Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM3858

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
158671 - HA ZA 09-867
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1560, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen staat vast dat gedaagde elektriciteit buiten de meter om heeft verbruikt ten behoeve van een hennepkwekerij. De vraag die in dit vonnis centraal staat, is de vraag hoe de vordering die ziet op dit verbruik, dient te worden berekend. Eiseres heeft de berekening gemaakt aan de hand van een schatting van het aantal hennepkweken, welke schatting zij heeft gemaakt op basis van een aantal aangetroffen indicatoren. Gedaagde heeft onvoldoende (gemotiveerd) betwist waarom eiseres de schatting niet op deze wijze kon maken, zodat deze schatting tot uitgangspunt kan worden genomen.

De vervolgens door eiseres gemaakte berekening van het elektriciteitsverbruik buiten de meter om, is opgebouwd uit een bedrag voor het zogenaamde "transportdeel", een bedrag voor het zogenaamde "leveringsdeel", een bedrag aan energiebelasting en overige schadeposten. Eiseres heeft tevens de BTW over de verschillende posten gevorderd als schadepost. De gevorderde BTW over het transportdeel en de overige schadeposten worden door de rechtbank toegewezen, aangezien de rechtbank bewezen acht dat eiseres ook BTW over deze bedragen zal moeten afdragen. De gevorderde BTW over het leveringsdeel en de energiebelasting wordt afgewezen, aangezien de rechtbank niet (althans onvoldoende) bewezen acht dat eiseres BTW over deze bedragen zal moeten afdragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158671 / HA ZA 09-867

Vonnis van 7 april 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. R.V.H. Jonker,

tegen

[Gedaagde],

wonende te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. S. Akkas.

Partijen zullen hierna Liander en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 november 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 18 februari 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] heeft met Liander een overeenkomst gesloten op grond waarvan Liander zorgdraagt voor het transporteren van elektriciteit naar en het onderhoud van de aansluiting van het pand aan de […] te Lijnden (hierna: “de transportovereen¬komst”). Op deze transportovereenkomst zijn de door Liander gehanteerde ‘Algemene voorwaarden 2006 voor aansluiting en transport voor kleinverbruikers’ (hierna: ‘de AV’) van toepassing.

2.2. Uit artikel 4 lid 6 sub b en c van de AV volgt dat het [gedaagde] niet is toegestaan “door of vanwege de netbeheerder of erkende meetverantwoordelijke aangebrachte verzegelingen te verbreken of te doen verbreken” en “handelingen te verrichten of te doen verrichten waardoor de hoeveelheid getransporteerde elektrische energie niet of niet juist kan worden vastgesteld, dan wel een situatie te scheppen waardoor het normaal functioneren van de meetinrichting of (andere) door de netbeheerder beheerde apparatuur wordt verhinderd of de tarievenregeling van de netbeheerder niet of niet juist kan worden toegepast.”

Artikel 4 lid 7 van de AV bepaalt in dit verband:

“Indien de contractant toerekenbaar in strijd heeft gehandeld met een in dit artikel bedoelde verplichting, kan de netbeheerder hem (…) een boete opleggen (…). In plaats van een boete kan de netbeheerder betaling van de kosten van transport vorderen en/of de kosten van de geschatte feitelijke levering in rekening brengen en/of schadevergoeding verlangen. (…)”

2.3. Op 29 augustus 2008 is op […] te Lijnden een hennepplantage aangetroffen. Op verzoek van en in samenwerking met de politie heeft een fraudespecialist van Liander (voorheen genaamd: N.V. Continuon Netbeheer) in genoemd pand een onderzoek ingesteld naar de meetinrichting. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat [gedaagde] door middel van aangebrachte wijzigingen aan de aansluiting en/of manipulatie van de meetinrichting, elektriciteit voor de hennepkwekerij heeft kunnen verbruiken zonder dat dit werd geregistreerd. Direct nadat deze fraude is geconstateerd, is Liander overgegaan tot het onderbreken van het transport van elektriciteit en heeft zij de elektriciteitsmeter weggehaald.

2.4. Aan de hand van indicatoren en op basis van het door de fraudespecialist ingestelde onderzoek heeft de fraudespecialist geconcludeerd dat de hennepplantage (in ieder geval) in de periode van juni 2007 tot 29 augustus 2008 in het pand aan […] te Lijnden ingericht moet zijn geweest en dat in die periode elektriciteit is verbruikt die niet door de elektriciteitsmeter is geregistreerd.

2.5. Op 18 november 2008 heeft Liander, door middel van een sommatie-exploot uitgebracht door de deurwaarder, [gedaagde] gesommeerd tot betaling van EUR 37.367,23 vermeerderd met rente en kosten, welk bedrag betrekking had op de kosten voor het buiten de meter om afnemen van elektriciteit. [gedaagde] heeft dit bedrag tot op heden niet betaald.

3. Het geschil

3.1. Liander vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 37.367,15 vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten heeft Liander primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op grond van artikel 4 lid 7 van de AV verplicht is tot betaling van de transportkosten, de kosten van levering van elektriciteit en een aantal schadeposten, zoals aangegeven op de nota die is gevoegd achter het sommatie-exploot van 18 november 2008. Subsidiair heeft Liander aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] is tekortgekomen in de nakoming van de overeenkomst en dat [gedaagde] om die reden ingevolge artikel 6:74 BW de schade die Liander als gevolg van deze tekortkoming heeft geleden, dient te vergoeden. Meer subsidiair vordert Liander vergoeding van haar schade op grond van onrechtmatige daad.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] elektriciteit heeft verbruikt die niet door de elektriciteitsmeter is geregistreerd. Evenmin is in geschil dat [gedaagde] de kosten voor dit verbruik alsnog zal moeten betalen. [gedaagde] betwist echter de hoogte van het door Liander gevorderde bedrag voor het verbruik van elektriciteit buiten de elektri¬ci¬teitsmeter om.

Aantal kweken

4.2. Het verbruik kan niet nauwkeurig worden vastgesteld, aangezien de elektriciteit buiten de meter om is afgenomen. Op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet het verbruik in een dergelijk geval worden geschat. Liander zal, aangezien haar vordering door [gedaagde] wordt betwist, haar vordering voldoende aannemelijk moeten maken. De onzekerheid die evenwel inherent is aan een schatting als bedoeld in artikel 6:97 BW, dient voor rekening van [gedaagde] te worden gebracht, nu bedoelde onzekerheid het rechtstreekse gevolg is van zijn normschendend handelen (vgl. Gerechtshof Leeuwarden 4 april 2007, LJN BA2716).

4.3. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Liander de aangifte en het frauderap¬port die zien op het onderhavige fraudegeval, als productie 2 bij de dagvaarding overgelegd. De fraudespecialist die het frauderapport heeft opgesteld, heeft een berekening van het energieverbruik gemaakt aan de hand van een aantal indicatoren, waaronder de mate van vervuiling van de aangetroffen materialen, waarbij de fraudespecialist heeft geconcludeerd dat de hennepkwekerij (in ieder geval) in de periode van juni 2007 tot 29 augustus 2008 in het pand aan […] te Lijnden ingericht moet zijn geweest. De fraudespe¬cia¬list heeft verder tot uitgangspunt genomen dat voor een kweek 8 groeidagen en 63 kweek¬dagen nodig zijn, waardoor er in de genoemde perioden zes kweken kunnen zijn geweest.

4.4. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er niet zes kweken zijn geweest, maar slechts één kweek. Hij heeft daartoe aangevoerd dat Liander haar vordering onvoldoende wetenschappelijk heeft onderbouwd. Meer in het bijzonder heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit het frauderapport kan worden opgemaakt dat er meer indicatoren met ‘nee’ zijn aangevinkt dan met ‘ja’. Ook is er volgens [gedaagde] een schone koolstoffilter aangetroffen en zat er geen stof op de kappen van de armatuur van de assimilatielampen en evenmin op de elektra. Verder beroept [gedaagde] zich erop dat de productiedatum van de materialen slechts iets zegt over de datum waarop het materiaal bestond, maar dat dat niets zegt over de vraag wanneer het materiaal is gekocht door [gedaagde]. Bovendien merkt [gedaagde] op dat de productiedatum van de elektriciteits¬buizen 25 augustus 2007 is, zodat de hennepkwekerij niet voor die datum in werking kon zijn. Daarbij heeft [gedaagde] een factuur overgelegd waaruit blijkt dat de aansluit¬snoeren pas op 23 mei 2008 zijn gekocht. [gedaagde] heeft verder aangevoerd dat hij tot 19 juli 2007 een gevangenis¬straf heeft uitgezeten. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat, ervan uitgaande dat voor het opstarten van een hennepkwekerij 3 tot 4 maanden voorbereidingstijd nodig is, daaruit volgt dat hij pas eind 2007 voor het eerst met de hennepkwekerij kan zijn begonnen. Ook het feit dat [gedaagde] al vanaf september 2007 onder behandeling staat bij De Waag wegens psychische klachten, toont volgens [gedaagde] aan dat hij niet in staat kan zijn geweest om zes kweken te realiseren.

4.5. Liander heeft de berekening van het energieverbruik, zoals vermeld, gemaakt aan de hand van een aantal indicatoren, waaronder de mate van vervuiling van de aangetroffen materialen. Dat er ook andere en zelfs meer indicatoren op de lijst stonden die niet zijn aangetroffen, doet niet af aan de berekening die is gemaakt op basis van de wel aangetroffen indicatoren. Ook het feit dat er een schone koolstoffilter is aangetroffen, doet niet af aan de berekening van Liander, aangezien er tevens een als ‘zeer vuil’ aangeduide koolstoffilter is aangetroffen, die wel op meerdere kweken duidt. [gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat er geen stof is aangetroffen op de kappen van de armatuur van de assimilatielampen en de elektra. Deze stelling is echter niet juist. Op de lijst is slechts aangevinkt dat het rotorblad van de ventilator vuil was. Bij de overige materialen is niets aangevinkt, dus ook niet dat ze schoon waren. Het ligt ook niet voor de hand dat de overige materialen schoon waren, aangezien partijen het er in ieder geval over eens zijn dat er één kweek heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de productiedatum van (onder meer) de elektriciteits¬buizen zij opgemerkt dat het in het kader van de door Liander te maken schatting voldoende is dat er geen contra-indicaties zijn voor de periode die Liander tot uitgangspunt neemt op basis van de indicatoren. Mede gezien de verklaring van [gedaagde] tegenover de politie dat de hennepkwekerij al vijf jaar in werking was, kan niet worden uitgesloten dat de hennepkwekerij reeds eerder dan vanaf juni 2007 aanwezig was en dat [gedaagde] de elektriciteitsbuizen tussendoor heeft vervangen. De productiedatum van de elektriciteitsbuizen doet om die reden niet af aan de berekening van Liander op basis van de andere indicatoren. Van de door [gedaagde] overgelegde factuur van 23 mei 2008 voor de aansluit¬snoeren, is niet komen vast te staan dat die ook daadwerkelijk zag op aansluit¬¬snoeren ten behoeve van de hennepkwekerij. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij tot 19 juli 2007 heeft vastgezeten, zodat hij in de periode dat hij vastzat, geen hennep¬kwekerij heeft kunnen exploiteren. Als contractant van Liander bij de transportover¬een¬komst is [gedaagde] echter aansprakelijk voor de kosten van het buiten de meter om verbruiken van elektriciteit, ook als een ander dan [gedaagde] de hennepkwekerij in zijn huis zou hebben geëxploiteerd. Het enkele feit dat [gedaagde] gedetineerd zat, toont nog niet aan dat er geen hennepkwekerij in zijn huis was ingericht. De stelling van [gedaagde] dat hij door zijn psychische klachten niet in staat zou zijn geweest de hennepkwekerij te exploiteren, heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Het is niet komen vast te staan waaruit die klachten bestonden en dat [gedaagde] als gevolg van die klachten inderdaad niet in staat was de hennepkwekerij te exploiteren. Evenmin kan worden uitgesloten dat een ander de hennepkwekerij voor [gedaagde] heeft geëxploiteerd.

4.6. Uit het bovenstaande volgt dat [gedaagde] in het licht van de door Liander op basis van de aangetroffen indicatoren gemaakte schatting, onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist waarom de periode die de fraudespecialist van Liander tot uitgangsperiode heeft genomen, niet juist zou zijn. Daarmee staat vast dat Liander bij de berekening mocht uitgaan van zes kweken.

Wattage van de aangetroffen lampen

4.7. [gedaagde] heeft verder nog aangevoerd dat Liander bij de berekening van het verbruik van elektriciteit buiten de meter om, ten onrechte ervan is uitgegaan dat de lampen die bij hem zijn aangetroffen, een wattage van 645 Watt hadden. Volgens [gedaagde] hadden de lampen een wattage van 600 Watt.

4.8. Op het formulier ‘inventarisatie verbruik en apparatuur’ heeft de fraudespecialist aangegeven dat er 30 lampen van 600 Watt zijn aangetroffen. Het is niet duidelijk op grond waarvan de fraudespecialist bij de berekening vervolgens is uitgegaan van lampen van 645 Watt. In zoverre treft het verweer van [gedaagde] doel en zal de rechtbank bij de berekening uitgaan van lampen van 600 Watt. Uitgaande van de berekening zoals die is gemaakt op het blad “Berekening verbruik kweekruimte A” bij het frauderap¬port, komt dit op het volgende neer:

30 lampen x 600 Watt = 18 kW.

Het verbruik per dag door de lampen voor de groei is: 18 uur x 18 kW = 324 kWh

Het verbruik per dag door de lampen voor de bloei is: 12 uur x 18 kW = 216 kWh

Het verbruik per kweek door de lampen voor de groei is: 8 dagen x 324 kW = 2.592 kWh

Het verbruik per kweek door de lampen voor de bloei is: 63 dagen x 216 kW = 13.608 kWh

Het verbruik per kweek van de overige materialen voor de groei is: 642 kWh

Het verbruik per kweek van de overige materialen voor de bloei is: 7.444 kWh

Het totale verbruik per kweek is dan: 2.592 kW + 13.608 kW + 642 kW + 7.444 kW = 24.286 kWh

Het totale verbruik per zes kweken is dan: 6 x 24.286 kW = 145.716 kWh

De rechtbank acht derhalve bewezen dat [gedaagde] 145.716 kWh aan elektriciteit buiten de meter om heeft verbruikt.

Transportdeel

4.9. Op grond van de transportovereenkomst heeft Liander zich jegens [gedaagde] verbonden tot het transporteren van de door [gedaagde] van de leverancier af te nemen elektriciteit. [gedaagde] heeft zich daar tegenover verbonden voor deze dienst van Liander te betalen. Het door [gedaagde] te betalen bedrag is daarbij afhankelijk van het verbruik. Dit is niet anders wanneer het verbruik niet exact kan worden bepaald omdat de getransporteerde elektriciteit buiten de meter om is afgenomen zodat het verbruik moet worden geschat. [gedaagde] is dan nog steeds een betaling verschuldigd voor de door Liander aan hem geleverde dienst. Het te betalen bedrag wordt blijkens de - door Liander overgelegde en door [gedaagde] op dat punt niet betwiste - nota berekend door het elektriciteitsver¬bruik te vermenigvuldigen met EUR 3,38 (excl. BTW). Uitgaande van een geschat elektriciteits¬verbruik van 145.716 kWh, is [gedaagde] voor het transportdeel derhalve een bedrag van EUR 4.925,20 (excl. BTW) verschuldigd.

Leveringsdeel

4.10. Liander heeft zich verder op het standpunt gesteld dat zij de elektriciteit die [gedaagde] buiten de meter om heeft afgenomen, op grond van artikel 4 lid 7 van de AV bij [gedaagde] in rekening kan brengen. Dit standpunt heeft [gedaagde] niet betwist. De kosten van de verbruikte elektriciteit worden volgens Liander berekend door de verbruikte elektriciteit te vermenigvuldigen met EUR 13,43 (exclusief BTW). Laatstgenoemd bedrag is evenmin betwist door [gedaagde]. Gezien het geschatte elektriciteitsverbruik van [gedaagde] van 145.716 kWh, bedraagt het leveringsdeel EUR 19.569,66 (excl. BTW), welk bedrag kan worden toegewezen.

Energiebelasting

4.11. Een ander onderdeel van de vordering van Liander vormt de Energiebelasting (EB) waarvan Liander stelt dat zij die aan de belastingdienst dient af te dragen. Deze stelling van Liander heeft [gedaagde] in het geheel niet betwist, zodat dit gedeelte van de vordering kan worden toegewezen. De verschuldigde EB wordt echter berekend op basis van het elektriciteitsverbruik. Zoals hierboven, achter 4.8, is aangegeven, zal het elektriciteitsver¬bruik lager worden vastgesteld dan door Liander is aangevoerd. Daarvan uitgaande bedraagt de EB:

Voor de eerste 10.000 kWh: 100,00 x EUR 7,16 = EUR 716,00

Voor de volgende 40.000 kWh: 400,00 x EUR 3,69 = EUR 1.476,00

Voor de laatste 95.716 kWh: 957,16 x EUR 1,02 = EUR 976,30

Totaal verschuldigde EB: EUR 3.168,30

De EB kan derhalve tot een bedrag van EUR 3.168,30 worden toegewezen.

Overige schadeposten

4.12. De overige, door Liander op de nota opgevoerde schadeposten bedragen bij elkaar in totaal EUR 2.435,22 (excl. BTW). Deze schadeposten zijn door [gedaagde] niet betwist en kunnen dus eveneens worden toegewezen.

BTW

4.13. Liander heeft verder BTW gevorderd over het leveringsdeel, het transportdeel, de EB en de overige schadeposten. Ter onderbouwing heeft Liander - samengevat - aangevoerd dat [gedaagde] de genoemde posten op grond van de transportovereenkomst, meer in het bijzonder op grond van artikel 4 lid 7 van de AV, verschuldigd is. De rechtbank begrijpt de stelling van Liander aldus, dat zij van mening is dat in het geval de elektriciteit buiten de meter om wordt verbruikt, er op grond van artikel 4 lid 7 van de AV een aanvulling op de transportovereenkomst ontstaat, als gevolg waarvan Liander vanaf dat moment niet alleen als de transporteur moet worden gezien, maar tevens als de leverancier van de elektriciteit, zodat Liander zich in feite in plaats van de leverancier verplicht om de dienst in de vorm van levering van elektriciteit aan [gedaagde] te verlenen. Om die reden is Liander van mening dat zij daarvoor ook BTW zal moeten afdragen, zodat zij de BTW ook van [gedaagde] kan vorderen.

4.14. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat Liander ten onrechte BTW van hem vordert, omdat Liander in dit geval geen BTW hoeft af te dragen.

4.15. Bij de beantwoording van de vraag of Liander BTW van [gedaagde] kan vorderen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende posten: het leveringsdeel, het transportdeel, de EB en de overige schadeposten.

4.16. Zoals hierboven, achter 4.9, reeds is aangegeven, is [gedaagde] het bedrag dat hij verschuldigd is voor het transportdeel, verschuldigd op grond van de transportovereen¬komst, als tegenprestatie voor het transport door Liander. Om die reden zal Liander voor deze dienst ook BTW dienen af te dragen, waaruit volgt dat ook [gedaagde] de BTW over het transportdeel verschuldigd is. Dit komt neer op een bedrag van 19% van EUR 4.925,20 = EUR 935,79, welk bedrag kan worden toegewezen.

4.17. Ten aanzien van het leveringsdeel geldt het volgende. De normale gang van zaken is dat een afnemer – in dit geval dus [gedaagde] – de elektriciteit geleverd krijgt van een leverancier en daarvoor aan de leverancier betaald. De leverancier levert de elektriciteit aan [gedaagde] via het elektriciteitsnet dat in beheer is bij de netbeheerder, in dit geval bij Liander. Voor dit gebruik van het elektriciteitsnet sluit Liander de transportovereenkomst met [gedaagde], die daarvoor aan Liander betaalt. Bij een dergelijke reguliere levering dient [gedaagde] voor de door hem verbruikte elektriciteit dus een leveringsdeel aan de leverancier van de elektriciteit te betalen en een transportdeel aan Liander als netbeheerder. Aangezien [gedaagde] de elektriciteit buiten de meter om heeft afgenomen, leverde de leverancier weliswaar elektriciteit, maar stond daar geen betaling van [gedaagde] tegenover. Het verbruik werd om die reden beschouwd als netverlies dat bij de netbeheerder, in dit geval Liander, in rekening is gebracht. Hoewel de kosten dus ergens anders terecht zijn gekomen, is de feitelijke gang van zaken dezelfde gebleven. Feitelijk heeft de leverancier immers nog steeds de elektriciteit aan [gedaagde] geleverd en heeft Liander slechts haar elektriciteitsnet voor die levering ter beschikking gesteld. Anders gezegd, Liander heeft niets anders gedaan dan zij bij een reguliere levering zou hebben gedaan. Liander heeft echter wel voor de kosten van de elektriciteitslevering moeten opdraaien, omdat de leverancier de elektriciteit die niet bij [gedaagde] in rekening gebracht kon worden omdat die niet geregistreerd was, bij Liander in rekening heeft gebracht. Liander heeft als gevolg hiervan dus schade geleden. Niet kan worden gesteld dat, doordat de leverancier de kosten bij Liander in rekening heeft gebracht, Liander opeens de leverancier van de elektriciteit aan [gedaagde] is geworden. Dit wordt niet anders omdat in artikel 4 lid 7 van de AV is opgenomen dat in het geval elektriciteit buiten de meter om wordt afgenomen, [gedaagde] de kosten van de geschatte feitelijke levering aan Liander dient te betalen. De te betalen kosten vormen een boete cq schadevergoeding ter compensatie van de kosten die ten onrechte voor rekening van Liander zijn gekomen. Dit volgt ook uit het feit dat in artikel 4 lid 7 van de AV is aangegeven dat de contractant ([gedaagde]) de leveringskosten “in plaats van een boete” verschuldigd is. Aangezien het geen door Liander geleverde dienst betreft, hoeft zij hierover ook geen BTW af te dragen en kan Liander dus evenmin BTW van [gedaagde] vorderen. In dit kader zij bovendien nog gewezen op hetgeen Liander in overweging 23 van de dagvaarding naar voren heeft gebracht. Liander merkt daar op dat zij ‘het risico (loopt; cursief Rb) dat de belastinginspecteur alsnog oordeelt dat er wel BTW geheven had moeten worden.’ Hieruit volgt dat Liander zich slechts beroept op een risico dat zij loopt, zodat Liander onvoldoende heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk verplicht is BTW af te dragen. Om die reden is niet komen vast te staan dat de BTW over het leveringsdeel een schadepost is. Dit gedeelte van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.18. Ten aanzien van de BTW over de EB heeft Liander eveneens onvoldoende onderbouwd dat zij over deze bedragen BTW dient af te dragen, zodat de BTW over deze post zal worden afgewezen.

4.19. Ten aanzien van het bedrag van de BTW inzake de overige schadeposten geldt dat de overige schadeposten bedragen zijn die betrekking hebben op de aansluiting en de meetinrichting, oftewel die betrekking hebben op diensten waartoe Liander zich ingevolge de transportovereenkomst jegens [gedaagde] heeft verbonden en waarover zij dus BTW zal moeten afdragen. De BTW over de overige schadeposten, te weten een bedrag van EUR 462,69, zal dan ook eveneens worden toegewezen.

4.20. Uit het bovenstaande volgt dat de vordering van Liander kan worden toegewezen tot een bedrag van:

Transportdeel EUR 4.925,20

BTW Transportdeel EUR 935,79

Leveringsdeel EUR 19.569,66

EB EUR 3.168,30

Overige schadeposten EUR 2.435,22

BTW overige schadeposten EUR 462,69 +

Totaal EUR 31.496,86

Buitengerechtelijke kosten, wettelijke rente en nakosten

4.21. Liander heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan. De buitengerechtelijk kosten zijn ook niet door [gedaagde] betwist, zodat de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van EUR 1.158,00 zal toewijzen.

4.22. De gevorderde wettelijke rente is evenmin door [gedaagde] betwist, zodat die eveneens kan worden toegewezen, met dien verstande dat de rente slechts verschuldigd is over het toe te wijzen bedrag. Aangezien niet duidelijk is vanaf welke datum de rente wordt gevorderd, zal de rente worden berekend vanaf 18 november 2008, de datum waarop gedaagde bij sommatie exploot is gesommeerd om tot betaling van de vordering, vermeerderd met rente, over te gaan.

4.23. De door Liander gevorderde nakosten kunnen op grond van artikel 237 lid 4 Rv worden toegewezen zoals hierna in het dictum vermeld.

4.24. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Liander worden begroot op:

- dagvaarding EUR 89,48

- vast recht 880,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 2.757,48

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Liander te betalen een bedrag van EUR 32.654,86 (tweeëndertig duizendzeshonderdvierenvijftig euro en zesentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van EUR 31.496,86 vanaf 18 november 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Liander tot op heden begroot op EUR 2.757,48, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tevens in de nakosten, aan de zijde van Liander bepaald op EUR 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met EUR 68,-- voor nasalaris advocaat,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.?