Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM3300

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
424956 / CV EXPL 09-5334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag? Eiser heeft als chauffeur in dienst van gedaagde werkzaamheden verricht ten behoeve van het vervoer van werknemers van Corus. Na overname van een gedeelte van de werkzaamheden door een ander bedrijf, is de arbeidsovereenkomst van eiser gedeeltelijk ontbonden met toekenning aan eiser van een vergoeding conform het Sociaal Plan. Nadat Corus al haar bedrijfsvervoer aan het andere bedrijf had gegund, heeft gedaagde de arbeidsovereenkomst met eiser opgezegd met toestemming van het UWV. Aan eiser is geen vergoeding verstrekt. Eiser vordert schadevergoeding in verband met kennelijk onredelijk ontslag ingevolge artikel 7:681 BW.

Ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden ligt in de risicosfeer van de werkgever, maar maakt op zichzelf het ontslag niet kennelijk onredelijk. De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag weliswaar ernstige gevolgen voor eiser heeft, maar dat die gevolgen in vergelijking tot het belang van de werkgever bij het ontslag niet zodanig ernstig zijn dat hierdoor sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0416
Prg. 2010, 131

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 424956 / CV EXPL 09-5334

datum uitspraak: 20 januari 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

Inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde: mr. M.M.C. Roos, FNV Bondgenoten, Individuele Dienstverlening

tegen

de besloten vennootschap [XXX] EN [YYY] AUTOBUSSEN B.V.

te Heemskerk

gedaagde

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde: mr. A.J. Mendes de Leon, Koninklijk Nederlands Vervoer

De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard op 15 mei 2009. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiser] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna [gedaagde] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

1. [eiser], geboren op 2 januari 1950, is op 31 oktober 1971 bij [gedaagde] in dienst getreden voor een arbeidsduur van veertig uur per week. Laatstelijk had hij de functie van chauffeur bedrijfsvervoer.

2. [gedaagde] verzorgde sinds lange tijd voor Corus Staal BV het busvervoer van de werknemers van Corus. Per 1 september 2004 heeft De Wit Autocars BV te Haarlem een deel van het bedrijfsvervoer dat [gedaagde] voor Corus verrichtte, overgenomen, waardoor de omzet van [gedaagde] aanzienlijk is teruggelopen.

3. In verband met het voorgaande heeft de kantonrechter te Alkmaar bij beschikking van 30 december 2004 de arbeidsovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiser] met ingang van 1 januari 2005 voor een gedeelte van twintig uur per week ontbonden, onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding conform artikel 4 van het Sociaal Plan Chauffeurs Bedrijfsvervoer [gedaagde] Autobussen B.V. December 2004.

4. [eiser] is in opdracht van het UWV vanaf 2005 begeleid door bureau Hudson teneinde voor hem een urenuitbreiding te realiseren dan wel een andere full time baan te vinden.

5. Vanaf begin 2007 is [eiser] enige tijd arbeidsongeschikt geweest omdat hij blijkens een probleemanalyse van 20 april 2007, opgesteld door P.D. de Bruin, bedrijfsarts, niet langer opgewassen zou zijn tegen de onregelmatige werktijden (ook in de weekeinden) waardoor hij last had van slapeloosheid en concentratieverlies.

6. Omdat Corus per 1 januari 2008 de opdracht voor al haar bedrijfsvervoer aan De Wit Autocars had gegund, heeft [gedaagde] bij brief van 25 september 2007 aan het Centrum voor Werk en Inkomen verzocht om haar toestemming te verlenen voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van twaalf van haar werknemers, waaronder [eiser].

7. Nadat die toestemming was verleend heeft [gedaagde] het dienstverband met [eiser] bij brief van 20 november 2007 opgezegd tegen 10 maart 2008.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 90.394,50 bruto aan schadevergoeding, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten ad € 1.000,-, tevens te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de datum van verschuldigdheid van die bedragen. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van kennelijk onredelijk ontslag ingevolge artikel 7:681 BW nu, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de opzegging.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Zij voert aan dat, nu het oorspronkelijke dienstverband per

1 januari 2005 is geëindigd, de kennelijke onredelijkheid alleen nog betrekking kan hebben op het dienstverband dat is ingegaan op 1 januari 2005 en door middel van opzegging per

10 maart 2008 is geëindigd. Voor dat dienstverband gold evenwel het Sociaal Plan nog. Daaraan is ook uitvoering gegeven, zodat [eiser] geen schadevergoeding kan verlangen. Voorts betwist [gedaagde] dat, mede in aanmerking genomen de voor [eiser] getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de opzegging. Van kennelijk onredelijk ontslag is derhalve geen sprake, aldus [gedaagde].

De beoordeling van het geschil

1. De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] dat de kennelijk onredelijk ontslagprocedure uitsluitend betrekking kan hebben op het dienstverband dat bestond tussen 1 januari 2005 en 10 maart 2008. Dit verweer gaat niet op, nu de kantonrechter te Alkmaar in zijn beschikking van 30 december 2004 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden voor een gedeelte van twintig uur per week. Daaruit volgt dat de oorspronkelijk arbeidsovereenkomst, die in 1971 is ingegaan, voor de duur van twintig uur per week in stand is gebleven en na 1 januari 2005 is voortgezet.

2. Voorts voert [gedaagde] aan dat [eiser] geen schadevergoeding kan vorderen, omdat het Sociaal Plan van december 2004 ten tijde van het ontslag nog van toepassing was.

Ook dit verweer wordt verworpen. Blijkens de inleiding van dat Sociaal Plan zag dit op het ontslag van 21 chauffeurs als gevolg van het per 1 september 2004 en

1 februari 2005 wegvallen van een aantal lijnen bedrijfsvervoer en had het plan tot doel het resterende werkaanbod te verdelen over de betrokken werknemers. Aan dit plan is destijds, ook voor wat betreft [eiser], uitvoering gegeven. Weliswaar geldt het plan voor een periode van vier jaar, maar noch uit het plan, noch uit de verdere stellingen van [gedaagde] volgt dat beoogd is het plan ook van toepassing te laten zijn op de per 1 januari 2008 ontstane situatie waarbij alle lijnen bedrijfsvervoer zijn weggevallen en er voor [eiser] helemaal geen arbeidsuren meer zijn.

3. De kantonrechter komt nu toe aan de vraag of sprake is van kennelijk onredelijk ontslag zoals betoogd door [eiser]. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [eiser] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij de opzegging, dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Daarbij kunnen een rol spelen: omstandigheden die verband houden met het dienstverband en de opzegging, de (on)mogelijkheden voor ander passend werk, de financiële gevolgen van de opzegging en de getroffen voorzieningen. Het is aan [eiser] om feiten en omstandigheden ten aanzien van het kennelijk onredelijk ontslag te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.

4. Voor wat betreft het dienstverband geldt dat [eiser] bijna veertig jaar bij [gedaagde] in dienst is geweest en dat hij ten tijde van het ontslag 58 jaar oud was. Gesteld noch gebleken is dat hij gedurende het dienstverband niet naar behoren zou hebben gefunctioneerd. De reden voor het ontslag had daarop in elk geval geen betrekking, maar hing samen met de bedrijfseconomische omstandigheid dat [gedaagde] het bedrijfsvervoer voor Corus niet langer verzorgde. Dat is een omstandigheid die weliswaar in de risicosfeer van [gedaagde] ligt, maar die niet van zodanige aard is dat deze op zich zelf het ontslag kennelijk onredelijk maakt. Verder is van belang dat [eiser] gelet op de gedeeltelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst in 2004 en de beperkte vergoeding die hij toen ontving, kon weten dat de situatie bij [gedaagde] niet rooskleurig was en dat niet uit te sluiten was dat [gedaagde] in de toekomst al haar bedrijfsvervoer voor Corus zou kwijtraken.

5. Gelet op de leeftijd van [eiser] moet het vinden van ander passend werk niet eenvoudig worden geacht. Dat gold evenwel ook voor de meeste andere chauffeurs die gelijktijdig met [eiser] zijn ontslagen. [gedaagde] heeft er in augustus 2007 bij Jan de Wit Autocars op gewezen dat door de overname van het contract met Corus arbeidsovereenkomsten met chauffeurs beëindigd zouden worden en verzocht om deze chauffeurs in dienst te nemen. Voorts heeft [gedaagde] bij brief van

15 augustus 2006 aangeboden om bij Arriva te bemiddelen opdat [eiser] aldaar in dienst zou kunnen treden. Het grootste deel van de chauffeurs die gelijktijdig met [eiser] zijn ontslagen, is uiteindelijk bij Jan de Wit Autocars in dienst getreden. [gedaagde] heeft derhalve het nodige gedaan om voor [eiser] ander werk te vinden. Dat de mogelijkheden voor [eiser] beperkt waren omdat hij niet meer in staat zou zijn op onregelmatige tijden te werken, kan niet aan [gedaagde] worden tegengeworpen. Het werken op onregelmatige tijden is nu eenmaal inherent is aan het werk als chauffeur.

Dat [gedaagde] heeft nagelaten een re-integratiebureau in te schakelen, maakt het ontslag evenmin kennelijk onredelijk. Gesteld noch gebleken is dat ten behoeve van de andere ontslagen chauffeurs, die zich in min of meer gelijke omstandigheden bevonden, een re-integratiebureau is ingeschakeld, dat [gedaagde] daartoe de (financiële) mogelijkheid had gehad en dat het inschakelen van een dergelijk bureau enige meerwaarde zou hebben gehad ten opzichte van de begeleiding die [eiser] al kreeg van het bureau Hudson.

6. Uit de stellingen van [eiser] volgt verder dat [gedaagde] jegens hem wanprestatie zou hebben gepleegd omdat zij vrijgekomen uren (die, naar de kantonrechter aanneemt, betrekking hadden op het bedrijfsvervoer van en naar Corus), in strijd met eerdere toezeggingen, zou hebben laten opvullen door personeel in dienst van de aan haar gelieerde vennootschap [XXX] en [YYY] Touringcars BV. [eiser] heeft nagelaten deze stellingen te concretiseren en te onderbouwen, maar wat daarvan ook zij, als [eiser] die uren wel zou hebben gekregen, mag aangenomen worden dat hij die door het verlies van het gehele Corus contract toch weer kwijt zijn geraakt. Verder verwijt [eiser] [gedaagde] dat hem geen plaats als touringcarchauffeur bij [XXX] en [YYY] Touringcars BV is aangeboden. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of [eiser] over de daarvoor vereiste capaciteiten beschikt en of deze functie gelet op zijn klachten wegens het werken op onregelmatige tijden wel passend zou zijn, geldt dat [XXX] en [YYY] Touringcars BV een aparte vennootschap is en dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom zij gehouden zou zijn [eiser] een functie, zo zij die al zou hebben gehad, aan te bieden.

7. Aan [eiser] is, hoewel de financiële gevolgen van het ontslag voor hem ernstig zijn, geen vergoeding aangeboden. Gesteld noch gebleken is dat de andere werknemers die gelijktijdig met [eiser] zijn ontslagen, enige vergoeding aangeboden hebben gekregen. De stelling van [gedaagde] dat haar financiële positie het haar onmogelijk maakt om enige vergoeding aan te bieden, is door [eiser] slechts weersproken door er op te wijzen dat [gedaagde] deel uitmaakt van een concern van meerdere vennootschappen. Daaruit volgt echter niet dat die wel in staat zijn om enige vergoeding te betalen, noch daargelaten dat het gaat om aparte vennootschappen die niet zonder meer hoeven in te staan voor één van hun zuster vennootschappen. Van de door [eiser] in deze gewenste vereenzelviging kan alleen sprake zijn onder zeer bijzondere omstandigheden (zie HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698) en die zijn gesteld noch gebleken.

8. De conclusie van het voorgaande is dat het ontslag weliswaar ernstige gevolgen voor [eiser] heeft, maar dat die gevolgen in vergelijking tot het belang van [gedaagde] bij het ontslag niet zodanig ernstig zijn dat hierdoor sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

9. De kantonrechter ziet gelet op de aard van het geschil aanleiding om de proceskosten te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.