Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM5240

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-05-2010
Datum publicatie
21-05-2010
Zaaknummer
168597 - KG ZA 10-194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beeindiging samenlevingsovereenkomst. Vordering in kort geding in zowel conventie als in reconventie van beide ex-partners om de gezamenlijke woning met uitsluiting van de ander te mogen blijven bewonen in afwachting van een bodemprocedure.

Nu beide partijen redelijke en gerechtvaardige belangen naar voren hebben gebracht om in de woning te kunnen blijven, gaat het er vooral om dat de voorzieningenrechter in deze situatie een knoop doorhakt, rekening houdend met de mogelijkheden voor (tijdelijke) alternatieve woonruimte voor de partij die de woning (voorlopig) zal moeten verlaten.

Eiser beschikt over een eigen woning die is verhuurd aan een derde en waarvan hij de huur na de beeindiging van de samenlevingsovereenkomst heeft verlengd. De huurder heeft verklaard zonodig bereid te zijn de huur te beëindigen. Gedaagde mag daarom in de gezamenlijke woning blijven wonen totdat eiser zijn woning (tijdelijk) ter vrije beschikking aan gedaagde heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 168597 / KG ZA 10-194

Vonnis in kort geding van 21 mei 2010

in de zaak van

[Eiser],

wonende te Vijfhuizen,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.Th.M. van Asten,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Vijfhuizen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.J. Hoff.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 17,

- de brief van [gedaagde] van 4 mei 2010 met producties 1 tot en met 15,

- de brief van [gedaagde] van 6 mei 2010 met producties 16 en 17,

- de brief van [eiser] van 6 mei 2010 met producties 18 tot en met 21,

- de mondelinge behandeling,

- de pleitnota van [eiser],

- de pleitnota van [gedaagde],

- de akte vermeerdering van eis in conventie,

- de eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn – nadat zij reeds enige jaren samenwoonden – op 24 augustus 1998 een samenlevingsovereenkomst aangegaan.

2.2. Partijen hebben sinds juli 2002 de gemeenschappelijke eigendom van de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen (hierna: de woning).

2.3. [eiser] is eigenaar van de woning aan de […] te Amsterdam. Partijen hebben tot juli 2002 in deze woning samengewoond. De woning is sinds 10 april 2009 verhuurd aan [A]. [eiser] heeft op 10 april 2010 de huur voor een jaar verlengd.

2.4. [gedaagde] is eigenaar van de woning aan de […] te Hoofddorp. In deze woning wonen de zus en een nicht van [gedaagde].

2.5. Op 9 maart 2010 heeft [eiser] aan [gedaagde] meegedeeld dat hij niet meer met haar wenst samen te wonen. Bij brief van 25 maart 2010 aan [gedaagde] heeft de advocaat van [eiser] de samenlevingsovereenkomst opgezegd tegen 1 mei 2010. [eiser] heeft aan [gedaagde] voorgesteld dat hij in de woning blijft wonen en dat het aandeel van [gedaagde] in de woning aan hem wordt overgedragen tegen betaling aan haar van de helft van de meerwaarde van de woning. [gedaagde] heeft daarmee niet ingestemd.

2.6. [eiser] heeft op 11 april 2010 de woning verlaten.

2.7. In artikel 13 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst (‘nieuwe start regeling’) staat het volgende:

Bij het einde van de samenleving zal [[eiser]] binnen een maand aan [[gedaagde]], ter financiering van de goederen welke redelijkerwijs benodigd zijn voor het voeren van een eigen huishouding, zoals inrichting, inboedelzaken en huishoudelijke apparatuur, alsmede ter financiering van de kosten benodigd voor het vinden van een nieuwe woonruimte en van verhuizing, een bedrag ter beschikking stellen ad vijftigduizend gulden (f 50.000,00).

2.8. [eiser] heeft via de voormalige advocaat van [gedaagde] op 22 april 2010 een kopie van een verklaring ontvangen, gedateerd op 5 februari 1999 en ondertekend door beide partijen. In deze verklaring staat het volgende:

Bij deze verklaart [eiser] wonende in […] dat als met [gedaagde] om welke redenen dan ook de relatie uit is dat [eiser] aan haar een bedrag van 395.000 gulden zal betalen.

2.9. Per brief van 23 april 2010 heeft [B], […], werkgever van [eiser], onder meer het volgende verklaard:

[eiser] is sinds 15 maart 1978 in dienst van […] als […].

[eiser] werkt op verzoek en in opdracht van […] gemiddeld vier dagen per week vanuit zijn huis. Het werken vanuit huis is onder meer nodig omdat […]. De […] werkzaamheden die moeten dus op vrijdag, zaterdag en zondag worden uitgevoerd; [eiser] werkt dan vanuit huis.

Ook andere werkzaamheden verricht [eiser] vanuit zijn huis.

[…].

Daarnaast wijs ik erop dat [eiser] regelmatig in zijn huis apparaten en software test […]. Het uitvoeren van deze testen (bijvoorbeeld van audio- of videoapparatuur) […] dient in een ‘normale’ omgeving te gebeuren, zoals een woning.

2.10. Per ondertekende verklaring van 23 april 2010 heeft [A], huurder van de onder 2.3 genoemde woning aan de […] te Amsterdam, het volgende verklaard:

Als jullie wil niet dan ik, [A], kan huren eengezins woning op de adress: […] in Amsterdam. Dan ik wil opzeggen mijn huidige huurovereenkomst op 10/05/2010 of 15/05/2010.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis:

I. te bepalen dat [eiser] – met uitsluiting van [gedaagde] – in de laatstelijk door beiden bewoonde woning aan de […] te […] Vijfhuizen mag blijven wonen tot de datum waarop bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de voormelde woning zal worden toegescheiden, althans voor een periode die de voorzieningenrechter redelijk acht, alsmede [gedaagde] te bevelen om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de […] te Vijfhuizen volledig en behoorlijk te verlaten, met achterlating van de inboedel en alle sleutels, en de woning ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en te houden, zulks met machtiging aan [eiser] – bij gebreke van volledige voldoening door [gedaagde] aan dit bevel – zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie dat [gedaagde] aan het bevel zal voldoen, op kosten van [gedaagde],

II. [gedaagde] te verbieden om zich binnen acht dagen na betekening van dit vonnis te begeven, fysiek aanwezig te zijn, of zich op te houden in de buurt, binnen een straal van 750 meter van de woning aan de […] te […] Vijfhuizen, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 500,- voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt,

III. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte, voor het laten doen van een deskundigenonderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut, van de verklaring van 5 februari 1999, welke is ondertekend door [eiser] en [gedaagde], zoals aangehaald onder 2.8, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] met de afgifte van de verklaring in gebreke blijft,

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert:

I. te bepalen dat [gedaagde] – met uitsluiting van [eiser] – in de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen mag blijven wonen tot de datum waarop bij onherroepelijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij deze woning zal worden toegescheiden, althans voor een periode die de voorzieningenrechter redelijk acht, alsmede partij [eiser] te bevelen de woning ter vrije beschikking van [gedaagde] te houden zulks met machtiging aan partij [gedaagde] – bij gebreke van volledige voldoening door partij [eiser] aan dit bevel – zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie dat partij [eiser] aan het bevel zal voldoen, zulks op kosten van partij [eiser],

II. [eiser] te bevelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [gedaagde] terug te geven de door hem meegenomen juwelen, contante geld, bankafschriften, dossiers en administratieve artikelen, zulks op straffe van een te verbeuren dwangsom van EUR 1.000,- per dag of gedeelte van een dag dat [eiser] in gebreke blijft volledig aan dit bevel te voldoen.

4.2. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

in conventie en in reconventie

de woning

5.1. Gelet op de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie ten aanzien van de vraag wie van beide partijen (voorlopig) in de woning mag blijven wonen, zal de voorzieningenrechter deze vorderingen in het navolgende gezamenlijk bespreken.

5.2. Partijen hebben vrij uitvoerig het debat gevoerd over de feiten ten aanzien van hetgeen zich heeft afgespeeld voorafgaand aan en na de beëindiging van de samenlevings-overeenkomst door [eiser] en over hoe partijen zich nadien over en weer jegens elkaar hebben gedragen. [eiser] heeft aan zijn stellingen de conclusie verbonden dat hij noodgedwongen – op advies van de politie – op 11 april 2010 de woning heeft verlaten. [gedaagde] heeft aan de betwisting van de stellingen van [eiser] en haar eigen stellingen de conclusie verbonden dat [eiser] vrijwillig de woning heeft verlaten en daar derhalve thans niet meer op terug kan komen. Gelet op het verschil van inzicht tussen partijen over wat zich precies tussen hen heeft afgespeeld, valt door de voorzieningenrechter niet vast te stellen wie van hen gelijk heeft. In elk geval staat vast dat na de beëindiging van de samenlevingsovereenkomst de relatie tussen partijen verstoord is geraakt, zodat enerzijds van een geheel vrijwillig vertrek van [eiser] uit de woning geen sprake kan zijn, maar anderzijds ook niet gezegd kan worden dat uitsluitend [gedaagde] daarvoor verantwoordelijk is. Bij de beoordeling van de door beide partijen opgeworpen vraag wie van hen beiden in afwachting van een bodemprocedure voorlopig in de woning mag blijven wonen komt het derhalve aan op een belangenafweging. Nu beide partijen redelijke en gerechtvaardige belangen naar voren hebben gebracht om in de woning te kunnen blijven, gaat het er bovendien vooral ook om dat de voorzieningenrechter in deze situatie een knoop doorhakt, rekening houdend met de mogelijkheden voor (tijdelijke) alternatieve woonruimte voor de partij die de woning (voorlopig) zal moeten verlaten.

5.3. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn belang om in de woning te mogen blijven wonen onder meer het volgende aangevoerd. Voor zijn werkzaamheden als […] moet [eiser] thuis kunnen werken. [eiser] heeft daartoe verwezen naar de onder 2.9 aangehaalde brief van […]. Volgens [eiser] lijdt hij aan een ernstige vorm van allergie. Daartoe heeft [eiser] verwezen naar medische stukken van zijn huisarts van 3 april 2006 en van het Sint Lucas Ziekenhuis te Amsterdam van 1 oktober 1999. Het huis en de tuin zijn voor hem zoveel mogelijk anti-allergeen ingericht. Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat hij volledig is aangewezen op het openbaar vervoer en de bushalte zich op een afstand van 200 meter van de woning bevindt.

5.4. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar belang om in de woning te mogen blijven wonen onder meer aangevoerd dat zij de woning nodig heeft voor haar […]werkzaamheden die zij aan huis verricht en waarbij zij ook cliënten thuis ontvangt. Voorts heeft [gedaagde] belang bij de woning voor het afronden van haar studie, waarvoor zij een rustige omgeving nodig heeft. Volgens [gedaagde] kampt ook zij met allergieproblemen. Zij heeft daartoe verwezen naar een verklaring van haar huisarts van 26 april 2010. In tegenstelling tot [eiser] heeft juist zij wel baat bij de anti-allergene inrichting van de woning, aldus [gedaagde].

5.5. Gelet op de door beide partijen naar voren gebrachte belangen moet worden geconcludeerd dat zowel [eiser] als [gedaagde] goede argumenten hebben om in de woning te willen blijven wonen. De door [eiser] nog naar voren gebrachte stellingen dat hij de woning gedeeltelijk heeft gefinancierd uit eigen middelen en dat hij de rente en aflossingen van de hypothecaire geldleningen, de kosten van de inboedel en van de huishouding altijd heeft betaald, acht de voorzieningenrechter voor de belangenafweging in dit verband niet van betekenis, nu de financiële gevolgen van het uiteengaan van partijen in het kader van de verdeling en verrekening aan de orde zal moeten komen en [gedaagde] – onbetwist – heeft gesteld financieel in staat te zijn [eiser] volledig uit te kopen.

Aan artikel 13 van de samenlevingsovereenkomst, waarin partijen zijn overeengekomen dat bij beëindiging van de samenleving [eiser] aan [gedaagde] een bedrag zal betalen voor de kosten van het vinden en inrichten van een nieuwe woonruimte, kan evenmin worden ontleend dat [eiser] thans, met uitsluiting van [gedaagde], recht heeft om in de woning te blijven. Partijen zijn deze bepaling immers overeengekomen toen zij nog samenwoonden in de woning aan de […] in Amsterdam, die uitsluitend eigendom is van [eiser]. Er kan daarom niet zonder meer vanuit worden gegaan dat partijen bij het sluiten van de samenlevingsovereenkomst hebben bedoeld die bepaling ook van toepassing te laten zijn indien zij een woning zouden gaan bewonen die hun gemeenschappelijk eigendom is.

5.6. Gelet op het voorgaande komt het aan op een beoordeling van de mogelijkheden voor elk van beide partijen tot een (voorlopig) verblijf elders totdat in een bodemprocedure de woning definitief aan een van hen is toegedeeld.

5.7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] na het verlaten van de woning en een tijdelijk verblijf in een hotel, thans – zoals hij ter zitting heeft toegelicht – verblijft in een woning van vrienden. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] in die situatie zijn werkzaamheden voor […] niet goed kan verrichten, al dan niet vanuit huis […]. Evenmin is gesteld of gebleken dat hij vanuit die woning […] per openbaar vervoer niet goed kan bereiken of dat zijn allergie in die woning leidt tot problemen. Wel is voorstelbaar dat de (werk)omstandigheden in de woning in Vijfhuizen voor [eiser] beter zijn en dat hij niet al te lang gebruik zal kunnen blijven maken van de gastvrijheid van zijn vrienden.

5.8. Voorts staat vast dat zowel [eiser] als [gedaagde] elk een woning in eigendom hebben. Niet is betwist dat de woning van [gedaagde] in Hoofddorp wordt bewoond door de zus en een nicht van [gedaagde] en [eiser] heeft niet gemotiveerd weersproken dat ook de moeder van [gedaagde] uit Suriname zo nu en dan voor langere tijd in de woning in Hoofddorp verblijft. Volgens [gedaagde] is daarom voor haar in die woning geen ruimte en geen rust voor haar werkzaamheden en studie.

Daar staat tegenover dat ook voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] in zijn huis in Amsterdam in verband met zijn allergie niet kan verblijven. Bovendien is die woning thans verhuurd. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat [eiser] de huurovereenkomst op 10 april 2010 met een jaar heeft verlengd, derhalve nadat hij de samenlevingsovereenkomst met [gedaagde] heeft beëindigd en hij dus wist dat één van partijen (in elk geval tijdelijk) behoefte zou hebben aan vervangende woonruimte. Dat desondanks de woonruimte in Amsterdam thans is verhuurd dient daarom voor risico van [eiser] te blijven. Voorts is van belang dat uit de door [gedaagde] overgelegde verklaring van de huurder blijkt dat hij bereid is de huurovereenkomst te beëindigen. Dat [eiser] inmiddels is gebleken dat zich thans hem onbekende Litouwers in de woning bevinden, wat dat ook moge betekenen, dient gelet op de mogelijkheid die [eiser] heeft gehad de huurovereenkomst per 10 april 2010 te beëindigen, eveneens voor zijn risico te blijven.

5.9. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat van [eiser] kan worden verlangd dat hij zich inspant om zijn woning aan de […] te Amsterdam voor [gedaagde] (tijdelijk) ter beschikking te stellen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat partijen, voordat zij in Vijfhuizen gingen wonen, in deze woning in Amsterdam hebben samengewoond, zodat ook van [gedaagde] kan worden verlangd dat zij tijdelijk – in afwachting van de definitieve toedeling van de woning in Vijfhuizen aan één van partijen – haar intrek in de woning in Amsterdam neemt. Onvoldoende aannemelijk is dat de gestelde allergie van [gedaagde] zo ernstig is dat die eraan in de weg staat dat zij (tijdelijk) de woning in Amsterdam gaat bewonen. Uit de door [gedaagde] overgelegde verklaring van haar huisarts van 26 april 2010 blijkt immers niet dat zij ook reeds vóór 2002 aan de in de verklaring genoemde allergie voor huisstofmijt en graspollen (en in mindere mate voor boompollen) leed, zodat niet kan worden geconcludeerd dat die allergie (mede) de reden is geweest voor de verhuizing naar Vijfhuizen, zoals [gedaagde] heeft gesteld, en dat zij daarom nu niet (meer) in de woning in Amsterdam kan wonen.

5.10. Het voorgaande betekent echter voorts dat, zolang [eiser] er niet in slaagt zijn woning in Amsterdam voor [gedaagde] ter vrije beschikking te stellen, [gedaagde] gerechtigd blijft de woning in Vijfhuizen (voorlopig) te blijven bewonen en dat [eiser] zijn huidige woonsituatie (voorlopig) zal moeten continueren of op zoek zal moeten gaan naar andere alternatieven. Zodra [eiser] echter zijn woning in Amsterdam (tijdelijk) ter vrije beschikking stelt aan [gedaagde], is [eiser] gerechtigd (voorlopig) in de woning in Vijfhuizen te wonen en zal [gedaagde] die woning dienen te verlaten. De voorzieningenrechter zal daarom de door [eiser] in conventie en door [gedaagde] in reconventie gevraagde voorzieningen in die zin toewijzen en het anders gevorderde weigeren.

5.11. Het door [eiser] in conventie gevorderde straatverbod zal de voorzieningenrechter weigeren, nu niet is gebleken van aanwijzingen dat [gedaagde], voorover zij de woning in Vijfhuizen zal moeten verlaten, zich op onrechtmatige wijze zal begeven in de buurt van de woning nadat [eiser] daar zijn intrek zal hebben genomen.

in conventie

de verklaring van 5 februari 1999

5.12. Volgens [eiser] betreft de verklaring van 5 februari 1999, aangehaald onder 2.8, een falsificatie. Om aan te kunnen tonen dat de verklaring een falsificatie betreft, wenst [eiser] de originele verklaring, waarvan hij zelf slechts een kopie in bezit heeft, te laten onderzoeken door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. Daarom heeft [eiser] in conventie voorts gevorderd [gedaagde] te veroordelen de originele verklaring aan hem af te geven. [gedaagde] heeft aangevoerd niet te beschikken over het origineel van de verklaring.

5.13. Daargelaten dat [gedaagde] niet kan worden veroordeeld iets af te geven waarover zij niet beschikt, heeft [eiser] thans geen (spoedeisend) belang bij zijn gevraagde voorziening. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] nakoming vordert van de verklaring van 5 februari 1999. Voor zover [gedaagde] wel nakoming van die verklaring zal vorderen en [eiser] de echtheid van die verklaring gemotiveerd betwist, zal het op de weg van [gedaagde] liggen om de echtheid van de verklaring te bewijzen, zonodig met behulp van onderzoek door een deskundige. De voorzieningenrechter zal daarom de door [eiser] gevraagde voorziening weigeren.

in reconventie

teruggave meegenomen zaken

5.14. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de gehele administratie van partijen meegenomen, de privé-administratie van [gedaagde], juwelen en koffers van [gedaagde], dossiers van cliënten van [gedaagde] en een aanzienlijke hoeveelheid contant geld. Het geld was volgens [gedaagde] verstopt in een Canon-koffer die [eiser] ook heeft meegenomen. [gedaagde] heeft in reconventie teruggave van deze zaken gevorderd.

5.15. [eiser] heeft daartegen ingebracht dat hij uitsluitend zijn persoonlijke zaken en administratie heeft meegenomen. Het gaat volgens [eiser] om spullen die door hem zelf zijn aangeschaft of beschikbaar zijn gesteld en ook uitsluitend door hem zelf zijn gebruikt. [eiser] heeft betwist dat hij juwelen, sieraden en/of andere zaken die uitsluitend eigendom zijn van [gedaagde] heeft meegenomen.

5.16. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] staat thans niet vast dat hij eigendommen van [gedaagde] heeft meegenomen. De verdeling van eigendommen zal dienen plaats te vinden in een verdelingsprocedure. Er is onvoldoende grond daar reeds nu bij voorlopige voorziening (gedeeltelijk) op vooruit te lopen, zodat de voorzieningenrechter de door [gedaagde] in reconventie gevraagde voorziening zal weigeren.

in conventie en in reconventie

5.17. Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad en bovendien zowel in conventie als in reconventie geen van partijen als in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. bepaalt dat [eiser], met uitsluiting van [gedaagde], in de laatstelijk door beiden bewoonde woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen mag blijven wonen tot de datum waarop bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de voormelde woning zal worden toegescheiden,

6.2. beveelt [gedaagde] om binnen acht dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen volledig en behoorlijk te verlaten, met achterlating van de inboedel en alle sleutels, en de woning ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en te houden, totdat bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de voormelde woning zal worden toegescheiden,

6.3. machtigt [eiser] om – ingeval [gedaagde] weigert of nalaat aan het bevel onder 6.2 te voldoen – voornoemd bevel op kosten van [gedaagde] te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van politie en justitie, een en ander met inachtneming van artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv,

6.4. bepaalt dat [eiser] uitsluitend rechten kan ontlenen aan het in het voorgaande onder 6.1 tot en met 6.3 bepaalde, indien en zodra [eiser] de woning aan de […] te ([…]) Amsterdam ter vrije beschikking aan [gedaagde] heeft gesteld, voor de periode totdat bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen zal worden toegescheiden,

6.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.7. weigert het meer of anders gevorderde,

in reconventie

6.8. bepaalt dat [gedaagde], met uitsluiting van [eiser], in de laatstelijk door beiden bewoonde woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen mag blijven wonen tot de datum waarop bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de voormelde woning zal worden toegescheiden,

6.9. beveelt [eiser] de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen ter vrije beschikking van [gedaagde] te houden, totdat bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de voormelde woning zal worden toegescheiden,

6.10. machtigt [gedaagde] om – ingeval [eiser] niet volledig voldoet aan het bevel onder 6.9 – voornoemd bevel op kosten van [eiser] te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van politie en justitie, een en ander met inachtneming van artikel 556 lid 1 en artikel 557 Rv,

6.11. bepaalt dat [gedaagde] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het in het voorgaande onder 6.8 tot en met 6.10 bepaalde, indien en zodra [eiser] de woning aan de […] te ([…]) Amsterdam ter vrije beschikking aan [gedaagde] heeft gesteld, voor de periode totdat bij overeenkomst tussen partijen of bij onherroepelijke of bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak is vastgesteld aan welke partij de woning aan de […] te ([…]) Vijfhuizen zal worden toegescheiden,

6.12. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.13. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.14. weigert het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, bijgestaan door mr. J. van der Kluit, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2010.?