Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM1397

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
AWB 10/689
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de Faunabeheereenheid tot 17 maart 2014 ontheffing verleend voor het gebruik van een geweer, in combinatie met kunstlicht, voor de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst voor het doden van vossen, het voorhanden hebben van een geweer in een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig op wegen gelegen in het jachtveld en voor het gebruik maken van aardhonden in de periode tussen 1 maart en 1 september. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de ontheffing van het verbod om ‘s nachts een geweer te gebruiken daarmede genoegzaam gemotiveerd is. Hetzelfde geldt voor de toestemming voor het gebruik van kunstlicht daarbij. Ontheffing van het verbod om aardhonden te gebruiken en het geweer te gebruiken vanuit een rijdend motorvoertuig is echter onvoldoende/niet gemotiveerd. Het besluit komt in zoverre voor schorsing in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 689

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2010

in de zaak van:

Stichting De Faunabescherming,

gevestigd te Amstelveen,

verzoekster,

tegen:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder,

derde partij,

Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland,

gevestigd te Haarlem

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2009 heeft verweerder de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland ontheffing verleend tot 17 maart 2014 voor het gebruik van een geweer, in combinatie met kunstlicht, voor de periode tussen zonsondergang en zonsopkomst voor het doden van vossen, het voorhanden hebben van een geweer in een rijdend motorrijtuig dan wel een ander voertuig op wegen gelegen in het jachtveld en voor het gebruik maken van aardhonden in de periode tussen 1 maart en 1 september.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brieven van 9 juli 2009 en 18 juli 2009 bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 juli 2009 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 18 augustus 2009 heeft de voorzieningenrechter het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 14 januari 2010, verzonden op 27 januari 2010, heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het advies van 22 oktober 2009 van Kamer IIIb uit de Hoor- en adviescommissie.

Bij brief van 5 februari 2010 heeft verzoekster beroep ingesteld. Daarbij is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 23 februari 2010. Namens verzoekster zijn verschenen A.P. de Jong en H.H. Niessen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Drahmann en mr. H. Schoordijk, beiden werkzaam bij de provincie Noord-Holland. De derde partij werd vertegenwoordigd door P. van Houten, secretaris.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge artikel 68 van de Flora- en faunawet ( Ffw), voor zover hier van belang, kunnen gedeputeerde staten, onder de aldaar genoemde voorwaarden, ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 72, vijfde lid, Ffw.

2.3 Artikel 72, eerste lid, Ffw, voor zover hier van belang, bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur de middelen worden aangewezen waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood.

2.4 Ingevolge artikel 72, derde lid, Ffw, voor zover hier van belang, worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het eerste lid bedoelde middelen.

2.5 Het vierde lid van artikel 72 bepaalt dat bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, tevens kan worden bepaald dat het gebruik van middelen afhankelijk kan worden gesteld van de toestemming daartoe van gedeputeerde staten.

2.6 Ingevolge artikel 72, vijfde lid, Ffw is het verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van het derde lid worden gesteld.

2.7 Ingevolge artikel 65, eerste lid, Ffw, worden bij algemene maatregel van bestuur beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die in het gehele land schade aanrichten en die in delen van het land schade aanrichten. Het tweede lid bepaalt dat, wanneer geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, de aanwijzing bedoeld in het eerste lid kan worden gedaan ter voorkoming van - onder meer - schade aan de fauna.

2.8 Bij wijziging van het Besluit beheer en schadebestrijding (hierna: het Besluit) heeft de minister in 2006 besloten de vos te plaatsen op de landelijke vrijstellingslijst, als bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder a, Ffw (Stbl. 2006, 42). Deze aanwijzing had als gevolg dat de vos in het gehele land vrij mag worden bejaagd. Aan deze aanwijzing lag ten grondslag het gegeven dat de vos in het gehele land predeert op weidevogels en andere bodembroedende vogels. De stand van deze vogels is in Nederland zeer kwetsbaar en ging de laatste jaren voor de plaatsing op de vrijstellingenlijst sterk achteruit. Hiervoor waren meerdere redenen aan te wijzen, waaronder predatie door vossen. Doordat de stand toch ook al om andere redenen achteruit ging, bleek predatie een almaar toenemende factor van betekenis, aldus de nota van toelichting op het Besluit.

2.9 Ingevolge artikel 7, negende lid, van het Besluit, voor zover hier van belang, worden geweren niet gebruikt voor zonsopgang en na zonsondergang alsmede vanuit rijdende motorvoertuigen.

2.10 Artikel 9, zesde lid, van het Besluit bepaalt dat kunstmatige lichtbronnen uitsluitend worden gebruikt indien het middel wordt gebruikt voor het vangen of doden van vossen en tevens voor het gebruik toestemming is verleend door gedeputeerde staten.

2.11 Ingevolge artikel 9, achtste lid, van het Besluit worden aardhonden ten behoeve van het vangen en doden van vossen niet gebruikt in holen in de periode van 1 maart tot 1 september.

2.12 Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en een gewijzigde ontheffing afgegeven. Verweerder heeft ontheffing verleend van artikel 7, negende lid, onder a en onder d, en artikel 9, achtste lid, van het Besluit. Tevens heeft verweerder toestemming verleend voor het gebruik van een kunstmatige lichtbron. Verweerder heeft het toepassingsgebied bepaald op alle gronden waarover zich de bevoegdheid van de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland uitstrekt, met uitzondering van het werkgebied van de Wildbeheereenheid Texel, de beschermde natuurmonumenten en de Natura2000-gebieden en de terreinen van Amsterdam Airport Schiphol Group in de Haarlemmermeer. De geldigheidsduur beloopt de periode vanaf zes weken na de verzending van het bestreden besluit tot 31 december 2013.

2.13 Verzoekster kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen. In dat verband voert zij onder verwijzing naar het door haar overgelegde SOVON rapport inzake predatie van weidevogels aan - kort samengevat - dat en waarom de bestrijding van de vos op geen enkele manier zal bijdragen aan de bescherming van weidevogels en dat er andere bevredigende oplossingen voorhanden zijn om het broedsucces van de weidevogels en andere bodembroedende vogels (de grondbroeders) te verhogen. De voorzitter begrijpt het standpunt van verzoekster verder aldus dat voor de in geding zijnde maatregelen in haar gedachtegang dan eens te meer heeft te gelden dat de noodzakelijkheid daarvan niet is aangetoond. Tenslotte meent verzoekster dat het gebruik van kunstmatige lichtbronnen in strijd is met artikel 1 van de op 24 september 1984 gegeven beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie. In artikel 1 is onder meer bepaald dat het verboden is om bij het uitoefenen van de jacht gebruik te maken van geweren die zijn voorzien van kunstmatige lichtbronnen of voorzieningen om de prooi te verlichten. Onder dit verbod vallen volgens verzoekster ook kunstmatige lichtbronnen of voorzieningen om de prooi te verlichten die niet aan het geweer zijn bevestigd, omdat het evident is dat de achterliggende gedachte van artikel 1 is in de meest ruime zin het gebruik van kunstlicht bij het jagen in de nachtelijke uren te verbieden.

2.14 De rechtbank stelt vast dat de grieven van verzoekster in feite goeddeels betreffen de opportuniteit van de plaatsing van de vos op de zogenaamde landelijke vrijstellingslijst op basis van artikel 65 Ffw voormeld op grond waarvan de vos bejaagd mag worden. Voor zover dit het geval is dienen de grieven te falen. Deze aanwijzing met de daaruit voortvloeiende gevolgen is immers in de onderhavige procedure een gegeven. Dat verzoekster op basis van het SOVON rapport tot andere conclusies komt omtrent de algemene vrijstelling en, in het verlengde daarvan, de thans aan de orde zijnde maatregelen is derhalve in dit kader zonder betekenis.

2.15 Derhalve ligt thans met name de vraag voor of verweerder in redelijkheid ontheffing respectievelijk toestemming kon verlenen voor de gekozen - aanvullende - middelen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend behoudens twee onderdelen. Daarbij is het volgende van belang.

2.16 Verweerder verwijst voor de motivering van de gekozen middelen onder meer naar hetgeen dienaangaande is opgenomen in het door de derde partij opgestelde Faunabeheerplan Noord-Holland van maart 2009. Meer in het bijzonder merkt verweerder daarover het volgende op.

2.17 “In uw FBP Vos heeft u toegelicht dat de vos met name ’s nachts actief is. Afschot alleen overdag is daarom niet effectief genoeg. Voor effectief optreden is daarom óók afschot ’s nachts nodig. Naar uw oordeel kan de vos ’s nachts, met geweer en kunstlicht, het meest effectief bejaagd worden. Eventuele andere methoden zijn minder effectief, dan wel meer verstorend dan de door u gevraagde middelen. Het opdrijven van vossen is veel schadelijker voor de beplanting en de zich in het gebied bevindende overige fauna doordat met meer mensen gedurende langere tijd in het veld moet worden verbleven. Bij de nachtelijke bestrijding van de vos wordt slechts zeer plaatselijk en kortstondig verstorend opgetreden. Uit onderzoek blijkt dat de opgeschrikte vogels, enige minuten na de verstoring, weer naar hun nesten terug keren. Voorts geldt dat, omdát de kans op ontmoetingen met de vos in de nacht het grootst is, ook de effectiviteit van in de nacht uitgevoerde bestrijdingsactiviteiten het grootst is. Een maximale effectiviteit van bestrijdingsmiddelen betekent naar ons oordeel dat de negatieve gevolgen van die bestrijdingsactiviteiten relatief het kleinst zijn. (…) Daarnaast is van belang dat u ook in uw FBP heeft aangegeven dat gelet op predatie door de vos juist de nacht de meest kwetsbare periode voor de grondbroeders is. Met deze ontheffing wordt dan ook tevens een extra bescherming geboden aan deze grondbroeders.”

2.18 De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat de ontheffing van het verbod om ‘s nachts een geweer te gebruiken daarmede genoegzaam gemotiveerd is. Hetzelfde geldt voor de toestemming voor het gebruik van kunstlicht daarbij.

2.19 Dit ligt anders ten aanzien van de ontheffing ten aanzien van het gebruik van aardhonden ten behoeve van het vangen en doden van vossen in de periode van 1 maart tot 1 september. Aardhonden worden blijkens de nota van toelichting op het Besluit beheer en schadebestrijding (Stbl. 2000, 521) gebruikt voor het opjagen van vossen uit holen en zijn daarbij in de praktijk een betrouwbaar hulpmiddel gebleken. Tijdens de zoogperiode van 1 maart tot 1 september echter zijn vossen niet snel geneigd het hol te verlaten. Er kan een ondergronds gevecht tussen vos en hond ontstaan. Vanuit een oogpunt van dierenwelzijn werd dit ongewenst geacht, weshalve in artikel 9, achtste lid, een verbod op het gebruik van deze dieren in de zoogperiode is opgenomen.

2.20 De voorzieningenrechter stelt vast dat ten aanzien van het gebruik van deze aardhonden ook in de zoogperiode in het Faunabeheerplan niet anders is opgemerkt dan dat zulks noodzakelijk is het gehele jaar rond. Gelet op de achtergrond van het verbod, zoals zojuist geschetst, dient evenwel een meer uitgebreide motivering te worden gegeven waaruit duidelijk naar voren komt welk zwaarwegende belangen in dit geval nopen tot een ontheffing van dat verbod. Nu deze ontbreekt zal de ontheffing in zoverre worden geschorst.

2.21 Nu voorts de ontheffing van het verbod om het geweer te gebruiken vanuit een rijdend motorvoertuig evenmin is gemotiveerd - dienaangaande is slechts opgemerkt dat het voorhanden hebben van een schietklaar geweer in een rijdend voertuig noodzakelijk is voor een effectief uitvoering van de beheermaatregelen - komt het thans bestreden besluit ook in zoverre voor schorsing in aanmerking.

2.22 Met betrekking tot het betoog van verzoekster dat het gebruik van een geweer in combinatie met kunstlicht in strijd is met artikel 1 van de op 24 september 1984 gegeven beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen dienaangaande eerder is overwogen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 augustus 2009. Daaraan kan worden toegevoegd dat in elk geval de bewoordingen van de door verzoekster bedoelde bepaling geen aanknopingspunt bieden voor de uitleg die zij daaraan geeft.

2.23 Gelet op het vorenstaande zal het bestreden besluit op de genoemde onderdelen worden geschorst.

2.24 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen onder meer voor vergoeding in aanmerking de door een partij gemaakte reiskosten. De reiskosten van de gemachtigden van verzoekster worden, op basis van het reizen met openbaar vervoer in de tweede klasse, begroot op € 22,10.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in dier voege dat het besluit wordt geschorst, voor zover daarin ontheffing is verleend van het in artikel 7, negende lid, onder d van het Besluit neergelegde verbod het geweer te gebruiken vanuit rijdende motorvoertuigen alsmede het in artikel 8, achtste lid van het Besluit neergelegde verbod aardhonden te gebruiken in holen van vossen in de periode van 1 maart tot 1 september;

3.2 wijst het verzoek voor het overige af;

3.3 veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 22,10;

3.4 gelast dat gedeputeerde staten van Noord-Holland het door verzoekster betaalde griffierecht van € 297,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 10 maart 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.