Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM3361

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
15-800004-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

invoer cocaïne, Schiphol, opzet, Opiumwet;

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1090 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Gevangenisstraf 14 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800004-10

Uitspraakdatum: 22 april 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 april 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in PI Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) maanden, waarvan een deel, groot drie (3) maanden, voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee (2) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de door of namens de Reclassering Nederland gegeven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht. Tevens heeft de officier van justitie geconcludeerd tot verbeurdverklaring van de onder verdachte in beslag genomen vliegtickets.

4. Bewijs

4.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 april 2010 afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen (dossierparagraaf 1.1.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierparagraaf 1.1.5.);

• een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenrapport van het Douanelaboratorium te Amsterdam d.d. 15 januari 2010 (kenmerk 330 X 10).

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 1 januari 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 23 februari 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1090 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verdachte blijkens zijn documentatie in januari 2006 reeds eerder is veroordeeld voor een overeenkomstig in de Opiumwet strafbaar gesteld feit.

De eis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. In de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de Reclassering Nederland gedurende de proeftijd noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

8. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten twee vliegtickets, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie (3) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, zolang die instelling dat nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

2) 2.00 STK Vliegticket [nummer]; pbm-ams 31-12-09;

3) 1.00 STK Vliegticket [nummer]; ams-pbm-ams.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mrs. G.D. de Jong en P.P.J. van der Meij, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2010.

Mr. P.P.J. van der Meij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.