Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM5920

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
152584-08-4403
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art. 810a Rv. Vader verzoekt rapport andere deskundige over te leggen. De vader heeft ter zitting aangegeven dat de ontzegging van omgang voor de duur van twee jaar door de Raad niet wordt onderbouwd in het advies. Hij kan zich er niet mee verenigen dat alleen vanwege de angst van moeder voor hem geen omgang met de kinderen wordt toegestaan, terwijl de Raad voorop stelt dat omgang met de niet-verzorgende ouder in het algemeen in het belang van de kinderen is. De rechtbank zal gelet hierop de zaak aanhouden en de vader in de gelegenheid stellen om een eigen deskundigenrapport te overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

omgang

zaak-/rekestnr.: 152584/08-4403

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 4 mei 2010

in de zaak van:

[naam vader],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.C. Burger, kantoorhoudende te Leiden,

tegen

[naam moeder],

wonende op een geheim adres binnen het arrondissement [plaats] en domicilie kiezende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod, kantoorhoudende te Utrecht.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2009;

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) d.d. 14 december 2009 met als bijlage de reacties van de ouders op het rapport;

- de brief van de advocaat van de vader van 16 maart 2010;

- de brief van de advocaat van de moeder van 19 maart 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 maart 2010 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. Burger en de moeder door mr. Whiterod. Op de zitting is aan vader bijstand verleend door een tolk in de Engelse taal. Tevens was ter zitting aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.

2 Beoordeling

2.1 Bij beschikking van 14 augustus 2009 heeft de rechtbank de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wijziging van het gezag. De rechtbank heeft voorts het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling, een co-ouderschap en een informatie- en consultatieregeling aangehouden in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.

2.2 Op 21 december 2009 is door de rechtbank het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ontvangen. Hierin adviseert de Raad de vader het recht op omgang met zijn minderjarige kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] te ontzeggen voor de duur van twee jaar en om een informatieregeling vast te stellen dat de moeder jaarlijks in januari, april, juli en oktober vader schriftelijk op de hoogte stelt omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van [naam kind 1] en [naam kind 2], zoals informatie over school, ontwikkeling, hobby’s en belangrijke zaken op het gebied van hun gezondheid. Één keer per zes maanden gaat de informatie van de moeder vergezeld van een recente foto van de kinderen.

De Raad concludeert -kort samengevat- dat omgang met de niet-verzorgende ouder in het algemeen in het belang is van de kinderen. Echter, van belang is dat de omgang op een rustige wijze plaatsvindt en dat de verzorgende ouder deze kan ondersteunen. De belemmerende factor voor de omgang is volgens de Raad de extreme angst van moeder voor vader. Uit het rapport blijkt voorts dat moeder een verleden met vader meldt, dat gekenmerkt werd door intimidatie, bedreiging, vernedering en (seksueel) machtmisbruik, terwijl volgens vader niets van dit alles is gebeurd. De Raad geeft in het rapport aan dat het binnen het raadsonderzoek onmogelijk is een oordeel te vellen over wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Duidelijk is dat het hier niet om verschillen in de beleving van beide ouders kan gaan, maar de te positieve kleuring door vader en de te zwarte kleuring door moeder zou voor een klein deel de discrepantie tussen de uiteenlopende verhalen van de ouders kunnen verklaren.

De Raad heeft geen objectieve bezwaren tegen vader gevonden om te adviseren hem het recht op omgang te ontzeggen. Voor moeders overtuiging dat vader de kinderen naar Marokko wil ontvoeren heeft de Raad geen aanwijzingen gevonden. De Raad moet concluderen dat, binnen de huidige situatie, het belang van [naam kind 1] en [naam kind 2] zich tegen een omgangsregeling verzet.

De vader en de moeder hebben een schriftelijke reactie gegeven op het rapport.

2.3 Bij brief van 16 maart 2010 heeft de advocaat van de vader aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het raadsrapport en het advies. De vader doet een beroep op artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld een rapport van een andere deskundige te overleggen. De vader heeft hiertoe inmiddels contact gelegd met drs. [naam]. Ter zitting heeft de vader aangegeven dat hij zelf de kosten voor een dergelijk onderzoek zal dragen. De deskundige zal de raadsrapportage bestuderen en een second opinion geven, waarbij de kinderen en de moeder niet gehoord hoeven te worden, aldus de vader. De vader verwacht dat het onderzoek binnen twee maanden afgegrond kan worden.

2.4 De moeder heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen een dergelijk onderzoek. Zij ervaart de hele procedure als zeer belastend en zenuwslopend. Zij benadrukt nogmaals haar angst voor de vader. Het verzoek van de vader om een contra-expertise ziet zij als een laatste poging van de vader om alsnog zijn zin te krijgen. Voorts geeft de moeder aan dat de vader al contact heeft gehad met de door hem voorgestelde onderzoeker zodat de moeder geen enkel vertrouwen meer heeft in de objectiviteit van de onderzoeker. De moeder stemt in met het advies van de Raad omtrent de informatieregeling, maar wil dat de informatie via de advocaten wordt verzonden. Zij zal geen foto’s sturen aan de vader omdat zij bang is voor ontvoering van de kinderen, aldus de moeder.

2.5 Artikel 810a, eerste lid, Rv luidt:

“In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.”

De vader heeft ter zitting aangegeven dat de ontzegging van omgang voor de duur van twee jaar door de Raad niet wordt onderbouwd in het advies. Hij kan zich er niet mee verenigen dat alleen vanwege de angst van moeder voor hem geen omgang met de kinderen wordt toegestaan, terwijl de Raad voorop stelt dat omgang met de niet-verzorgende ouder in het algemeen in het belang van de kinderen is. De rechtbank zal gelet hierop de zaak aanhouden en de vader in de gelegenheid stellen om een eigen deskundigenrapport te overleggen. De vader heeft aangegeven dat de deskundige binnen twee maanden haar onderzoek heeft afgerond, zodat de zaak hierdoor niet onredelijk wordt vertraagd. Voorts is aangegeven dat de kinderen niet gehoord hoeven te worden, zodat zij niet wederom zullen worden belast met een onderzoek. Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat de onderzoeker niet objectief is, is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de man de onderzoeker heeft gesproken niet maakt dat daarmee haar objectiviteit in twijfel kan worden getrokken. De vrouw heeft voorts geen enkel concreet aanknopingspunt hiervoor gegeven.

De rechtbank zal de zaak aanhouden voor twee maanden. Bij ontvangst van de rapportage zal de vrouw de gelegenheid krijgen om een reactie hierop te geven.

Informatieregeling

2.6 De Raad heeft in zijn advies aangegeven een informatieregeling vast te stellen. De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij de informatie via de advocaten wil sturen en dat daarbij geen foto’s zullen worden verzonden. De rechtbank zal de Raad in zijn advies volgen. Aan de moeder wordt een informatieregeling opgelegd, inhoudende dat zij jaarlijks in januari, april, juli en oktober de vader informeert omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon van [naam kind 1] en [naam kind 2] zoals informatie over school, ontwikkeling, hobby’s en belangrijke zaken op het gebied van hun gezondheid. De rechtbank ziet geen reden om de informatie te laten lopen via de advocaten. Indien de moeder dit wenst, zal zij de informatie naar haar advocaat dienen te sturen, die ervoor zorgt dat deze wordt doorgestuurd rechtstreeks naar de vader. Ten aanzien van de angst van moeder voor kinderontvoering geeft de rechtbank aan dat het rapport van de Raad geen aanknopingspunt hiervoor geeft en dat er voorts, behalve de stellingen van de moeder, geen aanwijzing is gevonden voor eventueel risico op kinderontvoering. De rechtbank zal derhalve aan de moeder de plicht opleggen om één keer per zes maanden een foto van [naam kind 1] en [naam kind 2] op te sturen. De rechtbank zal bepalen dat de moeder in oktober voor de eerste keer een foto van de kinderen zal sturen met de informatie die zij dan aan de vader zendt.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Bepaalt dat de moeder in januari, april, juli en oktober aan de vader informatie zal zenden over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 2003 in [plaats, land];

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2005 in [plaats, land].

Een keer per zes maanden, te weten in april en in oktober zal de moeder een recente foto van de minderjarigen aan de vader sturen.

3.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.3 Houdt aan de beslissing over de omgangsregeling tot 8 juli 2010 PRO FORMA.

3.4 Bepaalt dat de man uiterlijk op 1 juli 2010 een eigen deskundigenrapport zal toezenden aan de rechtbank, de Raad voor de Kinderbescherming en de moeder.

3.5 Bepaalt dat de moeder uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het door de man ingebrachte deskundigenrapport haar reactie hierop aan de rechtbank, de Raad voor de Kinderbescherming en de vader doet toekomen.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.E. Lee, griffier, op 4 mei 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.