Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM5924

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-04-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
158023-09-1770
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek van de moeder en de partner dat zij gezamenlijk met het gezag over minderjarigen worden belast. Art. 1:153t, tweede lid,BW. Uit de jurisprudentie volgt dat voor een nauwe persoonlijke betrekking niet vereist is dat de niet-ouder met de minderjarige in één woning verblijft. Ouders/verzorgers van een kind kunnen invulling geven aan de zorg voor een kind zonder dat dat kind bij hen in huis woont. Gebleken is dat de moeder en haar partner [naam kind] één keer per maand zien, dat er elke dag telefonisch contact is tussen [naam kind] en hen en er regelmatig via internet een chatsessie met [naam kind] plaatsvindt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan de eisen van artikel 1:253t BW is voldaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

gezagswijziging

zaak-/rekestnr.: 158023/09-1770

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 27 april 2010

in de zaak van:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder,

en

[naam partner],

hierna ook wel te noemen: de partner,

beiden wonende te [plaats],

advocaat: mr. B.J. de Groot, kantoorhoudende te Haarlem.

In deze zaak is als belanghebbende aan te merken:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna ook wel te noemen: de man.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 17 november 2009 en de daarin vermelde stukken;

- de beschikking van deze rechtbank van 2 maart 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 maart 2010 in aanwezigheid van de moeder en de partner, bijgestaan door mr. De Groot. De man was ter zitting aanwezig met de gezinsvoogd L. Doezie van WSS, die gezinsvoogd is van de twee andere kinderen van de man.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 De moeder is van rechtswege alleen belast met het gezag over de minderjarige [naam kind 1], geboren op [datum] 1996 te [plaats].

Deze minderjarige staat in familierechtelijke betrekking tot [naam man], die hem heeft erkend.

2.2 De moeder is gehuwd geweest met [naam], welk huwelijk door de dood is ontbonden. Uit dit huwelijk is geboren [naam kind 2], geboren op [datum] 2000 te [plaats].

De moeder is sinds 23 september 2004 alleen belast met het gezag over voornoemde minderjarige.

2.3 De moeder en [naam partner] hebben sinds 2005 een affectieve relatie en op [datum] 2008 zijn zij met elkaar gehuwd.

2.4 De minderjarigen zijn bij de beschikking van deze rechtbank van 30 november 2004 onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling telkens is verlengd en thans nog voortduurt tot 30 november 2010. Tevens is een machtiging verleend om de minderjarigen uit huis te plaatsen, welke machtiging telkens is verlengd en thans eindigt op 30 november 2010.

3 Verzoek

3.1 Het verzoek van de moeder en de partner strekt ertoe dat zij gezamenlijk met het gezag over voornoemde minderjarigen worden belast.

3.2 Verzoekers voeren daartoe aan dat de partner in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarigen staat.

Tevens hebben zij gesteld dat de moeder gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag over de minderjarige [naam kind 1] belast is geweest en dat zij op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor de minderjarige [naam kind 1] hebben gehad.

4 Verweer

4.1 De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft aangegeven dat hij de vader is van [naam kind 1] en niet de heer [naam partner]. Hij heeft altijd geprobeerd om contact te krijgen met zijn zoon, maar heeft gesteld dat de moeder dit tegen hield.

5 Beoordeling

Wettelijk kader

5.1 Op grond van artikel 1:253t, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan indien het gezag bij één ouder berust, de rechtbank op verzoek van de met het gezag belaste ouder en een ander dan de ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, hen gezamenlijk met het gezag over het kind belasten. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan het verzoek in het geval het kind tevens in een familierechtelijke betrekking staat tot een andere ouder, slechts worden toegewezen, indien de ouder en de ander op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind hebben gehad en de ouder die het verzoek doet op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van drie jaren alleen met het gezag belast is geweest.

[naam kind 2]

5.2 Ten aanzien van [naam kind 2] is gebleken dat het gezag over [naam kind 2] alleen bij de moeder berust. Nu de vader van [naam kind 2] is overleden, staat [naam kind 2] niet in familierechtelijke betrekking tot een andere ouder. Dit betekent dat op het verzoek tot gezamenlijk gezag met betrekking tot [naam kind 2] het eerste lid van artikel 1:253t BW van toepassing is. De moeder en haar partner hebben aangegeven dat zij sinds 2005 samen zijn en samen de zorg voor de kinderen hebben sinds die tijd. [naam kind 2] is sinds januari 2006 uit huis geplaatst. Hij komt een keer per maand naar huis. Hij beschouwt de partner als zijn vader en noemt hem ook papa, aldus de moeder en haar partner.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [naam kind 2] en de partner zodat het verzoek van de moeder en haar partner met betrekking tot [naam kind 2] wordt toegewezen.

[naam kind 1]

5.2 Het staat vast dat [naam kind 1] in familierechtelijke betrekking staat tot de man. Dit betekent dat artikel 1:253t, tweede lid, BW op het verzoek van de moeder en haar partner met betrekking van [naam kind 1] van toepassing is. Gebleken is dat de moeder gedurende ten minste drie jaren alleen met het gezag over hem is belast geweest.

Het verzoek kan echter slechts worden toegewezen indien ook voldaan is aan het bepaalde in artikel 1:253t, tweede lid, sub a, BW. De moeder en haar partner dienen op de dag van het verzoek gedurende ten minste een aaneengesloten periode van een jaar onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor [naam kind 1] te hebben gehad. Nu [naam kind 1] sinds 18 augustus 2008 uit huis is geplaatst (met machtiging van de kinderrechter), is de vraag aan de orde of aan dit wettelijke vereiste is voldaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Uit de jurisprudentie volgt dat voor een nauwe persoonlijke betrekking niet vereist is dat de niet-ouder met de minderjarige in één woning verblijft. Ouders/verzorgers van een kind kunnen invulling geven aan de zorg voor een kind zonder dat dat kind bij hen in huis woont. Gebleken is dat de moeder en haar partner [naam kind 1] één keer per maand zien, dat er elke dag telefonisch contact is tussen [naam kind 1] en hen en er regelmatig via internet een chatsessie met [naam kind 1] plaatsvindt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan de eisen van artikel 1:253t BW is voldaan.

De man heeft tegen het verzoek bezwaar gemaakt. Hoewel de rechtbank de bezwaren van de man als vader van [naam kind 1] kan begrijpen, is zij van oordeel dat aan het belang van [naam kind 1], zijn moeder en haar partner bij toewijzing van het verzoek meer gewicht toekomt dan aan het belang van de man. Gebleken is dat [naam kind 1] al jaren geen contact heeft met de man. Zoals hiervoor is overwogen hebben de moeder en haar partner sinds 2005 gezamenlijk de zorg voor [naam kind 1] en ziet [naam kind 1] de partner als zijn vader en noemt hem ook papa. Toewijzing van het verzoek zal tot gevolg hebben dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.

De rechtbank zal het verzoek van de moeder en haar partner ook met betrekking tot [naam kind 1] toewijzen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Belast de moeder en [naam partner] voornoemd gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1996 in de gemeente [plaats].

Belast de moeder en [naam partner] voornoemd gezamenlijk met het gezag over de minderjarige [naam]:

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats].

6.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.E. Lee, griffier, op 27 april 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.