Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM2031

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-01-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
434992CVEXPL09-8778
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Loonvordering ex artikel 7:629 BW. Afwijzing van de vordering wegens het ontbreken van een deskundigenverklaring als bedoeld in artikel 660a BW.

Werknemer die gedurende arbeidsongeschiktheid zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen, heeft zich na ruim twee jaar op de werkplek gemeld, waarna hij door werkgever is weggezonden. Werknemer stelt dat zijn werkaanbod meebrengt dat hij vanaf dat moment weer recht heeft op loon.

De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen vóór het instellen van de vordering een second opinion aan te vragen bij het UWV. Het enkele feit dat eiser zich heeft gemeld voor het verrichten van passende arbeid, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om een herleving van de loonbetalingsverplichting van werkgever aan te nemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0366
JIN 2010/377
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 434992 CV EXPL 09-8778

datum uitspraak: 20 januari 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. B. Wernik

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk[gedaagde] en Zoon Vleeswaren B.V.

te Haarlem

gedaagde

hierna te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. E.V. Jongepier

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 30 juli 2009, met producties,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en op 14 oktober 2009 uitgesproken tussenvonnis,

- de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 25 november 2009 gehouden comparitie van partijen.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

De feiten

a. [eiser] is op 1 augustus 2001 bij [gedaagde] in dienst getreden. Laatstelijk was hij daar werkzaam als productiemedewerker tegen een maandsalaris van € 1.827,51 bruto, exclusief 8 % vakantietoeslag.

b. Sinds 8 februari 2007 is [eiser] arbeidsongeschikt.

c. In maart 2008 heeft het UWV op verzoek van [gedaagde] een deskundigenoordeel gegeven over de passendheid van het aan [eiser] in het kader van diens re-integratie aangeboden werk. Het UWV vond het aangeboden werk passend.

d. Bij brief van 29 april 2008 heeft [gedaagde] [eiser] gewaarschuwd voor een ‘loonstop’ wegens niet meewerken aan zijn re-integratie.

e. Vanaf 12 oktober 2008 heeft [eiser], ondanks sommaties, de hem ten behoeve van zijn re-integratie aangeboden werkzaamheden niet meer uitgevoerd.

f. Op 3 december 2008 heeft het UWV (wederom als deskundige door [gedaagde] geadieerd) nogmaals het aangeboden werk passend geoordeeld.

g. Vanaf eind november 2008 heeft [gedaagde] het loon opgeschort wegens herhaalde schending door [eiser] van zijn re-integratieverplichtingen.

h. In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV in het kader van de wet WIA (gedateerd 20 januari 2009) staat als conclusie:

Er is sprake van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hierdoor is cliënt aangewezen op werkzaamheden conform de opgestelde functionele mogelijkhedenlijst. Cliënt kan deze mogelijkheden duurzaam benutten. Ik kan niet beoordelen of cliënt verwijtbaar niet mee heeft gewerkt aan reïntegratie. In ieder geval is er wel sprake van problematiek waardoor frequent ziekteverzuim verklaard kan worden.

i. Op 24 februari 2009 heeft een kort geding plaatsgehad bij de kantonrechter te Haarlem. Daarin vorderde [eiser] veroordeling van [gedaagde] tot (door)betaling van loon.

j. Op 25 februari 2009 heeft [eiser] zich op de werkplek gemeld. [gedaagde] heeft [eiser] naar huis gestuurd. Hetzelfde is op 6 april 2009 gebeurd.

k. De loonvordering van [eiser] is afgewezen bij kort vonnis van 3 maart 2009.

In het vonnis is onder meer overwogen:

De rapportage van het UWV van 20 januari 2009 noch de verklaring van de psychiater van [eiser] van 5 januari 2009 rechtvaardigen de conclusie dat [eiser] een deugdelijke grond heeft om de hem aangeboden werkzaamheden te weigeren. [eiser] heeft de mogelijkheid om zelf een deskundige in te schakelen onbenut gelaten.

Op grond van het vorenstaande valt niet goed in te zien op welke grond [eiser] vanaf 12 oktober 2008, ondanks sommaties van [gedaagde], niet meer op het werk is verschenen. (...) Aannemelijk is dat [eiser] zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden.

l. Op 5 mei 2009 heeft UWV WERKbedrijf een ontslagvergunning aan [gedaagde] verleend op de grond dat [eiser] niet meewerkt aan re-integratie. In de ontslagvergunning staat onder meer het volgende:

Werknemer geeft aan dat hij na de uitspraak van de rechter nog een keer in februari en een keer in april is verschenen op het werk waarna hem de deur gewezen werd. Het advies van het UWV, dat gebaseerd is op recent onderzoek, wijst uit dat de door de werkgever aangeboden werkzaamheden passend zijn. De arbeidsdeskundige van het UWV spreekt weliswaar (vaag) uit dat werknemer wellicht een deugdelijke reden heeft om niet mee te werken aan re-integratie, echter dit standpunt wordt noch door de deskundige van het UWV noch door de werknemer onderbouwd. Ondanks het feit dat werknemer (na de uitspraak van de rechter) in twee maanden tijd een tweetal keer op het werk is verschenen, wijst niets erop dat werknemer zijn weigerachtige gedrag zal veranderen. Bovendien heeft werknemer zelf de mogelijkheid gehad om een deskundigenoordeel aan te vragen echter werknemer heeft nagelaten dit te doen. (…)

m. [gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 juli 2009.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling over de periode 25 februari 2009 tot 1 juli 2009 van: het bruto maand loon ad € 1.827,51, de vakantietoeslag over het loon, de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het loon en de wettelijke rente over alle gevorderde bedragen.

[eiser] legt (samengevat) het volgende aan de vordering ten grondslag.

De kantonrechter heeft tijdens de kort geding zitting al gezegd, dat [eiser] naar haar voorlopige oordeel wel in staat moest worden geacht de aangeboden passende werkzaamheden te verrichten. Daarom heeft [eiser] zich vervolgens met dat doel tot tweemaal toe bij [gedaagde] gemeld. [gedaagde] heeft [eiser] echter beide keren naar huis gestuurd. [gedaagde] had dat niet mogen doen. Zij had [eiser] weer moeten toelaten tot het werk in plaats van hem zijn eerdere opstelling over de re-integratie na te dragen.

Het werkaanbod van [eiser] brengt mee dat hij vanaf 25 februari 2009 weer recht heeft

op loon.

Het verweer

[gedaagde] voert (samengevat) het volgende aan.

Voorop staat dat [eiser] niet in de vordering kan worden ontvangen, omdat hij bij zijn eis geen second opinion van het UWV heeft overgelegd met betrekking tot de vraag of hij zijn verplichtingen uit artikel 7:660a BW is nagekomen

Subsidiair geldt dat [gedaagde] geen loon is verschuldigd, omdat [eiser] continue zijn

re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Hieraan kan zijn plotselinge werkaanbod van

25 februari 2009 niet afdoen. Dat aanbod deed hij slechts ‘pour besoin de la cause’. Gezien de eerdere ervaringen heeft [gedaagde] het aanbod mogen weigeren. Van haar kon redelijkerwijs niet meer worden gevergd opnieuw een werkplek voor [eiser] in te richten

in de wetenschap dat hij na korte tijd weer zou stoppen, zoals hij in het verleden al meerdere malen had gedaan.

Ten slotte geldt dat [eiser] op 8 februari 2009 twee jaar arbeidsongeschikt was, zodat de wettelijke loonbetalingsverplichting al was geëindigd per 8 februari 2009 .

.

De beoordeling van het geschil

1. Aan de orde is een vordering als bedoeld in de artikelen 7:629 en 629a BW. Op grond van artikel 7:629a moet de rechter een dergelijke vordering afwijzen, indien bij de eis geen verklaring is gevoegd van een deskundige van het UWV omtrent de nakoming door de werknemer van diens re-integratieverplichtingen als bedoeld in artikel 660a. Dat laatste is hier nu juist in discussie.

2. Vast staat dat [eiser] zijn re-integratieverplichtingen tot 25 februari 2009 niet is nagekomen. [eiser] stelt dat hij alsnog aan die verplichtingen heeft voldaan door

zich na het kort geding bij [gedaagde] te melden voor het verrichten van aangepaste werkzaamheden. [gedaagde] betwist dat dit plotselinge werkaanbod ertoe heeft geleid dat van een schending van de re-integratieverplichtingen geen sprake meer was.

3. Met [gedaagde] is de kantonrechter van oordeel dat het, gelet op dit discussiepunt, op de weg van [eiser] had gelegen daaromtrent vóór het instellen van de vordering een second opinion aan te vragen bij het UWV. [eiser] dat heeft nagelaten. De vordering moet daarop al stranden.

4. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen. Het enkele feit dat [eiser] zich na (de behandeling van) het kort geding bij [gedaagde] heeft gemeld voor het verrichten van passende arbeid, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om een herleving van de loonbetalingsverplichting van [gedaagde] aan te nemen. In zoverre deelt de kantonrechter het (onder feit l. aangehaalde) oordeel van UWV Werkbedrijf. Gezien de eerdere herhaalde weigering van [eiser] om in het kader van zijn re-integratie passend geachte werkzaamheden te verrichten mocht [gedaagde] [eiser]s plotselinge werkaanbod in redelijkheid naast zich neerleggen, als zijnde niet serieus.

5. Daar komt bovendien bij dat [gedaagde] zich naar het oordeel van de kantonrechter terecht heeft beroepen op artikel 7:629 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de duur van het recht op behoud van loon maximaal 104 weken is. Vast staat dat [eiser] vanaf

8 februari 2007 onafgebroken arbeidsongeschikt was, zodat de termijn van 104 weken op 8 februari 2009 was verstreken. Feiten of omstandigheden die tot een verlenging van de termijn hebben geleid, zijn gesteld noch gebleken.

6. [eiser] heeft nog aangevoerd dat [gedaagde] na het verstrijken van de 104 weken termijn een nieuwe arbeidsovereenkomst voor ander passend werk met hem had moeten aangaan. Dit betoog faalt. Weliswaar is juist dat er een nieuwe termijn gaat lopen, indien partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst sluiten die betrekking heeft op ander passend werk dan de oorspronkelijk bedongen arbeid, maar [eiser] gaat eraan voorbij dat hij nooit ander passend werk heeft verricht, zodat het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst in zijn geval in het geheel niet aan de orde was.

7. Al het vorenstaande leidt er toe dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen.

8. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat hij in het ongelijk wordt gesteld.

BESLISSING

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van [gedaagde], die worden begroot op € 500,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.