Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM1414

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
AWB 08/5493
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reorganisatieontslag. Herplaatsing niet gerealiseerd. Voldoende inspanning door verweerder.

Overschrijding redelijke termijn van artikel 6 EVRM. Veroordeling verweerder tot betaling van

500 euro. Heropening onderzoek naar mogelijke overschrijding redelijke termijn door de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08 - 5493 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2007 heeft verweerder de aanstelling van eiser beëindigd per 5 augustus 2007 op grond van artikel B13 (reorganisatie ontslag) van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP).

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 24 mei 2007 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 april 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het ingediende bezwaar.

Bij besluit van 17 mei 2008, verzonden 18 mei 2008, heeft verweerder alsnog beslist op het ingediende bezwaar en dit ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij brief van 2 juli 2008 de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 januari 2009, alwaar eiser niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers en Y.S. Spaltman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder heeft bij brief van 20 januari 2009 zijn standpunt nader toegelicht en stukken in geding gebracht. Eiser heeft bij brief van 11 maart 2009 hetzelfde gedaan. Bij brief van 16 april 2009 heeft verweerder hierop gereageerd. Eiser heeft bij brief van 17 juli 2009 nogmaals zijn standpunt toegelicht. De behandeling ter zitting is hervat op 18 januari 2010 waar eiser is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers.

2. Overwegingen

2.1 Met betrekking tot het beroep van eiser van 17 april 2008, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 24 mei 2007, staat vast dat verweerder bij besluit van 17 mei 2008 alsnog heeft beslist op het bezwaarschrift. Gelet hierop heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel over het uitblijven van een besluit op bezwaar, zodat dat beroep hiertegen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.2 Omdat verweerder met het besluit van 17 mei 2008 niet tegemoet is gekomen aan het bezwaar van 24 mei 2007, wordt het beroepschrift van 17 april 2008 op grond van het bepaalde in artikel 6:20 Awb geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 mei 2008.

2.3 Eiser was in dienst van verweerder als Medewerker beleid A. In het kader van een reorganisatie is eiser door verweerder niet als functievolger aangemerkt. Bij besluit van 31 januari 2006 heeft verweerder eiser definitief boventallig verklaard per 1 februari 2006. Binnen de nieuwe organisatie, de eigen directie en binnen de gehele provincie bleek geen geschikte functie voorhanden te zijn. Eiser heeft tegen het besluit van 31 januari 2006 geen bezwaar en beroep ingesteld. Het mobiliteitstraject is gestart op 1 februari 2006. Omdat dit traject niet tot resultaat heeft geleid, heeft verweerder bij brief van 28 maart 2007 het voornemen tot ontslag medegedeeld. Met het ontslagbesluit van 18 april 2007 heeft verweerder eiser ontslag aangezegd per 5 augustus 2007. Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder de ontslagdatum verschoven naar 1 september 2007.

2.4 In artikel B13, eerste lid Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) wordt bepaald dat een reorganisatieontslag mogelijk is indien het niet mogelijk is gebleken de medewerker in een passende functie te benoemen. In bijlage 1B van de CAP staat vermeld dat de provincie en de werknemers een gezamenlijke en actieve inspanning tot herplaatsing dienen te leveren. Tevens is bepaald dat de provincie zich inspant om werknemers die niet kunnen worden herplaatst elders in de omgeving aan het werk te krijgen.

2.5 Artikel 12 Regeling Rechtspositionele Aspecten bij Organisatieveranderingen 2001 (RRAO) luidt:

“1. Het benoeming bevoegd gezag stelt de ambtenaar die boventallig is geworden schriftelijk in kennis van het voorgenomen mobiliteitstraject van 18 maanden te rekenen vanaf de datum van boventallig verklaring.

(…)”.

2.6 Artikel 13 RRAO luidt:

“1. Gedurende het mobiliteitstraject hebben de ambtenaar en de werkgever de inspanningsverplichting om zich intensief in te zetten om te komen tot herplaatsing binnen of buiten de ambtelijke organisatie van de Provincie Noord-Holland. Deze inspanningen worden schriftelijk vastgelegd.

2. De ambtenaar wordt gedurende het mobiliteitstraject begeleid bij het vinden van een passende of geschikte functie.

3. Indien het voor het vervullen van de functie dan wel het vergroten van de benoemingsmogelijkheden nodig is, wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om trainingen en opleidingen te volgen. De hieraan verbonden kosten worden door de afdeling vergoed.”

2.7 Blijkens verweerders Sociaal Plan 2003 – 2007 dient alvorens tot ontslag kan worden overgegaan een mobiliteitstraject van 18 maanden te zijn doorlopen waarin de werkgever en de werknemer een inspanningsverplichting hebben om tot herplaatsing te komen. Hoofdstuk 3 (Plaatsingsprotocol) onder b luidt voor zover van belang:

“Vanaf het moment van boventalligheid start het mobiliteitstraject van 18 maanden en wordt externe deskundigheid aangeboden bij het vinden van een functie elders. Deze begeleiding richt zich primair op het vinden van werk buiten de provinciale organisatie, omdat de meest voor de hand liggende mogelijkheden intern reeds zijn onderzocht (nl. functievolgendheid en passendheid).”

2.8 Artikel 16, RRAO luidt, voor zover van belang:

“1. Het tot benoeming bevoegd gezag zegt de betrokken ambtenaar, in geval van niet plaatsing, 3 ½ maand voor het aflopen van het mobiliteitstraject ontslag aan wegens reorganisatie ingevolge artikel B.11 sub d CAP.

2. Indien na het mobiliteitstraject van 18 maanden geen herbenoeming is gerealiseerd wordt aan de betrokken ambtenaar met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op het aflopen van dat traject eervol ontslag verleend.”

2.9 Eiser is niet opgekomen tegen het besluit van 31 januari 2006 waarbij verweerder hem definitief boventallig heeft verklaard per 1 februari 2006. Dit besluit was onder meer gebaseerd op het oordeel van de Plaatsingscommissie dat eiser in onvoldoende mate beschikt over de (organisatie)brede competenties ‘effectieve communicatie en impact’ en ‘resultaatgerichtheid’ terwijl bij de plaatsingscommissie niet de verwachting bestond dat eiser binnen een jaar de benodigde geschiktheid en bekwaamheid zou kunnen verwerven. Volgens verweerder werd dit oordeel van de plaatsingscommissie bevestigd door de personeelsbeoordeling van december 2005 waarbij was vastgesteld dat eiser matig/slecht scoort op de competenties ‘effectieve communicatie en impact’. Omdat eiser tegen de boventallig verklaring niet is opgekomen, dient in deze procedure zijn boventalligheid dan ook als vaststaand te worden aangenomen. Dat eiser ervan heeft afgezien bezwaar te maken tegen zijn boventallig verklaring, omdat hij ervan uitging dat hij in de nieuwe organisatie geplaatst zou worden, komt voor zijn risico. Ook de omstandigheid dat de Centrale Raad van Beroep in twee uitspraken (LJN: BK 6579 en BK6581) besluiten van verweerder waarbij ambtenaren boventallig waren verklaard heeft vernietigd, omdat deze onvoldoende zorgvuldig waren voorbereid en onvoldoende waren gemotiveerd, kan er niet aan afdoen dat in het geval van eiser van de rechtmatigheid van zijn boventallig verklaring moet worden uitgegaan. De beroepsgrond van eiser dat de functie die hij voor de reorganisatie uitoefende nog steeds bestaat en dat hij op deze functie had moet worden geplaatst, dient daarom te worden verworpen.

2.10 Dit geding betreft de vraag of verweerder bevoegd was eiser reorganisatieontslag te geven omdat het niet mogelijk is gebleken hem in een passende functie te benoemen. Daarbij is met name aan de orde of verweerder tijdens het mobiliteitstraject zich voldoende heeft ingespannen om eiser te herplaatsen elders in de organisatie of daarbuiten.

2.11 Eiser betoogt dat het besluit van 17 mei 2008 niet rechtsgeldig bekend is gemaakt, omdat verweerder heeft nagelaten het besluit aan eisers gemachtigde toe te zenden.

2.12 Verweerder heeft het besluit van 17 mei 2008 aan eiser toegezonden, zodat het besluit is bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 3:41 Awb. Nog daargelaten dat verweerder heeft ontkend dat het besluit niet aan eisers gemachtigde is verzonden, is gesteld noch gebleken dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad. Deze beroepsgrond wordt verworpen.

2.13 Voorts voert eiser aan dat het bestreden besluit onjuist is. Eiser meent dat verweerder tekort is geschoten in zijn inspanningsverplichtingen. Eiser acht de uitgevoerde inspanningen ontoereikend en de ondersteuning die hij heeft gekregen, minimaal.

2.14 Eiser stelt in dit verband dat verweerder hem had moeten benoemen in de functie van stedenbouwkundig ontwerper.

2.15 Eiser heeft gesolliciteerd op de functie van stedenbouwkundig ontwerper en is daarvoor door verweerder afgewezen. Eiser is tegen deze afwijzing niet opgekomen, zodat in dit geding ervan moet worden uitgegaan dat deze afwijzing op goede gronden heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond van eiser dat verweerder hem voor deze functie ten onrechte heeft afgewezen, wordt dan ook verworpen.

2.16 Eiser heeft verder kanttekeningen geplaatst bij het verloop van de sollicitatieprocedure. Aangezien dit kan worden opgevat als een verwijt van eiser aan verweerder dat hij zich onvoldoende heeft ingespannen om eiser binnen de eigen organisatie te herplaatsen, kan deze beroepsgrond aan de orde komen.

2.17 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder bij de sollicitatieprocedure geen voorkeursbehandeling heeft gegeven aan boventallig verklaarden.

2.18 Deze beroepsgrond wordt verworpen. Verweerder heeft terecht aangegeven dat hij conform het Sociaal Plan heeft gehandeld ten aanzien van boventalligen. In deel 1, hoofdstuk 2 van het Sociaal Plan is bepaald dat “boventalligen in het kader van deze reorganisatie de status hebben van interne sollicitant doch zonder voorrangspositie ten opzichte van andere medewerkers van de provincie Noord-Holland”.

2.19 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem niet heeft gewezen op de vacature voor een stedenbouwkundig ontwerper. Eiser hoorde van het bestaan van de vacature op een moment dat er al met externe kandidaten werd gesproken. Verweerder heeft dit niet weersproken en heeft evenmin gemotiveerd aangegeven dat eiser al bij voorbaat niet geschikt was voor de functie van stedenbouwkundig ontwerper. Op dit punt heeft verweerder zich dan ook onvoldoende ingespannen om eiser te herplaatsen. Dat verweerder met betrekking tot deze vacature een steek heeft laten vallen, is echter nog niet voldoende om te kunnen concluderen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 13, eerste lid, van de RRAO. Daarvoor dient het mobiliteitstraject in zijn geheel te worden beoordeeld.

2.20 Verder betoogt eiser dat de communicatie tussen Mintz, een extern bedrijf dat verweerder heeft ingeschakeld, en verweerder niet deugdelijk was, en dat verweerder het eigen netwerk nauwelijks heeft ingezet alsook de mogelijkheden voor detachering niet correct heeft benut.

2.21 Eiser heeft de rechtbank er niet van kunnen overtuigen dat de inspanningen van verweerder en Mintz om eiser herplaatst te krijgen in zijn geheel genomen onvoldoende zijn geweest. In het besluit van 17 mei 2008 heeft verweerder onder verwijzing naar de eindrapportage van Mintz en het verhandelde op de hoorzitting een opsomming gegeven van de herplaatsingsinspanningen ten aanzien van eiser. Eiser heeft niet bestreden dat deze activiteiten hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarmee heeft voldaan aan zijn in artikel 13, eerste lid, van de RRAO opgenomen verplichting, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat verweerder eiser niet heeft geattendeerd op de functie van stedenbouwkundig ontwerper waardoor eiser pas in een laat stadium in de sollicitatieprocedure is betrokken. Het mag zo zijn, zoals eiser stelt, dat Mintz en verweerder meer hadden kunnen doen en dat bepaalde zaken misschien beter anders hadden kunnen worden aangepakt. Dat doet er niet aan af dat de inspanningen gemeten naar de wettelijke norm van artikel 13, eerste lid, van de RRAO als voldoende moeten worden gekwalificeerd. In dit verband wordt er nog op gewezen dat verweerder met cijfers heeft onderbouwd dat het mobiliteitstraject succesvol is geweest in die zin dat het gelukt is veel medewerkers naar ander werk te begeleiden. Dat betekent natuurlijk niet zonder meer dat de begeleiding ten aanzien van eiser dus ook voldoende is geweest, maar doet wel vermoeden dat de opzet van het mobiliteitstraject op zichzelf adequaat is geweest. Uiteindelijk geldt ook voor eiser dat het hem is gelukt ander werk te krijgen.

2.22 Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem niet heeft opgezegd drieënhalve maand voor het einde van het mobiliteitstraject. Volgens eiser is dit in strijd met artikel 16 RRAO. Verder heeft verweerder hem in strijd met artikel 16, tweede lid RRAO geen ontslag verleend met ingang van de eerste dag van een kalendermaand.

2.23 Verweerder heeft eiser op 18 april 2007 ontslag aangezegd per 5 augustus 2007. Later is dit per 1 september 2007 geworden. Dit komt neer op een termijn van uiteindelijk ruim vier maanden, terwijl ontslag is verleend per de eerste van de kalendermaand. Verweerder heeft daarmee gehandeld in overeenstemming met artikel 16 RRAO. Deze beroepsgrond van eiser wordt verworpen.

2.24 Eiser heeft aangegeven dat het ontslag voor hem ingrijpende gevolgen heeft gehad. Eiser heeft werk gevonden in het noorden van Nederland en is met zijn gezin naar Friesland verhuisd. Naast sociale gevolgen heeft dit ook tot aanzienlijke financiële consequenties geleid. De rechtbank begrijpt dat eiser teleurgesteld is nu een in zijn ogen onterecht ontslag voor hem tot zulke ingrijpende consequenties heeft geleid. Bij de beoordeling van het gegeven ontslag kunnen deze omstandigheden echter geen rol spelen. Ervan uitgaande dat eiser boventallig was, is slechts aan de orde of verweerder in het kader van het mobiliteitstraject ten aanzien van eiser voldoende inspanningen heeft geleverd. Zoals eerder is aangegeven is dat volgens de rechtbank het geval.

2.25 De conclusie is dat verweerder bevoegd was eiser op grond van artikel 16 RRAO ontslag te verlenen per 1 september 2007. Het verzoek van eiser om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van dit ontslag, dient dan ook te worden verworpen.

2.26 Eiser heeft verder als beroepsgrond naar voren gebracht dat verweerder de wettelijke beslistermijn in bezwaar ruimschoots heeft overschreden en dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is geschonden. Eiser verzoekt op die grond hem in aanmerking te brengen voor een immateriële schadevergoeding.

2.27 Eiser heeft gelijk als hij stelt dat verweerder niet tijdig op zijn bezwaar heeft beslist en daarmee de beslistermijn van artikel 7:10 Awb heeft geschonden. Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van het besluit van 17 mei 2008 en tot toekenning van schadevergoeding. Overschrijding van de beslistermijn van artikel 7:10 Awb had voor 1 oktober 2009 slechts tot gevolg dat beroep openstond bij de rechtbank tegen het uitblijven van de beslissing, van welke mogelijkheid eiser ook gebruikt heeft gemaakt.

2.28 Voor wat betreft eisers verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 EVRM moet worden geconstateerd dat de redelijke termijn thans inderdaad is overschreden. Eiser heeft op 24 mei 2007 bezwaar gemaakt bij verweerder, zodat thans twee jaar en acht maanden zijn verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door verweerder ruim elf maanden geduurd. Verweerder heeft daardoor de redelijke termijn overschreden met vijf maanden. Het beroep zal (uitsluitend) om deze reden gegrond worden verklaard. Verweerder zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500. Aangezien de overige beroepsgronden van eiser zijn verworpen zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 17 mei 2008 in stand blijven.

2.29 De behandeling van het beroep bij de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 18 april 2008 tot op heden bijna 1 jaar en 9 maanden geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn eveneens is geschonden door de rechtbank met drie maanden. De rechtbank verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. De rechtbank merkt daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

2.30 De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank kent ter zake van de verrichte proceshandelingen (indienen beroepschrift) één punt toe met een waarde van € 322,- en bepaalt het gewicht van de zaak op gemiddeld. Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt € 322,-.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op eisers bezwaar niet- ontvankelijk;

3.2 verklaard het beroep tegen het besluit van 17 mei 2008 gegrond;

3.3 vernietigt het besluit van 17 mei 2008;

3.4 bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

3.5 veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,--;

3.6 veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot betaling aan eiser van de door hem gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 322,--;

3.7 gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland het door eiser betaalde griffierecht van € 145,-- aan hem vergoedt;

3.8 bepaalt dat het onderzoek onder nummer AWB 10-436 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van eiser om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

3.9 wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter, en op 25 januari 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de uitspraak heeft de rechtbank onder 2.9 tot en met 2.27 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen. Als eiser het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.