Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM3469

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-05-2010
Datum publicatie
06-05-2010
Zaaknummer
10/470
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beschikking onderzoek Klimop, art. 208 Sv.

Bezwaarschrift tegen weigering r-c om audio-verhoren van verdachte als processtuk aan te merken en subsidiair een kopie van deze verhoren aan de verdediging toe te zenden en daarnaast toevoeging aan het dossier van alle documenten aanwezig bij Philips en Bouwfonds die betrekking hebben op de waardebepaling van onroerend goed in 3 projecten.

Rechtbank overweegt dat de audio-verhoren van verdachte niet zijn aan te merken als processtukken. Wel moet een kopie aan de verdediging worden verstrekt; het uitluisteren van de verhoren in de dataroom in Helmond kan niet van de verdediging gevergd worden nu het de verhoren van de verdachte zelf betreft. Privacy niet in het geding want het betreft verdachte zelf. Ten aanzien van de taxatierapporten overweegt de rechtbank dat de verdediging voldoende heeft aangegeven deze nodig te hebben in kader van de verdediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige raadkamer

Registratienummer: 10/470

Parketnummer: 15/996502-07 (Klimop)

Uitspraakdatum: 6 mei 2010

Beschikking (art. 208 Sv)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 29 maart 2010 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een bezwaarschrift, gedateerd 29 maart 2010, van mr. F.H.H. Sijbers, gemachtigde van

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

domicilie kiezende te [adres], ten kantore van mr. F.H.H. Sijbers, advocaat.

Het bezwaarschrift ex art. 208 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is gericht tegen de bij de brief van 17 maart 2010 meegedeelde beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de weigering de auditieve vastleggingen van de verhoren van verdachte en alle documenten aanwezig bij Philips en Bouwfonds die betrekking hebben op de waardebepaling van onroerend goed uit de projecten 126, Ceylonstaete en Eurocenter, in het dossier te voegen.

De meervoudige raadkamer heeft het bezwaarschrift en het verzoekschrift op 15 april 2010 tijdens een niet openbare zitting behandeld.

Voor verdachte is verschenen mr. F.F.H. Sijbers voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. D.Y. Goudriaan.

Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal gemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Ontvankelijkheid

Gelet op artikel 208, derde lid, Sv heeft de verdachte de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen tegen de in een schriftelijke beschikking vervatte weigering van de rechter-commissaris om over te gaan tot het doen van onderzoek naar door de verdediging opgegeven feiten. In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris zijn weigering weliswaar vervat in een brief van 17 maart 2010 en niet in een schriftelijke beschikking, maar de rechtbank is van oordeel dat deze brief gelijk gesteld dient te worden aan de in genoemd artikel vermelde schriftelijke beschikking, nu in de brief zowel de weigering als de gronden daarvoor zijn vermeld en de brief aan de verdediging is toegezonden.

Verdachte heeft binnen de wettelijke termijn een bezwaarschrift tegen de beschikking van de rechter-commissaris ingediend en is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar.

3. Procedure

Uit de stukken blijkt dat de audio-opnamen van de verhoren van verdachte voorhanden zijn in een voor het onderzoek Klimop ingerichte ‘dataroom’, welke zich bevindt in Helmond.

De raadsman van verdachte heeft op 2 februari 2010 aan de rechter-commissaris verzocht de audio-opnamen van verdachte als processtukken aan te merken en in kopie te doen verstrekken aan de verdediging. De raadsman heeft daarbij aangegeven dat de verdediging kostbare tijd verliest met het op en neer reizen naar Helmond en dat hij de opnamen in alle rust met zijn cliënt wil kunnen beluisteren en bespreken.

De raadsman van verdachte heeft op 3 februari 2010 aan de rechter-commissaris verzocht tot toevoeging aan het dossier, middels het in beslag (doen) nemen dan wel middels het vragen om uitlevering van:

‘alle documenten aanwezig bij Philips N.V., haar dochterondernemingen en Stichting Philips pensioenfonds B.V., Philips Real Estate Investment Management B.V. Bouwfonds, waaronder begrepen taxatierapporten die betrekking hebben op de waardebepaling van onroerend goed, in het strafrechtelijk dossier aangeduid als Project 126, Project Ceylonstaete en Project Eurocenter’.

De raadsman heeft in zijn verzoek aangegeven dat de documenten van belang zijn voor de verdediging, nu getuigen en verbalisanten in het dossier meermalen spreken over taxaties en taxatiewaarden van de betreffende projecten, maar dat onderliggende stukken veelal in het dossier ontbreken.

De rechter-commissaris heeft in de beschikking van 17 maart 2010 geweigerd om de audio-opnamen van de verhoren van verdachte als processtukken aan te merken en in kopie te verstrekken aan de verdediging. De rechter-commissaris heeft daartoe overwogen dat de verdediging reeds recht heeft op kennisname van die audio-opnamen en dat dit mogelijk is in de ‘dataroom’ in Helmond. Dat het lastig is om dit in Helmond te doen is naar het oordeel van de rechter-commissaris geen afdoende argument om de audio-opnamen als processtuk aan te merken, dan wel ze in kopie te verstrekken.

De rechter-commissaris heeft voorts in zijn beschikking van 17 maart 2010 het verzoek tot toevoeging van de taxatierapporten afgewezen. Naar het oordeel van de rechter-commissaris was het verzoek, voor zover het betreft “alle documenten aanwezig bij Philps N.V.”, onvoldoende specifiek, terwijl voor zover het betreft taxatierapporten met betrekking tot met name genoemde projecten het verdedigingsbelang onvoldoende is onderbouwd.

Tegen de weigering om de audio-opnamen van de verhoren van verdachte als processtukken aan te merken en in kopie te verstrekken aan de verdediging en afwijzing van het verzoek tot toevoeging van de taxatierapporten heeft de raadsman een bezwaarschrift ex art. 208 Sv ingediend.

4. Beoordeling van het bezwaarschrift ex art. 208 Sv

De raadsman van verdachte heeft tegen de weigering van de rechter-commissaris bezwaar gemaakt en aangegeven dat de genoemde audio-opnamen van de verhoren van verdachte als processtuk beschouwd moeten worden, nu de verdediging de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen betwist, en dat zij dientengevolge aan het dossier moeten worden toegevoegd. Subsidiair meent hij dat een kopie van de audio-opnamen aan de verdediging verstrekt dient te worden, zodat zij in de gelegenheid is deze op een adequate wijze uit te luisteren, wat niet het geval is bij het uitluisteren van de opnamen in Helmond, hetgeen dagelijks vier uur reistijd met zich brengt. Daarnaast heeft hij aangegeven dat het voor de verdediging van essentieel belang is dat zij kennis kan nemen van de taxatierapporten met betrekking tot de waardebepaling van onroerend goed in de met name genoemde projecten.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de audio-opnamen niet tot de processtukken behoren. Door de verdediging is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, gelet op het in dezen als uitgangspunt te hanteren zogenaamde relevantiecriterium, de stukken alsnog aan het dossier toegevoegd dienen te worden. Daarbij is overwogen dat door de verdediging geen specifieke gedeelten van de opnamen aangewezen zijn waarvan de betrouwbaarheid dan wel de rechtmatigheid wordt betwist. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek is de officier van justitie van oordeel dat de ‘dataroom’ in Helmond een voldoende adequate mogelijkheid biedt tot kennisname van de audio-opnamen en dat het niet noodzakelijk is de audio-opnamen in kopie aan de verdediging te verstrekken.

Naar het oordeel van de officier van justitie dient het bezwaarschrift tevens ongegrond te worden verklaard ten aanzien van het bezwaar tegen de weigering de taxatierapporten aan het dossier te doen toevoegen. De officier van justitie stelt dat deze rapporten niet relevant zijn voor de aan verdachte verweten gedragingen en er derhalve geen verdedigingsbelang aanwezig is.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Ten aanzien van de audio-opnamen

De bedoelde audio-opnamen betreffen verhoren van de verdachte. Deze verhoren zijn schriftelijk neergelegd in volgens de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal die zijn gevoegd in het procesdossier.

Tegen de achtergrond van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zoals o.a. neergelegd in het zogenaamde Dev Sol-arrest (HR 7 mei 1996, NJ 1996, 687), kunnen de audio-opnamen eerst dan als processtuk worden aangemerkt indien en in zoverre de processen-verbaal welke de neerslag vormen van de afgenomen en opgenomen verhoren worden betwist.

De raadsman van verdachte heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat enkele door hem in Helmond uitgeluisterde verhoren afwijken van de neerslag in de daarvan opgemaakte processen-verbaal. De raadsman heeft echter ook aangegeven dat hij nog geen compleet overzicht heeft en dat hij eerst na een adequate kennisneming van de audio-opnamen zal kunnen aangeven welke onderdelen van de processen-verbaal van de verhoren van zijn cliënt hij betwist.

De rechtbank stelt vast dat op dit moment gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad de audio-opnamen niet zijn aan te merken als processtukken. Het bezwaarschrift wordt ten aanzien van de weigering van de rechter-commissaris de audio-opnamen als processtukken aan te merken en ze dientengevolge aan het procesdossier toe te voegen, dan ook ongegrond verklaard.

Omtrent het subsidiair verzoek van de raadsman – verstrekken van een kopie aan de verdediging van de audio-opnamen zonder deze vooralsnog toe te voegen aan het dossier – overweegt de rechtbank het volgende.

Het verzoek betreft de verstrekking in kopie van audio-opnamen van de eigen verhoren van verdachte. De ‘dataroom’ waar de verhoren te beluisteren zijn bevindt zich in Helmond. De rechtbank acht de door de raadsman aangegeven reistijd vanuit Den Haag naar Helmond van twee uur enkele reis niet onaannemelijk. De verhoren van verdachte bestrijken vele uren en het zal naar verwachting vele dagen duren om alle verhoren te kunnen uitluisteren.

De rechtbank is van oordeel, gezien de hiervoor aangegeven feiten, dat van de verdediging in redelijkheid niet gevergd kan worden de verhoren van de verdachte in Helmond te gaan uitluisteren. Belangrijk daarbij is, dat gevaar voor schending van de privacy van de verdachte met de verstrekking van een kopie van de verhoren niet in het geding is; het betreft immers verhoren van de verdachte zelf.

Dit geldt te meer nu de officier van justitie desgevraagd ter zitting ook geen concreet belang kon aangeven in de zin dat het kopiëren van de opnamen een onevenredig beslag zou leggen op de werkzaamheden van de administratie dan wel praktisch onuitvoerbaar zou zijn. De enkele opmerking van de officier van justitie dat de vrees bestaat dat de cd-roms met de verhoren uit de macht van het openbaar ministerie geraken en gaan ‘rondzwerven’, acht de rechtbank te algemeen gesteld en in dezen onvoldoende zwaarwegend, nu het de verdachte zelf betreft die deze cd-roms in handen krijgt en derhalve zijn privacy in het geding is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de onderhavige zaak duidelijk verschilt van die van een medeverdachte in het Klimoponderzoek (Rechtbank Haarlem 19 maart 2010, reg. nr. 10/13, 10/14). In die zaak was verzocht om verstrekking van audio-opnamen van verhoren van medeverdachten en niet om audio-opnamen van verhoren van de verdachte zelf.

Dit betekent, gelet op het bovenstaande, dat het bezwaar tegen de weigering de audio-opnamen aan de verdediging te verstrekken gegrond verklaard wordt. Waarbij dient te gelden dat een kopie van de audio-opnamen aan de verdediging verstrekt dient te worden, zonder dat deze in het procesdossier gevoegd zullen worden nu de stukken niet als processtukken zijn aan te merken.

Ten aanzien van de taxatierapporten

In het bezwaarschrift dat door de raadsman is ingediend is naar voren is gebracht, dat de taxatierapporten inzake het zogenoemde Project 126, Project Ceylonstaete en Project Eurocenter, van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of daadwerkelijk bepaalde onroerend goedpakketten voor een te lage, niet marktconforme prijs, zijn verkocht.

De rechtbank overweegt dat, de verdediging voldoende heeft aangegeven de betreffende taxatierapporten in het kader van de verdediging nodig te hebben. De rechtbank oordeelt dan ook dat het bezwaarschrift tegen de beslissing van de rechter-commissaris gegrond is.

Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat de taxatierapporten met betrekking tot de waardebepaling van het onroerend goed uit project 126, project Ceylonstaete en project Eurocenter als processtuk aan het procesdossier toegevoegd dienen te worden.

5. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het bezwaarschrift ten aanzien van de voeging van de audio-opnamen als processtukken aan het dossier ongegrond;

verklaart het bezwaarschrift ten aanzien van de verstrekking van kopieën van de audio-opnamen aan de verdediging gegrond;

verklaart het bezwaarschrift ten aanzien van de voeging van de taxatierapporten met betrekking tot het onroerend goed in project 126, project Ceylonstaete en project Eurocenter als processtukken aan het dossier gegrond;

beveelt dat de officier van justitie een kopie verstrekt van de audio-opnamen van de verhoren van de verdachte [verdachte] aan diens advocaat;

beveelt dat de officier van justitie toevoegt aan het procesdossier middels het in beslag (doen) nemen dan wel middels het vragen om uitlevering van alle taxatierapporten aanwezig bij Philips N.V., haar dochterondernemingen en Stichting Philips pensioenfonds B.V., Philips Real Estate Investment Management B.V. Bouwfonds, die betrekking hebben op de waardebepaling van onroerend goed, aangeduid als Project 126, Project Ceylonstaete en Project Eurocenter.

6. Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. F.G. Hijink en mr. T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E. de Witte, griffier,

op 6 mei 2010.