Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM1626

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-03-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
166888/HA RK 10-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsbeslissing. Verzoeker heeft zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandigheden die hij ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat het fungeren van de kantonrechter in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen lijden. Niet gebleken is dat verzoeker aan de kantonrechter vragen heeft gesteld, zodat evenmin vaststaat dat de kantonrechter vragen onbeantwoord heeft gelaten. Tijdens de geplande zitting van de hoofdzaak had verzoeker eventuele vragen aan de kantonrechter kunnen voorleggen. Ook had verzoeker, indien niet de kantonrechter, maar het Openbaar Ministerie zijn vragen onbeantwoord zou hebben gelaten, deze omstandigheid tijdens die zitting aan de orde kunnen stellen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

Zaaknummer: 166888/HA RK 10-18

datum beslissing: 29 maart 2010

Op verzoek van:

[Verzoeker],

wonende te […],

verzoeker,

gemachtigde: geen (procedeert in persoon).

1. Procesverloop

1.1 Bij schriftelijk verzoek van 19 februari 2010 heeft verzoeker de wraking verzocht van “de rechter”, in bij deze rechtbank, sector kanton, locatie Haarlem, aanhangige zaak met zaaknummer: 453674/WM VERZ 10-40, hierna te noemen: de hoofdzaak. Aangezien de behandelend rechter in de onderhavige zaak [de rechter] is, zal de rechtbank er bij de behandeling van het verzoek van uit gaan dat het verzoek is gericht tegen [de rechter], hierna te noemen: de kantonrechter.

1.2 Verzoeker, mr. J.C. Hooker, namens het Openbaar Ministerie in de hoofdzaak en de kantonrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 29 maart 2010. De kantonrechter is verschenen. Mr. J.C. Hooker (per gewone post opgeroepen) en verzoeker (zowel per aangetekende brief als per gewone post opgeroepen) hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2. De standpunten van verzoeker en van de kantonrechter.

2.1 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. Hij heeft aangevoerd voorafgaande aan de zitting bij de kantonrechter een aantal vragen te hebben gesteld, waarop hij nimmer antwoord heeft gekregen. De antwoorden op de gestelde vragen zou verzoeker nodig hebben, teneinde zich adequaat te kunnen verdedigen.

2.2 De kantonrechter berust niet in de verzochte wraking. Zij begrijpt de grondslag van het verzoek niet. Verzoeker heeft haar nimmer vragen gesteld. Mogelijk heeft verzoeker het Openbaar Ministerie en de rechtbank door elkaar gehaald.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, hierna ook te noemen de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 Verzoeker heeft zijn verzoek onvoldoende onderbouwd. De feiten en omstandig-heden die hij ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat het fungeren van de kantonrechter in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen lijden. Niet gebleken is dat verzoeker aan de kantonrechter vragen heeft gesteld, zodat evenmin vaststaat dat de kantonrechter vragen onbeantwoord heeft gelaten. Tijdens de geplande zitting van de hoofdzaak had verzoeker eventuele vragen aan de kantonrechter kunnen voorleggen. Ook had verzoeker, indien niet de kantonrechter, maar het Openbaar Ministerie zijn vragen onbeantwoord zou hebben gelaten, deze omstandigheid tijdens die zitting aan de orde kunnen stellen.

3.3 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot de slotsom dat verzoeker geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het verzoek dient dan ook als ongegrond worden afgewezen.

3.4 De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39 lid 4 Rv. Nu verzoeker de behandelend rechter niet met name heeft genoemd, enige grondslag voor het verzoek ontbreekt en verzoeker niet op de zitting van de wrakingskamer is verschenen om een nadere toelichting te geven, oordeelt de rechtbank dat sprake is van kennelijk misbruik van het rechtsmiddel wraking. Een volgend verzoek om wraking in deze zaak zal niet in behandeling worden genomen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 wijst het verzoek om wraking af;

4.2 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;

4.3 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en het Openbaar Ministerie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.4 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E. Patijn, voorzitter, en mrs. J.I. de Vreese-Rood en J.J. Dijk leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2010 in tegenwoordigheid van mr. W.G. van Gastelen als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.