Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM6205

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
31-05-2010
Zaaknummer
15/740647-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem. Gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, waarvan één jaar voordelijk met een proeftijd van twee jaar, voor poging tot doodslag. Verdachte schoot een man in zijn achterhoofd. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van poging tot moord, omdat de rechtbank van oordeel is dat onvoldoende vast is komen te staan dat er sprake is van voorbedachte raad. Verdachte verklaarde dat hij een vuurwapen had meegenomen voor het geval dat het slachtoffer hem zou bedreigen op het moment dat hij het slachtoffer zou vragen naar het geld dat hij nog tegoed had.Deze verkaring vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat verdachte naast het slachtoffer ook een vriend van het slachtoffer had meegevraagd. Deze omstandigheden laten de reele mogelijkheid open dat verdachte het wapen niet heeft meegenomen met het vooropgezette plan om het slachtoffer die nacht van het leven te beroven, maar dat hij in een opwelling heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/740647-09 en 23/003033-07 (tul)

Uitspraakdatum: 29 april 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 april 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag, te Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 juli 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een mededader achter [naam slachtoffer] is gaan lopen/staan, waarna hij, verdachte, en/of die mededader, meermalen, althans éénmaal, met een vuurwapen, (gericht) heeft/hebben geschoten op en/of in de richting van [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- primair: oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

- subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat de maatregel terbeschikkingstelling niet opgelegd behoort te worden: oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen onder de nummers 5 en 6;

- teruggave aan verdachte van de overige op de beslaglijst vermelde voorwerpen;

- intrekking van de gevorderde tenuitvoerlegging onder parketnummer 23/003033-07.

4. Bewijs

4.1 Vrijspraak

Ten aanzien van de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende vast is komen staan dat er sprake is van voorbedachte raad. Verdachte heeft verklaard dat hij de avond van 31 juli 2009 een vuurwapen heeft meegenomen voor het geval hij door [naam slachtoffer] bedreigd zou worden op het moment dat hij hem zou vragen naar het geld dat hij nog van hem tegoed had. Deze verklaring vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in het feit dat verdachte naast [naam slachtoffer] nog een derde persoon, te weten een vriend van [naam slachtoffer], had meegevraagd op de nachtelijke rooftocht. Deze omstandigheden laten de reële mogelijkheid open dat verdachte het wapen niet heeft meegenomen met het vooropgezette plan [naam slachtoffer] die nacht van het leven te beroven maar dat hij in een opwelling heeft gehandeld.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Op vrijdag 31 juli 2009 te 22.32 uur kwam bij de politie een melding binnen dat op de Tooropkade te Heemstede een persoon liep met een ontbloot bovenlichaam en een bebloed hoofd. Toen de politie-agenten ter plaatse kwamen, troffen zij daar [naam slachtoffer] (hierna aan te duiden als [het slachtoffer]) aan. Later verklaarde [naam slachtoffer] dat hij door verdachte was beschoten op het Jaagpad aan de overkant van de Tooropkade. Op die avond was hij met [naam getuige] (hierna aan te duiden als [de getuige]) en verdachte met een bootje gaan varen om te bezien of zij buitenboordmotors konden stelen. Aan de oostelijke kant van het Buitenspaarne hebben ze bij een steiger aangelegd en zijn uit de boot gestapt. [het slachtoffer] zag, terwijl zij zich op het Jaagpad bevonden, dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in een van zijn handen had. [het slachtoffer], die voor verdachte uitliep, wilde wegvluchten en bukte zich. Toen hoorde hij een luide knal en voelde hij meteen een behoorlijke klap tegen zijn achterhoofd waardoor zijn hoofd voorover werd geslagen. [de getuige] die achter verdachte liep, zag dat verdachte zijn arm naar voren had gestrekt in de richting van [naam slachtoffer]. Hij schatte de afstand tussen de hand van verdachte en [naam slachtoffer] tussen de 30 en 50 cm. Na een paar seconden hoorde hij een knal en zag hij wat vuur bij de hand van verdachte. Hij hoorde [naam slachtoffer] schreeuwen en zag hem wegrennen. [de getuige] heeft zich toen omgedraaid en is weggerend tot aan de bocht. Daar hoorde hij een plons en vervolgens nog vier à vijf knallen, snel achter elkaar. Het was een geluid als van een strijker met een duidelijke echo. Toen hij voorzichtig terugliep, zag hij verdachte langs de kant staan. Hij zag ook [naam slachtoffer] zwemmen in de richting van de huizen aan de overkant.

In de omgeving van de Tooropkade zijn door buurtbewoners rond 22.30 uur knallen/geluiden gehoord. Eén van de buurtbewoners verklaarde dat zij rond 22.30 uur naar haar bootje liep toen zij werd aangesproken door een gedeeltelijk ontklede, natte jongeman die riep ‘ik ben beschoten, bel de politie’. Haar zoon verklaarde dat hij rond 22.30 uur buiten stond toen hij het geluid van ontploffend vuurwerk had gehoord. Dit geluid had hij vier à vijf keer kort achter elkaar gehoord. Op de plek waar het schietincident heeft plaatsgevonden is er met een metaaldetector gezocht naar hulzen en/of patronen. Er is echter niets aangetroffen.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte aan [naam woonadres] te [woonplaats verdachte] zijn diverse voorwerpen in beslag genomen, waaronder een luchtdrukpistool.

Op 7 september 2009 heeft [naam slachtoffer] gebeld met de politie met de mededeling dat hij door een arts in de PI te Zutphen, waar hij was gedetineerd, was onderzocht en dat er een kogel in zijn hoofd zat en dat deze op 11 september 2009 zou worden verwijderd. Op 11 september 2009 is de politie naar de PI gegaan en heeft uit handen van de arts de kogel overhandigd gekregen. Deze kogel is door het NFI onderzocht. Door het NFI werd in dit onderzoek vastgesteld dat het voorwerp een loden kogel betrof en gezien de massa en de uiterlijke kenmerken paste de kogel bij het kaliber .22 long rifle. Dergelijke patronen kunnen worden afgevuurd met pistolen, revolvers, geweren en zogenaamde schietstiften. De kogel was volgens het NFI-rapport afgevuurd uit een inwendig gladde loop.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op de bewuste avond van 31 juli 2009 met [de getuige] aan het pokeren was en vervolgens [het slachtoffer] heeft gebeld om te komen. Ze zouden gaan varen en kijken of ze buitenboordmotortjes konden stelen. Verdachte wilde [het slachtoffer] ook aanspreken over het feit dat hij nog geld van hem kreeg in verband met verkochte kleding. Toen ze op het Jaagpad liepen, vroeg verdachte aan [het slachtoffer] wat hij ging doen en toen [het slachtoffer] tegen verdachte zei ‘dat hij wel wist wat er met die ander was gebeurd’, heeft verdachte in de richting van [het slachtoffer] geschoten omdat hij zich door hem geïntimideerd voelde. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [het slachtoffer] bang wilde maken en het pistool had meegenomen om [het slachtoffer] af te schrikken. Verdachte heeft drie à vier keer geschoten. Bij het schieten heeft hij naast [het slachtoffer] gemikt, maar hij schoot ook in het wilde weg. Na het schieten heeft verdachte vervolgens het pistool in het water gegooid.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de poging doodslag omdat hij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Verdachte had niet de intentie om [naam slachtoffer] iets aan te doen, terwijl het soort wapen dat verdachte heeft gebruikt ook niet geschikt is om iemand te doden tenzij dat gebeurt van zeer dichtbij. Hij heeft daarbij ook niet gericht op het slachtoffer geschoten, maar juist bewust naast hem. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft vanaf korte afstand een wapen gericht en vervolgens geschoten in de richting van het voor hem lopende (en dus bewegende) slachtoffer. Hoewel het wapen van een relatief klein kaliber was, namelijk een .22, kan ook een dergelijk klein kaliber de dood veroorzaken. De kogel had immers ook op een andere en botpenetrerende manier kunnen binnentreden. Ook had de kogel op een andere plaats in het lichaam terecht kunnen komen waardoor er dodelijk letsel had kunnen ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door aldus te handelen zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij het slachtoffer dodelijk zou verwonden en is er derhalve sprake van het voor poging tot doodslag vereiste opzet.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 31 juli 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet achter [naam slachtoffer] is gaan lopen/staan, waarna hij, verdachte, meermalen, met een vuurwapen, gericht heeft geschoten op en in de richting van [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit levert op:

Poging tot doodslag.

6. Strafbaarheid van verdachte

In het op 24 februari 2010 uitgebrachte rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie door [naam psycholoog 1], klinisch psycholoog en [naam psychiater 1], psychiater, is vastgesteld dat verdachte categorisch heeft geweigerd mee te werken aan het PBC-onderzoek. Vanwege de weigering tot meewerken is in dit rapport teruggegrepen op oude rapportages van onder meer [naam psycholoog 2], psycholoog, d.d. 3 november 2006, [naam psychiater 2], psychiater, d.d. 19 september 2007, [naam psycholoog 3], klinisch psycholoog, d.d. 23 januari 2008 en een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland d.d. 2 november 2009. Als gevolg van de pertinente en volgehouden weigering van verdachte is het niet mogelijk te onderzoeken of bij verdachte sprake is van een of meer psychiatrische stoornissen en of dergelijke stoornissen er zijn geweest ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde, noch om diagnoses te stellen die op eigen onderzoek zijn gebaseerd. Ook is het niet mogelijk om een gefundeerde visie te ontwikkelen over de eerdere onderzoeksresultaten. De rapporteurs kunnen niet beoordelen of een eventuele stoornis in welke mate dan ook zou kunnen hebben doorgewerkt in het gepleegde delict en kunnen geen advies geven over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de vanwege uitgebrachte rapporten van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum d.d. 24 februari 2010 en de Reclassering Nederland d.d. 2 november 2009 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de avond van 31 juli 2009 op het Jaagpad te Haarlem schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op [naam slachtoffer]. Verdachte had die avond een afspraak gemaakt met het slachtoffer en een andere vriend om buitenboordmotors te gaan stelen. Verdachte had voor de zekerheid een wapen meegenomen. Het slachtoffer was aan verdachte nog geld schuldig en toen verdachte het slachtoffer hierop aansprak gaf deze een intimiderende reactie. Daarna heeft verdachte meermalen op het slachtoffer, die voor hem liep, geschoten. Verdachte heeft hiermee een zeer angstige situatie voor [het slachtoffer] doen ontstaan, die uit angst zelfs in het water is gesprongen en is weggezwommen. In eerste instantie werd in het ziekenhuis behalve een wondje op het achterhoofd van het slachtoffer niets geconstateerd. Pas bij een nadere controle bleek er een kogel in diens achterhoofd te zitten. Dat het slachtoffer deze gebeurtenis heeft overleefd en dat het letsel gering bleek, is een gelukkige omstandigheid die echter niet aan verdachte is te danken. Verdachte heeft met zijn daad een ernstig gebrek aan respect voor het menselijk leven getoond. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven daarvan ook nog lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Daarnaast is dergelijk gewelddadig optreden in het openbaar ook voor omstanders zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Nu bovengenoemd rapport en de eerder uitgebrachte rapportages geen aanknopingspunten bevatten dat bij verdachte sprake is van een stoornis, is niet voldaan aan de materiële vereisten voor – zoals door de officier van justitie primair is gevorderd – terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. De rechtbank zal deze maatregel om die reden niet opleggen.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen voorwerpen, te weten een luchtdrukpistool en een busje pepperspray dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane feit, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen is in strijd met de wet.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet terug gegeven voorwerpen, te weten kleding, telefoons en een sleutel dienen te worden teruggegeven aan verdachte.

9. Vordering benadeelde partij en eventueel schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [naam slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.048,20 ingediend tegen verdachte wegens (im)materiële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

€ 8.000,- wegens immateriële schade;

€ 748,20 wegens ambulancevervoer;

€ 200,- kosten jas;

€ 100,- kosten broek en shirt.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot een bedrag van € 100.- (kosten broek en shirt) eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Voor het overige is de schade - in het licht van de overige feiten en omstandigheden van het onderhavige geval - onvoldoende onderbouwd om eenvoudig te kunnen vaststellen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 100,-.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36b, 36c, 36d, 36f, 45, 287

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot één (1) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 100,- en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [naam slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer [nummer rekening] (t.n.v. Stichting Derdengelden), tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 100,- bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de

verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Onttrekt aan het verkeer:

- 1.00 STK wapen, Kl: grijs, luchtdruk groot model, grijze kolf, metalen loop;

- 1.00 STK Pepperspray, Kl: zwart (Pfeffer-Ko Ko-jet), busje pepperspray tht 03/2012.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Jas, Kl: zwart, Armani heren;

- 1.00 STK Broek, Kl: blauw, RUSSELL ATHLETC training

- 1.00 STK GSM-toestel Kl: zwart; Alcatel, aangetroffen in dashboardkastje auto oma 35FFVK

- 1.00 STK Sleutel lp5, aangetroffen in fouillering ve;

- 1.00 STK GSM-toestel Kl: zwart, ALCATEL 1588 352471030012345 + T-mobile simkaart; uit fouillering ve

- 1.00 STK GSM-toestel Kl:zwart NOKIA aangetroffen in fouillering ve.

12. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mrs. P.M. Wamsteker en C.M. Cichowski-van der Kleijn, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.L. Meyer,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 april 2010.