang van verkeersveiligheid in het geding is, noch is het mogelijk om vast te stellen waar welke maatregelen moeten worden getroffen. Ook meent eiseres dat in plaats van afschot alternatieve maatregelen mogelijk zijn.

2.10 Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd dat het belang van openbare veiligheid in het geding is, nu uit het Faunabeheerplan blijkt dat zich aanrijdingen met reeën voordoen en een te hoge migratiedruk tot meer migratiebewegingen kan leiden. Voor het verlenen van een ontheffing van het verbod op het doden van reeën op grond van artikel 68 van de Ffw is echter voorts vereist dat er geen andere bevredigende oplossing voor handen is. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen ander bevredigende oplossingen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onvoldoende onderbouwd nu uit bestreden besluit noch uit het Faunabeheerplan blijkt waar zich in het verleden aanrijdingen hebben voorgedaan en welke alternatieve maatregelen vervolgens ter voorkoming van aanrijdingen zijn getroffen en niet bevredigend zijn gebleken. Gemachtigde van verweerder kon zelfs ter zitting geen inzicht geven in de maatregelen die verweerder als wegbeheerder heeft getroffen. De meer algemene overwegingen in het besluit dat wildspiegels, elektronische detectiesystemen en rasters vaak onvoldoende effectief zijn, zijn onvoldoende, nu daarmee geen blijk van is gegeven dat daadwerkelijk is gekeken naar de mogelijkheid van alternatieve maatregelen op de locaties waar aanrijdingen zich voordoen. Dit geldt te meer nu in het Faunabeheerplan is te lezen dat de maatregelen die in het gebied Zuid-Kennemerland zijn getroffen ten aanzien van het diersoort damhert, te weten de aanleg van een raster en het aanbrengen van een schermdoek, een positieve invloed hebben gehad op het terugbrengen van het aantal aanrijdingen met reeën.

2.11 Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.4 en 2.10 is het besluit genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw dienen te beslissen op het bezwaarschrift van eiseres.

2.12 Het verzoek van eiseres ter zitting om het primaire besluit te schorsen, wordt afgewezen, nu de rechtbank niet uitsluit dat de ontheffing met een verbeterde motivering stand kan houden.

2.13 Nu het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen onder meer voor vergoeding in aanmerking de door een partij gemaakte reiskosten. De reiskosten van de gemachtigden van verzoekster worden, op basis van het reizen met openbaar vervoer in de tweede klasse, begroot op € 22,10.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 14 januari 2010;

3.3 veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 22,10, te betalen aan eiseres;

3.4 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.5 gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland het door eiseres betaalde griffierecht van € 297,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.