Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM6402

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
02-06-2010
Zaaknummer
166860 / HA ZA 10-279
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2718, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 lid 4 BW van een manege jegens een vrijwilligster die bij een testrit op een nieuw paard in de buitenbak ten val is gekomen met ernstig letsel tot gevolg. Verwijzing door de kantonrechter die voorlopig heeft geoordeeld dat artikel 7:658 lid 4 BW in dit geval toepassing mist. Anders dan de kantonrechter acht de rechtbank artikel 7:658 lid 4 BW echter wel van toepassing, ook nu het gaat om vrijwilligerswerkzaamheden. De rechtbank is van oordeel dat de manege eiseres haar (vrijwilligers)werk heeft laten verrichten op een wijze en op een plaats die onvoldoende ingericht waren op de noodzaak om te voorkomen dat eiseres daarbij schade zou lijden. De manege heeft onvoldoende maatregelen genomen om de risico's te beperken. Voor toepassing van artikel 6:101 BW is geen ruimte, omdat met de toepassing van artikel 7:658 BW een eventuele correctie wegens 'eigen schuld' al is gegeven.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2010/120
NJF 2010/391
JA 2010/92
JIN 2010/443
JIN 2010/506
AR-Updates.nl 2010-0486
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166860 / HA ZA 10-279

Vonnis van 28 april 2010

in de zaak van

[Eiseres],

wonende te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Van,

tegen

de vennootschap onder firma

MANEGE SPAARNWOUDE V.O.F.,

gevestigd te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

gedaagde,

advocaat mr. R.F.L.M. van Dooren.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Manege Spaarnwoude genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het verwijzingsvonnis van de kantonrechter te Haarlem van 17 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De kantonrechter heeft in voornoemd tussenvonnis, op grond van zijn voorlopig oordeel dat de rechtsverhouding tussen partijen ten tijde van het ongeval niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst en evenmin wordt beheerst door artikel 7:658 lid 4 BW, de zaak verwezen in de stand waarin het zich bevond naar de sector civiel van deze rechtbank.

2.2. Voor de vaststaande feiten, de vordering en de grondslag daarvan, alsmede de beschrijving van het verweer, verwijst de rechtbank naar dit tussenvonnis.

2.3. De rechtbank is van oordeel dat tussen [eiseres] en Manege Spaarnwoude geen arbeidsovereenkomst bestond ten tijde van het ongeval. Daartoe is van belang dat [eiseres], zoals zij ter comparitie heeft verklaard, tot 2007 betaalde werkzaamheden voor Manege Spaarnwoude heeft verricht, maar daar toen mee is gestopt, omdat zij ging studeren. Wel bleef zij werkzaamheden verrichten voor het vierspanteam van [A], vennoot van Manege Spaarnwoude. Volgens de eigen verklaring van [eiseres] was dat echter ‘echt een hobby’. Sinds 2007 ontving [eiseres] dus geen loon voor haar inspanningen. De omstandigheid dat zij bij Manege Spaarnwoude paard mocht rijden tegen gereduceerd tarief maakt dat niet anders. Er was evenmin sprake van een gezagsverhouding tussen [eiseres] en Manege Spaarnwoude. De activiteiten die [eiseres] bij de manege ontplooide verrichtte zij als hobby, op vrijwillige basis en op tijdstippen die haar schikten.

2.4. Voorts is aan de orde de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door artikel 7:658 lid 4 BW. In dit artikel is bepaald dat ‘hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, overeenkomstig de leden 1 tot een met 3 aansprakelijk is voor schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. In het eerste lid van artikel 7:658 BW is – samengevat – voorgeschreven dat een werkgever de arbeidsomgeving van de werknemer zodanig moet inrichten dat wordt voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.

2.5. De kantonrechter heeft als voorlopig oordeel uitgesproken dat artikel 7:658 lid 4 BW in dit geval toepassing mist, omdat dit artikel is bedoeld voor uitzendkrachten of ingeleende arbeidskrachten en [eiseres] niet met zulke personen gelijk kan worden gesteld.

2.6. Anders dan de kantonrechter acht de rechtbank artikel 7:658 lid 4 BW in het geschil tussen [eiseres] en Manege Spaarnwoude echter wel van toepassing. Daartoe zijn de volgende argumenten van belang:

a. de tekst van genoemde wetsbepaling laat toe dat vrijwilligerswerkzaamheden daaronder vallen;

b. in de parlementaire geschiedenis (Tweede Nota van Wijziging, kamerstukken II 1997-1998, 25 263, nr 14, p. 6) is de mogelijkheid genoemd dat tussen degene die de arbeid verricht en degene voor wie hij arbeid verricht wel een overeenkomst is gesloten, zij het geen arbeidsovereenkomst, zoals in het geval van bepaalde stageovereenkomsten;

c. met artikel 7:658 lid 4 BW is beoogd dat de vrijheid van degene die een beroep of bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van werk door werknemers of door anderen, niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verricht en betrokken raakt bij een arbeidsongeval of anderszins schade oploopt; een werkgever die zijn zorgverplichtingen niet nakomt, dient op gelijke voet aansprakelijk te zijn voor schade van werknemers en anderen die bij hem werkzaam zijn (Tweede Nota van Wijziging, kamerstukken II 1997-1998, 25 263, nr 14, p. 6);

d. de opvatting dat vrijwilligerswerk onder de toepassing van artikel 7:658 lid 4 BW valt vindt steun in rechtspraak (Gerechtshof Arnhem 11 januari 2005, JAR 2005, 47) en de in dat arrest genoemde literatuur;

e. Naar aanleiding van genoemd arrest heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in antwoord op Kamervragen verklaard:

Hoewel bij de invoering van de hiervoor besproken uitbreiding van de wettelijke aansprakelijkheid voor werknemers tot ook anderen dan werknemers mogelijk niet onmiddellijk werd gedacht aan vrijwilligers, kan ik mij geheel verenigen met de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem, dat de zorg van de werkgever voor de veiligheid van de voor hem werkzame personen ingevolge artikel 7:658 BW zich ook tot vrijwilligers uitstrekt. Ik kan niet goed inzien welke fundamentele of praktische bezwaren hieraan zouden kleven, in aanmerking genomen dat werkgevers en als zodanig te duiden andere niet-beroepsmatige organisaties, w.o. particuliere clubs, verenigingen en andere organisaties, die gebruik maken van vrijwilligers voor het doen verrichten van allerhande werkzaamheden, zich voor hun wettelijke aansprakelijkheid - op gelijke wijze als voor andere niet-werknemers die voor hen werkzaam zijn - kunnen verzekeren. Ik deel de zorg van vragenstellers, dat vrijwilligerswerk in Nederland als gevolg van deze uitspraak belemmerd kan en zal worden, dan ook niet. Ik zie geen reden wetswijziging in dit verband te overwegen

(Tweede Kamer, Aanhangsel van de Handelingen, nr 1651);

f. Manege Spaarnwoude profiteert van het vrijwilligerswerk van [eiseres], terwijl zij een aansprakelijkheidsverzekering heeft die het onderhavige risico dekt en is gesteld noch gebleken dat [eiseres] kan terugvallen op een eigen verzekering ter dekking van haar schade.

2.7. Bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van Manege Spaarnwoude op grond van artikel 7:658 lid 4 BW acht de rechtbank naast voornoemde juridische argumenten de volgende feiten en omstandigheden van belang. [eiseres] was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud. Zij was toen reeds een ervaren en kundige amazone. Zij maakte sinds 2004 als groom deel uit van het vierspanteam van [A]. Dit is een team van paarden waarmee namens Manege Spaarnwoude nationaal en internationaal aan wedstrijden vierspanrijden (waaronder het wereldkampioenschap) wordt deelgenomen. Het team van (vier) grooms houdt zich bezig met de algemene voorbereiding van wedstrijden, zoals het inpakken van de vrachtwagen, het toiletteren van de paarden, het gereedmaken van het tuig, de bandages en de dekens en het incidenteel tijdens de wedstrijden meerijden als bakkenist. [eiseres] bereed buiten de wedstrijden met enige regelmaat de vierspanpaarden ‘Kilian’ en ‘Joop’ als onderdeel van de sportbeoefening.

Volgens Manege Spaarnwoude moet vierspanrijden worden gekwalificeerd als topsport en vraagt het, niet alleen van de menner maar ook van de grooms, fanatieke inzet.

De resultaten van het team waren voor Manege Spaarnwoude van belang uit oogpunt van public relations. Sponsoring door derden is volgens Manege Spaarnwoude onontbeerlijk voor de instandhouding van het team.

Tegen deze achtergrond is duidelijk dat de inzet van [eiseres] als vrijwilliger alleen mogelijk en effectief is binnen de grenzen van de eisen die deze topsport stelt, zodat evenzeer duidelijk is dat [eiseres] haar wensen ondergeschikt diende te maken aan het teambelang en, in dat kader, eventuele instructies van [A] en dat de vrijwilligheid op basis waarvan [eiseres] werkte niet kan worden begrepen als ‘vrijheid blijheid’.

Uitgaande van deze omstandigheden en gegeven hetgeen hiervoor sub 2.6 is overwogen, acht de rechtbank artikel 7:658 lid 4 BW van toepassing op de werkzaamheden die [eiseres] als vrijwilliger verrichtte bij Manege Spaarnwoude.

2.8. De rechtbank is voorts van oordeel dat Manege Spaarnwoude, mede gelet op de hiervoor sub 2.7 genoemde omstandigheden, [eiseres] haar (vrijwiligers)werk heeft laten verrichten op een wijze en op een plaats die onvoldoende ingericht waren op de noodzaak om te voorkomen dat [eiseres] daarbij schade zou lijden. Daartoe is het volgende van belang. Op 8 januari 2008 verzocht [A] aan [eiseres] om een testrit te maken op een jong, nieuw paard dat kort daarvoor op de manege was gearriveerd. Het betrof een ‘ten behoeve van het vierspan wellicht aan te schaffen paard’, aldus Manege Spaarnwoude. De testrit vond plaats in de buitenbak, volgens Manege Spaarnwoude mede om te kunnen zien hoe het nieuwe paard op invloeden van buiten zou reageren. Het paard was zadelmak, maar protesteerde bij het opstijgen. Na het opstijgen van [eiseres] (met hulp van [A]), draaide het paard rond aan de teugel, die [A] daardoor moest loslaten. Verder was het paard lastig en bokte enigszins. [eiseres] kreeg vervolgens het paard onder controle en maakte in vlotte gang een aantal voltes. Daarna ging het paard in de richting van een hoek van de bak en wekte de indruk dat het ging springen. Dat gebeurde uiteindelijk niet: het paard liep tegen het hek aan, waardoor [eiseres] werd gelanceerd met ernstig letsel tot gevolg.

Vooropgesteld moet worden dat het maken van een testrit op een ‘nieuw’ paard risico’s met zich brengt. Volgens Manege Spaarnwoude was [eiseres] zich gelet op haar kunde en ervaring bewust van deze risico’s en daartegen opgewassen. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] ten tijde van het ongeval 20 jaar oud was en alleen al om die reden minder goed in staat moet worden geacht om de risico’s en de mogelijk verstrekkende gevolgen in geval van verwezenlijking daarvan te overzien. Voorts heeft Manege Spaarnwoude onvoldoende maatregelen genomen om de risico’s te beperken. Zo had het paard niet reeds kort na aankomst op de manege aan een testrit moeten worden onderworpen, maar had het eerst de gelegenheid moeten krijgen om te wennen aan de nieuwe omgeving. In die periode had het ook geobserveerd kunnen worden, zodat de risico’s beter hadden kunnen worden ingeschat. Voorstelbaar is evenzeer dat de eerste testrit niet in de buitenbak, maar in de binnenbak had plaatsgevonden, zodat sprake zou zijn geweest van minder invloeden van buitenaf, waarna - bij een goed verlopen eerste rit - een tweede testrit in de buitenbak had kunnen plaatsvinden. Ook hadden de problemen van [eiseres] bij het opstijgen reden moeten zijn voor Manege Spaarnwoude om de testrit af te breken en te laten uitvoeren door het vaste personeel.

2.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiseres] zal worden toegewezen. Manege Spaarnwoude is aansprakelijk voor alle door haar als gevolg van het ongeval van 8 januari 2008 geleden en nog te lijden schade. Voor toepassing van artikel 6:101 BW is geen ruimte, omdat artikel 7:658 lid 2 BW volgens de wetsgeschiedenis kan worden gezien als een uitwerking van artikel 6:101 BW, zodat met de toepassing van artikel 7:658 BW een eventuele correctie wegens ‘eigen schuld’ al is gegeven.

2.10. De door [eiseres] gevorderde rente wordt toegewezen vanaf de dag van het ongeval, omdat de hoofdvordering een verbintenis tot schadevergoeding betreft en niet terstond is nagekomen, zodat Manege Spaarnwoude zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.

2.11. Manege Spaarnwoude zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- betaald vast recht 65,75

- in debet gesteld vast recht 197,25

- salaris procureur 904,00 (2 punten × tarief EUR 452)

Totaal EUR 1.252,98

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart voor recht dat Manege Spaarnwoude aansprakelijk is voor de volledige door [eiseres] als gevolg van het ongeval van 8 januari 2008 geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel;

3.2. veroordeelt Manege Spaarnwoude tot betaling aan [eiseres] van alle door haar als gevolg van het ongeval van 8 januari 2008 geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 8 januari 2008 tot aan de dag der gehele voldoening;

3.3. veroordeelt Manege Spaarnwoude in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.252,98, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.629 ten name van MvJ arrondissement Haarlem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.?