Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM2308

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
AWB 09_3049
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wet wia. Geen medische verklaringen dat de aangenomen beperkingen onvoldoende zijn en dat zij de geduide functies niet kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 3049

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2010

in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2009 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) per 16 maart 2008.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 14 juni 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 februari 2010. Eiseres is in persoon ter zitting verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. C. Vork, werkzaam bij het Uwv te Alkmaar. Tevens was aanwezig [naam]

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is op 14 april 2005 met rugklachten uitgevallen van haar werkzaamheden als assistent begeleider van lichamelijk en geestelijk gehandicapten voor 30,6 uur per week. Bij besluit van 12 april 2007 is haar geen WIA-uitkering toegekend omdat verweerder haar minder dan 35% arbeidsongeschikt achtte. Op 16 maart 2008 heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Op 26 november 2008 is eiseres gezien door een verzekeringsarts. Deze achtte het aannemelijk dat de afname van de benutbare mogelijkheden in overwegende mate voortvloeit uit dezelfde ziekteoorzaken. De verzekeringarts zag echter wel duurzaam benutbare mogelijkheden. Zij heeft de mogelijkheden en beperkingen van eiseres op diezelfde datum in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) vastgelegd.

Vervolgens heeft eiseres op 16 december 2008 gesproken met een arbeidsdeskundige. Na overleg met de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige vier functies geduid die eiseres geacht wordt te kunnen verrichten. Aan de hand van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres berekend op 19,95%. Op basis van de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige heeft verweerder bij besluit van 19 december 2008 aan eiseres medegedeeld dat aan haar per 16 maart 2008 geen WIA-uitkering wordt toegekend.

Eiseres heeft haar bezwaren nader toegelicht tijdens een hoorzitting op 18 februari 2009 in aanwezigheid van een bezwaarverzekeringsarts, die aansluitend lichamelijk onderzoek heeft verricht. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van eiseres. Deze heeft per brief van 20 maart 2009 een schrijven van neurochirurg Selen overgelegd van 3 maart 2009 en een schrijven van neuroloog Hoeksema van 26 juli 2005. De bezwaarverzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding is om tot een ander oordeel over de medische grondslag van het besluit dan wel de belastbaarheid van eiseres te komen. Ook de bezwaararbeidsdeskundige zag op grond van het bezwaarschrift geen aanleiding om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige. Hierop heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

2.2 Eiseres is het niet eens met het besluit. In beroep heeft zij aangevoerd dat haar beperkingen onvoldoende zijn onderkend. Zij verwijst naar recente onderzoeksresultaten van haar neuroloog dr. De Bruin. Voorts vermeldt zij dat zij voor haar pijnklachten thans wordt behandeld door dr. Oey. Zij vermeldt dat zij veel pijnstilling gebruikt en regelmatig moet liggen om de pijn te kunnen verdragen. Eiseres acht zich niet in staat lang te zitten. Voorts acht zij zich, gemotiveerd, niet in staat om de geduide functies te verrichten.

De rechtbank overweegt het volgende.

2.3 In artikel 18 van de WAO is bepaald dat arbeidsongeschikt is, degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) dient dit artikel aldus te worden uitgelegd dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

2.4 Het bestreden besluit berust op de rapportages die aan verweerder zijn uitgebracht door verzekeringsartsen en een arbeidsdeskundigen. Eiseres betwist de juistheid van deze rapportages. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of de rapportages zorgvuldig tot stand zijn gekomen, in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en of er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.5 De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen, die aan het hier bestreden besluit ten grondslag liggen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Hierbij wijst de rechtbank erop dat de (bezwaar-) verzekeringsarts eiseres zelf heeft gesproken en de beschikbare medische informatie bij zijn beoordeling heeft betrokken. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn conclusie uitgebreid gemotiveerd en nogmaals toegelicht in de beroepsfase bij rapportage van 3 augustus 2009.

2.6 Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat zij vanwege haar rugklachten niet in staat zou zijn de geduide functies te vervullen. De bezwaarverzekeringsarts heeft voor zijn beoordeling recente informatie opgevraagd en verkregen van dr. Selen, praktijkgenoot van de vaste neuroloog van eiseres, dr. De Bruin. Deze informatie heeft hij bij zijn eigen onderzoek betrokken. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft ernstige rugpathologie aangenomen, en beperkingen op rugbelastende aspecten vastgesteld. Nu eiseres niet door middel van medische verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat de aangenomen beperkingen onvoldoende zijn en zij daardoor de geduide functies niet kan verrichten, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om nadere beperkingen, zoals ten aanzien van zitten, buigen of werkbare uren, aan te nemen.

2.7 Ten aanzien van de arbeidskundige grieven van eiseres overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts blijkt dat sprake moet zijn van functies waarin voornamelijk of enkel dient te worden gezeten. Uit de betreffende rapportages blijkt echter dat gedacht moet worden aan zittende werkzaamheden met afwisseling door staan of lopen. De rechtbank stelt vast dat de door eiseres bestreden functies inpakster koekjes, receptioniste, monteur en elektronicamonteur deze mogelijkheden bieden. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportages van 30 maart 2009 en 12 augustus 2009 naar het oordeel van de rechtbank uiterst zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn voor eiseres. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de conclusies van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen.

2.8 De gronden die zijn gericht tegen de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, worden verworpen. Het bestreden besluit is, voor zover het berust op deze conclusies, op goede gronden genomen.

2.9 Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, rechter, en op 30 maart 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.