Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM1715

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
20-04-2010
Zaaknummer
165704 - HA RK 10-9
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Verzoeker, arts, is de toeging tot het ziekenhuis ontzegd op grond van de conclusies van een onderzoekscommissie dat sprake is geweest van seksuele intimidatie. Verzoeker heeft naar het oordeel van de rechtbank belang bij zijn verzoek. Verzoeker moet immers in staat worden gesteld om zelfstandig te kunnen beoordelen waarom de onderzoekscommissie heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan en welke procedure zij daarbij heeft gevolgd. Anders dan het ziekenhuis betoogt, is verzoeker daartoe op basis van de door het ziekenhuis aan hem overgelegde – geanonimiseerde – stukken niet in staat, zodat het horen van getuigen daarvoor onontbeerlijk is.

Wanneer er geen voorlopig getuigenverhoor zou worden gelast, leidt dat tot de onredelijke situatie dat verzoeker een zeer zware sanctie in de vorm van ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis wordt opgelegd, louter op grond van anonieme getuigenverklaringen, gedaan in een procedure waarover verzoeker geen (aanvullende) inhoudelijke details te weten zou kunnen krijgen. Wordt er daarentegen wel een voorlopig getuigenverhoor gelast, dan kan het belang van de vertrouwelijkheid op eenvoudige wijze (voldoende) worden gewaarborgd door het verhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Hoewel het alleszins begrijpelijk is dat het voor klaagster en de getuigen wellicht niet eenvoudig is om nogmaals te verklaren, weegt onder deze omstandigheden het belang van verzoeker zwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 165704 / HA RK 10-9

Beschikking van 15 april 2010

in de zaak van

[Verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat mr. C.I. van Gent te ’s-Gravenhage

tegen

de stichting

STICHTING KENNEMER GASTHUIS,

gevestigd te Haarlem,

verweerster,

advocaat mr. R.S. de Vries te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Kennemer Gasthuis worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling.

2. De feiten

2.1. Van 1 mei 1980 tot 1 augustus 2008 is [verzoeker] op basis van een tussen partijen gesloten toelatingsovereenkomst werkzaam geweest als [arts] in het door Kennemer Gasthuis geëxploiteerde ziekenhuis (hierna: het ziekenhuis) te Haarlem.

2.2. Na de beëindiging van de toelatingsovereenkomst heeft Kennemer Gasthuis [verzoeker] toegestaan zijn werkzaamheden (tijdelijk) voort te zetten in het ziekenhuis.

2.3. Op 14 november 2008 (telefonisch) en 18 november 2008 (bij aangetekende brief) heeft de Raad van Bestuur van Kennemer Gasthuis [verzoeker] geïnformeerd over een tegen [verzoeker] ingediende klacht terzake seksuele intimidatie. Op 22 november 2008 is de klacht op schrift gesteld. Bij schrijven van 1 december de (schriftelijke) klacht aan [verzoeker] toegezonden.

2.4. In afwachting van de uitkomst van een door Kennemer Gasthuis in te stellen onderzoek is [verzoeker] per direct (voorlopig) de toegang tot het ziekenhuis ontzegd.

2.5. In afwijking van haar reguliere klachtenprocedure heeft Kennemer Gasthuis het onderzoek doen verrichten door een daartoe speciaal in het leven geroepen commissie (hierna: de onderzoekscommissie).

2.6. Ten behoeve van haar onderzoek heeft de onderzoekscommissie - naast de schriftelijke klacht - gebruik gemaakt van een tweetal (anonieme) schriftelijke getuigenverklaringen en heeft zij vier gesprekken gevoerd. De klagende partij zelf is niet door de onderzoekscommissie gehoord.

2.7. Bij onderzoeksrapport van 22 december 2008 heeft de onderzoekscommissie geconcludeerd dat de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zoals door klaagster en de twee getuigen is weergegeven, op basis van welke conclusie de Raad van Bestuur van Kennemer Gasthuis heeft besloten [verzoeker] definitief de toegang tot het ziekenhuis te ontzeggen. Bij schrijven van 13 januari 2009 heeft de Raad van Bestuur dit besluit aan [verzoeker] medegedeeld.

2.8. Daartoe op vordering van [verzoeker] door deze rechtbank bij kortgedingvonnis van 23 april 2009 bevolen, heeft Kennemer Gasthuis aan [verzoeker] twee schriftelijke getuigenverklaringen, een viertal gespreksverslagen en het volledige rapport van de onderzoekscommissie toegezonden, alle geanonimiseerd.

3. Het verzoek

3.1. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] – kort samengevat – ten grondslag dat hem ten onrechte de toegang tot het ziekenhuis is ontzegd als gevolg waarvan hij schade heeft geleden, welke schade door Kennemer Gasthuis vergoed dient te worden. Vooruitlopend op de daartoe aanhangig te maken schadestaatprocedure is een voorlopig getuigenverhoor de geëigende weg, nu Kennemer Gasthuis niet bereid is (verdere) medewerking te verlenen aan de opheldering van de bij [verzoeker] gerezen vragen omtrent (onder andere) de door de onderzoekscommissie gevolgde procedure.

3.2. Kennemer Gasthuis verzet zich tegen inwilliging van het verzoek en voert daartoe – kort gezegd – het volgende aan. Het verzoekschrift van [verzoeker] voldoet allereerst niet aan de wettelijke vereisten zoals gesteld in artikel 187 jo. 278 e.v. Rv, omdat [verzoeker] heeft nagelaten het beloop van de vordering (de omvang van de schade) uiteen te zetten en niet duidelijk uiteen heeft gezet welke feiten of rechten hij wil bewijzen.

Daarnaast heeft [verzoeker] geen redelijk belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat op basis van de aan hem ter beschikking gestelde documenten de inhoud van de klacht, de feiten waarop de klacht is gebaseerd, het verloop van het onderzoek, de conclusies van de onderzoekscommissie en de grondslag daarvan voldoende bekend dienen te worden geacht. Tot slot dient het belang van het Kennemer Gasthuis bij het niet gelasten van een voorlopig getuigenverhoor zwaarder te wegen dan het belang van [verzoeker] bij een dergelijk getuigenverhoor, aldus nog steeds het Kennemer Gasthuis.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voorop wordt gesteld dat op grond van artikel 186 Rv op verzoek van de belanghebbende een voorlopig getuigenverhoor kan worden bevolen in alle gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten. Ingevolge artikel 166 Rv heeft de verzoeker in beginsel het recht op een voorlopige getuigenverhoor. Dit uitgangspunt leidt slechts uitzondering in het geval zich een weigeringsgrond voordoet. Daarbij dient gedacht te worden aan misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde of een ander zwaarwichtig belang, of een gebrek aan belang (HR 11 februari 2005, NJ 2005, 442). Inzake het onderhavige verzoek acht de rechtbank geen van die weigeringsgronden aanwezig. Het volgende is daartoe redengevend.

4.2. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] met het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor misbruik van bevoegdheid maakt of dat er sprake is van strijd met de goede procesorde of een ander zwaarwichtig belang. Daarnaast heeft [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk belang bij zijn verzoek. [verzoeker] moet immers in staat worden gesteld om zelfstandig te kunnen beoordelen waarom de onderzoekscommissie heeft geoordeeld zoals zij heeft gedaan en welke procedure zij daarbij heeft gevolgd. Anders dan Kennemer Gasthuis betoogt, is [verzoeker] daartoe op basis van de door Kennemer Gasthuis aan hem overgelegde – geanonimiseerde – stukken niet in staat, zodat het horen van getuigen daarvoor onontbeerlijk is.

4.3. Dat [verzoeker] heeft nagelaten zijn schade te begroten, leidt niet tot strijd met de wettelijke vereisten. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt de toewijsbaarheid van de in te stellen vordering niet ter toetsing voor. Een voorlopig getuigenverhoor strekt in een geval als het onderhavige ertoe verzoeker de gelegenheid te bieden opheldering te verkrijgen omtrent de voor het eventueel aan te spannen geding van belang zijnde feiten, zulks teneinde hem in staat te stellen zijn positie beter te beoordelen. Over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade, behoeft de verzoeker zich niet uit te laten (HR 19 maart 2010, NJ 2010, 172).

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] daarnaast voldoende duidelijk uiteen heeft gezet welke feiten en rechten hij wenst te bewijzen. Dat het niet aannemelijk is dat de te horen getuigen een andere verklaring zullen afleggen dan zij eerder reeds hebben gedaan, zoals Kennemer Gasthuis ter mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft betoogd, is daarbij irrelevant. Kennemer Gasthuis miskent daarmee dat het bij het te gelasten voorlopig getuigenverhoor om een andere situatie gaat. De eerdere verklaringen zijn immers niet ten overstaan van de rechtbank gedaan, maar ten overstaan van een (ad hoc) onderzoekscommissie. Anders dan het Kennemer Gasthuis stelt, omvat het verzoek van [verzoeker] bovendien méér dan alleen de geloofwaardigheid van reeds eerder afgelegde verklaringen. Blijkens het verzoekschrift is het [verzoeker] er immers tevens om te doen om te (kunnen) achterhalen of de procedure als zodanig op onafhankelijke en deskundige wijze gevoerd is door de onderzoekscommissie. Gezien de opstelling van het Kennemer Gasthuis daaromtrent is de rechtbank met [verzoeker] van oordeel dat een door de rechtbank te gelasten voorlopig getuigenverhoor daartoe de geëigende weg is.

4.5. Zoals hierboven overwogen heeft [verzoeker] een redelijk belang bij een voorlopig getuigenverhoor. Dit belang moet worden afgewogen tegen het belang van klaagster en de getuigen bij vertrouwelijkheid van hun verklaringen, welk belang namens hen door Kennemer Gasthuis wordt behartigd. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.6. Wanneer er geen voorlopig getuigenverhoor zou worden gelast, leidt dat tot de onredelijke situatie dat [verzoeker] een zeer zware sanctie in de vorm van ontzegging van de toegang tot het ziekenhuis wordt opgelegd, louter op grond van anonieme getuigenverklaringen, gedaan in een procedure waarover [verzoeker] geen (aanvullende) inhoudelijke details te weten zou kunnen krijgen. Wordt er daarentegen wel een voorlopig getuigenverhoor gelast, dan kan het belang van de vertrouwelijkheid op eenvoudige wijze (voldoende) worden gewaarborgd door het verhoor achter gesloten deuren te laten plaatsvinden. Hoewel het alleszins begrijpelijk is dat het voor klaagster en de getuigen wellicht niet eenvoudig is om nogmaals te verklaren, weegt onder deze omstandigheden het belang van [verzoeker] zwaarder. Nu Kennemer Gasthuis bovendien heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het horen achter gesloten deuren, zal de rechtbank aldus bepalen.

4.7. Het verzoek is op de wet gegrond en zal worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt een voorlopig getuigenverhoor door een nader te benoemen rechter-commissaris,

5.2. bepaalt dat dit getuigenverhoor achter gesloten deuren zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Haarlem aan de Jansstraat 81,

5.3. bepaalt dat [verzoeker] binnen twee weken na de datum van deze beschikking schriftelijk aan de rechtbank - ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2010 direct opgeeft, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt voorts dat – in afwijking van het bepaalde in artikel 188 lid 1 Rv – een afschrift van deze beschikking aan beide partijen zal worden toegezonden.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P.J. Ruijpers en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2010.?