Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM5069

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
19-05-2010
Zaaknummer
AWB 08/5330
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep tegen besluit tot verlenging van een begunstigingstermijn. Een begunstigingstermijn dient er slechts toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de overtreding te beeindigen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Nu de overtreding van de gebruiksvoorschriften uit het bestemmingsplan binnen korte termijn kunnen worden beeindigd, is niet aannemelijk geworden dat verlenging van de begunstigingstermijn geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 5330

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2010

in de zaak van:

de Vereniging afdeling Haarlemmermeer/Aalsmeer van het Koninklijk Verbond van Ondernemers in het Horeca- en Aanverwante Bedrijf Horeca Nederland,

gevestigd te Nieuw-Vennep,

verzoekster,

gemachtigde: D.A. Hogervorst, ,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.C. Berkouwer, advocaat te Haarlem,

derde partij

Dijckhoeve Horeca B.V.,

gevestigd te Lisserbroek,

gemachtigde: mr. A. Paternotte, advocaat te Hoofddorp.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2008 heeft verweerder de derde partij gelast de horeca-activiteiten op het perceel [adres] binnen een termijn van acht weken te staken.

Bij besluit van 3 juli 2008 heeft verweerder de begunstigingstermijn verlengd tot 15 oktober 2008.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 5 augustus 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van 6 augustus 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft verweerder het besluit van 3 juli 2008 ingetrokken en een nieuwe begunstigingstermijn gesteld, die loopt tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 31 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum heeft verzoekster aangegeven dat het eerder ingediende verzoekschrift moet worden geacht mede betrekking te hebben op het besluit van 13 oktober 2008.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 maart 2010, alwaar verzoekster en verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens de derde partij zijn verschenen de gemachtigde [naam].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ter zitting is door verweerder en de derde partij (hierna: Dijckhoeve) aan de orde gesteld de vraag of verzoekster wel kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. Een vereniging die opkomt voor de belangen van haar leden, komt daarmee op voor een collectief belang. De belangen van de leden van verzoekster omvatten, zoals volgt uit de statuten, zowel materiële als immateriële belangen. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen in haar uitspraken van 24 juni 2009 (LJN BI9670 en BI9671) valt daaronder ook het belang van eerlijke concurrentie, welk belang in het geding is, nu verzoekster stelt dat de Dijckhoeve op het perceel horeca-activiteiten uitoefent in strijd met de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan en aannemelijk is dat in ieder geval een aantal van haar leden daardoor omzetverlies lijdt.

2.3 In verband met deze strijdige situatie heeft verweerder de Dijckhoeve op 12 juni 2008 gelast de horeca-activiteiten binnen acht weken te beëindigen. Indien niet aan deze last wordt voldaan, verbeurt de Dijckhoeve een dwangsom van € 20.000,-. Verweerder heeft de begunstigingstermijn tot twee keer toe verlengd, omdat de Dijckhoeve een ontvankelijk aanvraag om vrijstelling van het bestemmingsplan heeft ingediend en aldus concreet uitzicht op legalisatie zou bestaan. De begunstigingstermijn is laatstelijk verlengd tot het moment dat wordt beslist op het bezwaar van de Dijckhoeve tegen het besluit van 12 juni 2008. Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat haar verzoek - nu ten aanzien van het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift reeds in een afzonderlijke procedure (Awb: 10/803) zal worden beslist - thans nog behelst dat verweerder wordt gelast om per onmiddellijk tegen de horeca-activiteiten van de Dijckhoeve handhavend op te treden.

2.4 Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van de overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.5 In het bestreden besluit heeft verweerder zich bij de vaststelling van de begunstigingstermijn laten leiden door (de kansrijkheid van) de lopende vrijstellingsprocedure om de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen.

2.6 De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat een handhavingsbesluit is gericht op het – volledig – opheffen van de overtreding. Een begunstigingstermijn dient er slechts toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. In de Memorie van Toelichting wordt benadrukt dat de termijn gedurende welke een last kan worden uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, door het bestuursorgaan zo kort mogelijk moet worden gesteld. De begunstigingstermijn mag niet zo lang worden gesteld dat het dwangsombesluit in feite een gedoogtoestemming voor een bepaalde termijn wordt (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 maart 2005, LJN-nummer AT1992). Hieruit vloeit voort dat de begunstigingstermijn er niet toe kan dienen, zoals verweerder kennelijk heeft aangenomen, om een vrijstellingsprocedure op te starten teneinde het met het bestemmingsplan strijdige gebruik alsnog te legaliseren.

2.7 Nu de overtreding van de gebruiksvoorschriften uit het bestemmingsplan binnen korte termijn kunnen worden beëindigd, is niet aannemelijk geworden dat een (tot tweemaal toe verlengde) begunstigingstermijn als door verweerder toegekend, geboden is. Uit het vorenstaande volgt dat niet kan worden gesproken van een reële begunstigingstermijn als bedoeld in artikel 5:32a, tweede lid, Awb, zodat het besluit in zoverre in strijd is met dit artikel.

2.8 De voorzieningenrechter heeft dan ook ernstige twijfels of het besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn in bezwaar stand zal houden en ziet daarom aanleiding de hierna volgende voorlopige voorziening te treffen.

2.9 Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten geheel zijn toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor deze kosten wordt met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- toegekend (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij het gewicht van de zaak als gemiddeld is aangemerkt).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van 13 oktober 2008 en treft de voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn voor de last onder dwangsom wordt gesteld op twee weken na de uitspraak op 29 maart 2010;

3.3 veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,-, te betalen aan verzoekster;

3.4 gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer het door verzoekster betaalde griffierecht van € 288,- aan haar vergoedt;

3.5 wijst het verzoek voor het overige af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2010 .

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.