Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM1400

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/721 & AWB 10/658
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BP2847, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de hardheidsclausule geen aanspraak op een urgentieverklaring kan worden ontleend. In het bijzonder is daarbij in aanmerking genomen de inhoud van het advies van de GGD-Kennemerland van 2 december 2009. Uit dit advies komt immers niet alleen naar voren dat het voor de aanpak van de gedragsproblemen van de dochters van verzoeker van belang is dat verzoeker over een zelfstandige woning beschikt doch ook dat er wat betreft het type woning of de plaats waar deze zich bevindt geen medische beperkingen zijn aan te geven. In het GGD-advies en de door verzoeker ingebrachte stukken en verklaringen liggen geen aanwijzingen besloten voor het oordeel dat er wel zodanige of andersoortige beperkingen ten aanzien van de woonplaats zijn of dat verweerder - gegeven het vestigingsalternatief in Beverwijk – niettemin tot verlening van de gevraagde urgentieverklaring had moeten overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 721 en AWB 10 - 658

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2010

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2009, verzonden op 17 september 2009, heeft verweerder verzoekers aanvraag om verlening van urgentie bij het toewijzen van woonruimte afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 30 september 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 februari 2010, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 5 februari 2010 beroep ingesteld. Bij brief van 6 februari 2010 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 11 maart 2010 en 1 april 2010, alwaar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.C. Timmer-van der Hoeven, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Op 1 april 2010 is zij bijgestaan door P.H. Kranendonk, directeur van WoonService Kennemerland. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. W.G. Fischer. Voorts was op 1 april 2010 aanwezig [naam], medewerkster OCK het Spalier, jeugd en opvoedhulp.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 In geschil is of verweerder verzoeker in het bezit dient te stellen van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord en overweegt in dat verband het volgende.

2.3 Ingevolge de in dezen toepasselijke Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland 2007 van de gemeente Haarlem, voor zover hier van belang, kunnen uitsluitend ingezetenen van de regio Zuid-Kennemerland die gedurende tenminste twee jaren aaneengesloten zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoongegevens in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Een zodanige urgentieverklaring kan slechts worden verleend indien er sprake is van een medische of een psychosociale klacht in relatie met de huidige woning, waaruit een dringende noodzaak tot herhuisvesting voortvloeit. Deze noodzaak is slechts dan aanwezig in geval van een levensbedreigende dan wel maatschappelijk onaanvaardbare situatie. Onder een maatschappelijk onaanvaardbare situatie wordt verstaan het geval dat het jongste kind in het gezin minderjarig is, er zeer ernstige medische of psychische problemen zijn bij een van de gezinsleden die door de huidige woonsituatie worden versterkt dan wel de huidige situatie onhoudbaar maken en verhuizen de enige oplossing is (artikelen 14 en 15 van de Huisvestingsverordening in samenhang met Bijlage II daarbij).

2.4 Indien, zoals in het onderhavige geval, geen sprake is van een tweejarig ingezetenschap, komt verweerder niet toe aan de vraag of voldaan is aan de criteria van de levensbedreigende dan wel maatschappelijk onaanvaardbare situatie. Binnen het systeem van de Huisvestingsverordening kan dan uitsluitend nog de zogenaamde hardheidsclausule verzoeker uitkomst bieden.

2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in de thans bestreden beslissing op bezwaar een toetsing heeft verricht aan de hand van de hardheidsclausule zoals die luidde in (artikel 30 van) de aan de huidige verordening voorafgaande Huisvestingsverordening 1999. Ingevolge die bepaling was verweerder bevoegd van de verordening af te wijken als zich een situatie voordeed die bij de toepassing van die verordening niet was voorzien en die bij de toepassing hiervan tot een bijzondere hardheid leidde. In de thans van kracht zijnde Huisvestingsverordening 2007 is in artikel 29 bepaald dat verweerder één of meer artikelen uit de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van het in gebruik nemen of geven van woonruimte of het wijzigen van de woonruimtevoorraad leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

2.6 Verweerder heeft de vraag of de toetsing aan artikel 29 van de Huisvestingsverordening 2007 tot een andere uitkomst zou leiden ontkennend beantwoord. In dat verband is opgemerkt dat de woorden “onbillijkheid van overwegende aard” een nadere omschrijving zijn van de term “bijzondere hardheid” uit de oude verordening.

2.7 Dit zo zijnde, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de hardheidsclausule geen aanspraak op een urgentieverklaring kan worden ontleend. Daarbij is het volgende van belang.

2.8 Verzoeker, afkomstig uit Sri Lanka, en van Nederlandse nationaliteit, heeft met zijn echtgenote vanaf 1988 in [woonplaats] gewoond. Daar zijn in 1999 respectievelijk 2002 hun dochters geboren. In 2005 is verzoeker met zijn gezin naar Sri Lanka vertrokken, alwaar in 2006 het oorlogsgeweld is opgelaaid. De echtgenote van verzoeker is in maart 2009 om het leven gekomen door een clusterbom en ook verzoeker en zijn dochters zijn gewond geraakt. Na een verblijf in een vluchtelingenkamp zijn verzoeker en zijn dochters in juni 2009, na bemiddeling van de ambassade, teruggekeerd naar Nederland. Sedertdien verblijven zij bij een familielid in Haarlem.

2.9 De kern van het betoog van verzoeker dat er gronden bestaan om hem alsnog een urgentieverklaring te verlenen vormt de onhoudbaarheid van de huidige situatie. In dat verband wijst hij op de huidige zeer kleine behuizing en de geringe draagkracht van het familielid bij wie wordt ingewoond - betrokkene heeft een zwakke gezondheid - en het feit dat verzoeker en zijn gezin ernstig getraumatiseerd zijn ten gevolge van de gebeurtenissen in Sri Lanka en het overlijden van de echtgenote. De dochters vertonen ernstige gedragsproblemen die in de huidige situatie van inwoning niet kunnen worden aangepakt. Zij gaan in Haarlem naar school en - op vier dagen per week - naar de naschoolse opvang. Diverse Haarlemse hulpinstanties zijn bij verzoeker en zijn kinderen betrokken en verzoeker is in Haarlem onder medische behandeling. Ook beschikt verzoeker over een netwerk in Haarlem bestaande uit het familielid waarbij wordt ingewoond alsmede een broer en een zus van verzoeker. Ter ondersteuning van zijn betoog heeft verzoeker onder meer gewezen op de brief van 29 maart 2010 van de naschoolse opvang alsmede hetgeen de hiervoor genoemde medewerkster van OCK het Spalier ter zitting heeft verklaard. Voorts is verzoeker van mening dat diverse bepalingen van verdragen verweerder ertoe nopen hem een urgentieverklaring te verlenen.

2.10 In het thans bestreden besluit wijst verweerder onder meer op de bereidheid van de gemeente Beverwijk om verzoeker aan woonruimte te helpen. Deze gemeente is daartoe, als voormalige woongemeente van verzoeker, volgens verweerder ook de eerst aangewezene. Het is, gelet op de krapte van de woningmarkt in de regio Zuid-Kennemerland, niet gerechtvaardigd om verzoeker, die geen binding heeft met deze regio in de zin van de Huisvestingsverordening, met voorrang boven andere woningzoekenden een urgentieverklaring te geven, aldus verweerder. Voorts wijst verweerder op de beperkte afstand tussen Beverwijk en Haarlem als gevolg waarvan er geen onoverkomelijke problemen zijn om gebruik te maken van voorzieningen in Haarlem. Ter zitting van 1 april 2010 heeft verweerder in dat verband nog opgemerkt dat er geen sprake zou zijn van een afbreken van de geboden hulpverlening omdat alle hulpverleners werkzaam zijn in regionaal opererende diensten. Ook het familiebezoek is gelet op de afstand goed mogelijk Voorts wijst verweerder op het advies van de GGD-Kennemerland van 2 december 2009.

2.11 Aldus overwegende heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter een niet ontoereikende motivering gegegeven voor zijn weigering om in dezen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. In het bijzonder is daarbij in aanmerking genomen de inhoud van het hierboven genoemde advies van de GGD-Kennemerland van 2 december 2009. Uit dit advies komt immers niet alleen naar voren dat het voor de aanpak van de gedragsproblemen van de dochters van verzoeker van belang is dat verzoeker over een zelfstandige woning beschikt doch ook dat er wat betreft het type woning of de plaats waar deze zich bevindt geen medische beperkingen zijn aan te geven. Dat dit oordeel niet juist zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt met een deskundig tegenadvies. In de brief van 29 maart 2010 van het Jan Dobbercentrum, alwaar de naschoolse opvang plaatsvindt, liggen geen aanwijzingen besloten voor het oordeel dat er wel zodanige of andersoortige beperkingen ten aanzien van de woonplaats zijn of dat verweerder - gegeven het vestigingsalternatief in Beverwijk – niettemin tot verlening van de gevraagde urgentieverklaring had moeten overgaan. Dit geldt ook ten aanzien van hetgeen de medewerkster van OCK het Spalier omtrent de hulpverlening aan betrokkenen ter zitting heeft verklaard.

2.12 Met betrekking tot de - zorgvuldige - wijze van tot stand komen van het advies van de GGD sluit de voorzieningenrechter zich aan bij het oordeel hieromtrent van de voorzieningenrechter van deze rechtbank die eerder, in de bezwaarfase, over deze zaak heeft geoordeeld bij uitspraak van 21 januari 2010 (AWB 09-4914).

2.13 Bij dit alles is verder nog in aanmerking genomen het samenstel van in de Huisvestingsverordening 2007 besloten liggende hoge procedurele en inhoudelijke criteria om voor een urgentieverklaring in aanmerking te komen, hetgeen als gevolg heeft dat de lat voor de toepassing van de hardheidsclausule evenzeer hoog ligt. Voorts is van belang dat de bestuursrechter het al dan niet gebruik maken van een hardheidsclausule als de onderhavige ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zeer terughoudend dient te toetsen.

2.14 Het beroep van verzoeker op artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) faalt. Voor de gedachte dat in dezen sprake zou zijn van een onmenselijke behandeling bestaat geen grond.

2.15 Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM, al dan niet in samenhang met artikel 31 van het Europees Sociaal Handvest, faalt. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit, gelet op het door artikel 8 beschermde belang van een individu op eerbiediging van het familie- of gezinsleven, voor verweerder een positieve verplichting voortvloeit tot het verlenen van een urgentieverklaring. Het is immers voor verzoeker niet onmogelijk om met zijn dochters gezinsleven te hebben.

2.16 Voor het oordeel dat de traagheid waarmede zou zijn beslist op de aanvraag ook reeds strijd oplevert met artikel 8 EVRM bestaat evenmin voldoende grond. Verweerder heeft immers reeds op 16 september 2009 in eerste aanleg beslist op de aanvraag van 19 augustus 2009.

2.17 Met betrekking tot het beroep op artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt de voorzieningenrechter, zulks in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat deze bepaling, gelet op haar formulering, geen norm behelst die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving. Ook deze grief faalt derhalve.

2.18 Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening bestaat dan ook geen aanleiding.

2.19 Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.