Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM0996

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
15/840090-09
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0050, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Costa; invoer cocaïne; voorbereidingshandelingen; ontvankelijkheid OM; fair trial; stemherkenning; tapgesprekken; observatie; Salduz; rechtbank straft hoger dan geëist; verbeurdverklaring; onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van de opzettelijke invoer van 10 kilo cocaïne, gewoontewitwassen en voorbereidingshandelingen gericht op de handel in cocaïne tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden. Deze straf is hoger dan door de officier van justitie was geëist. Er is sprake van een georganiseerd verband waarbinnen verdachte een leidende rol vervulde.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN BV0050

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840090-09

Uitspraakdatum: 2 april 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 3 maart 2010 en 19 maart 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Over-Amstel, HvB Demersluis, te Amsterdam.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

(zaaksdossier C1)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 juni 2009 tot en met 18 juni 2009 te Amsterdam en/of De Meern en/of Den Haag en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- (daartoe) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, heeft/hebben verdachte(n) en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), (telkens) daartoe

- (meermalen) met elkaar telefonisch contact gehad (al dan niet via sms) (waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd) en/of

- een actietelefoon aangeschaft en/of ontvangen, althans in gebruik genomen en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt (om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven) en/of

- (meermalen) ontmoetingen en/of besprekingen gehad (onder andere bij AC Restaurant De Meern op 17 juni 2009 en/of 18 juni 2009;

Feit 2

(zaaksdossier C3)

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 juli 2009 tot en met 07 augustus 2009 te Amsterdam en/of Diemen-Zuid, in elk geval in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, (telkens) voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens)

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

- (daartoe) voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, heeft/hebben verdachte(n) en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), (telkens) daartoe

- (meermalen) met elkaar telefonisch contact gehad (al dan niet via sms) (waarin verluierd en/of verhullend gesproken werd) en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt (om informatie uit te wisselen en/of te delen en/of door te geven) en/of

- (meermalen) ontmoetingen en/of besprekingen gehad (onder andere bij NS Station Diemen-Zuid te Diemen en/of [adres] te Amsterdam (Zuidoost) op 5 augustus 2009 en/of 6 augustus 2009);

Feit 3

(zaaksdossier C4)

hij op of omstreeks 04 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 10.032,60 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 4

(zaaksdossier C10)

Primair hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) eurocoupures (in totaal een geldbedrag van ongeveer 10.101,55 euro), verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt door dat/die voorwerp(en) (telkens) te storten op zijn eigen rekening en/of uit te geven, terwijl verdachte (telkens) wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 01 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) eurocoupures (in totaal een geldbedrag van ongeveer 10.101,55 euro), althans enig geldbedrag, (telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging vanwege schending van het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) neergelegde fair trial-beginsel. Ter toelichting heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdediging beknot is in het voeren van de verdediging, aangezien de opgenomen tapgesprekken en videobeelden van observaties niet integraal aan de verdediging zijn verstrekt. Dit terwijl de officier van justitie onbeperkt toegang had tot het materiaal. Voorts kon het - daardoor noodgedwongen bij de Koninklijke Marechaussee - uitluisteren van die gesprekken en bekijken van beelden niet in alle vrijheid geschieden: een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee bediende de apparatuur en was bij het uitluisteren van de tapgesprekken c.q. bekijken van de observatiebeelden aanwezig. Bovendien, zo heeft de raadsvrouw van een confrère begrepen, zou door de aanwezige opsporingsambtenaar aan de officier van justitie zijn doorgegeven welke taps beluisterd zijn, waarop vervolgens door de officier van justitie opdracht is gegeven tot het doen van aanvullend onderzoek. Van een fair trial c.q. equality of arms is dan ook geen sprake, aldus nog steeds de raadsvrouw.

De rechtbank stelt voorop dat de beslissing de opgenomen tapgesprekken en observatiebeelden niet aan de verdediging te verstrekken, een beslissing van de rechtbank betreft. De rechtbank acht deze beslissing ook thans nog juist.. Het niet verstrekken van het opgenomen materiaal levert naar het oordeel van de rechtbank geen schending op van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, nu de verdediging door de officier van justitie - zonder enige beperking voor wat betreft de te beluisteren tapgesprekken of te bekijken observatiebeelden - in de gelegenheid is gesteld om de door haar gewenste tapgesprekken te beluisteren en de beelden van de observaties te bekijken, desgewenst in aanwezigheid van de verdachte en – na afspraak met de Koninklijke Marechaussee - op door haar gewenste tijden.

Ten aanzien van de praktische uitvoering met betrekking tot het beluisteren en/of bekijken van het materiaal bij de Koninklijke Marechaussee, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de verdediging vooraf diende aan te geven welke gesprekken en beelden zij wenste te beluisteren en/of bekijken. Vervolgens konden die gesprekken en beelden beluisterd en/of bekeken worden in aanwezigheid van een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee. De opsporingsambtenaar bediende daarbij de apparatuur. In de omstandigheid dat de verdediging vooraf diende aan te geven welke gesprekken en beelden zij wenste te beluisteren en/of te bekijken, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat een dergelijke opgave gevraagd kan worden in verband met de voorbereiding en efficiënte uitvoering van het verzoek tot beluisteren en/of bekijken van (een deel van) het materiaal. Ten aanzien van de omstandigheid dat vervolgens een opsporingsambtenaar van de Koninklijke Marechaussee de apparatuur bediende en derhalve aanwezig was bij het uitluisteren en/of bekijken van het materiaal, overweegt de rechtbank dat een andere wijze van uitvoering, te weten één waarbij de verdediging buiten aanwezigheid van een opsporingsambtenaar het verzochte materiaal kan beluisteren en/of bekijken, de rechtbank wenselijker voorkomt. Voor het oordeel dat de verdediging door de gehanteerde handelwijze beknot is en dat daarom van een fair trial geen sprake is, vindt de rechtbank in hetgeen daartoe is aangevoerd evenwel geen grond. Zo is niet gebleken dat aantekening of proces-verbaal is opgemaakt van de beluisterde tapgesprekken en/of bekeken beelden, op basis waarvan de officier van justitie vervolgens aanvullend onderzoek zou hebben laten doen. In de aanvullende processen-verbaal die zich in het dossier bevinden en die zien op tapgesprekken is aangeven waarom aanvullend gerelateerd is, te weten naar aanleiding van een door een medeverdachte tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie wordt dan ook verworpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat:

- verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 5, 10, 22, 23, 24, 28, 32, 33, 35, 37, 38, 39, 44, 45 en 46 worden verbeurd verklaard, de voorwerpen onder de nummers 7, 11, 18 en 21 worden teruggegeven aan verdachte en de voorwerpen onder de nummers 6, 14 en 16 worden onttrokken aan het verkeer.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1. Bewijsverweer

Ten aanzien van feit 1 (zaaksdossier C1):

De raadsvrouw heeft op de in de pleitnota nader omschreven gronden betoogd dat de identiteitsvaststelling van verdachte ondeugdelijk is geweest en ook heeft zij de stemherkenning betwist, nu deze door – naar de rechtbank de raadsvrouw begrijpt – is gedaan door niet ter zake deskundige verbalisanten.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog.

Uit het met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van verdachte opgemaakte proces-verbaal bevindingen van 20 juli 2009 (dossierpagina B02.008) blijkt dat van de telefoonnummers [mobiel telefoonnummer 1] en [mobiel telefoonnummer 2] door de Koninklijke Marechaussee wordt geconcludeerd dat die nummers in gebruik zijn (geweest) bij verdachte.

Met betrekking tot het gebruik van die nummers door verdachte overweegt de rechtbank dat – naast hetgeen in voormeld proces-verbaal ter onderbouwing daarvan is gerelateerd – verdachte tijdens zijn tweede verhoor op 16 september 2009 heeft verklaard dat het telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 1] het nummer van zijn mobiele telefoon is, hetgeen door de bij de bewijsmiddelen weergegeven verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] (afgelegd tegenover de Koninklijke Marechaussee) op 16 september 2009 bevestigd wordt. Bovendien is bij de doorzoeking in de woning van verdachte een mobiele telefoon aangetroffen die genoemd telefoonnummer had. Vast staat derhalve dat dit telefoonnummer bij verdachte in gebruik is (geweest).

Ten aanzien van het telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 2] heeft verdachte tegenover de Koninklijke Marechaussee verklaard dat hij dit telefoonnummer in het verleden in gebruik heeft gehad, terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] in eerdergenoemde verklaring heeft verklaard dat dit het telefoonnummer van verdachte is, waarvan medeverdachte [medeverdachte 2] na aankomst in Nederland gebruik maakte. Dit wordt bevestigd door de in het zaaksdossier C4 gerelateerde bevindingen (C4.251) in samenhang met bevindingen gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 29 september 2009 omtrent de vaststelling van de identiteit van de medeverdachte [medeverdachte 2]. Vast staat derhalve dat verdachte de gebruiker van telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 2] is (geweest).

De door de raadsvrouw gesuggereerde onmogelijkheid dat, indien verdachte de gebruiker van deze twee telefoonnummers is geweest, deze zich - naar uit de inhoud van de nagenoeg op hetzelfde tijdstip gevoerde, afgeluisterde telefoongesprekken zou moeten worden geconcludeerd – tegelijkertijd op twee verschillende plaatsen heeft bevonden (te weten in Amsterdam aan de [adres] respectievelijk in Amstelveen), doet er niet aan af dat verdachte ook op dat tijdstip gebruiker is geweest van beide telefoons. Aan de hand van de inhoud van die telefoongesprekken kan immers niet zonder meer worden vastgesteld dat de gebruiker van beide telefoons zich daadwerkelijk aan de [adres] te Amsterdam respectievelijk in Amstelveen heeft bevonden.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de stemherkenning door niet ter zake deskundige verbalisanten overweegt, de rechtbank dat, alhoewel behoedzaamheid op zijn plaats is waar moet worden gekeken naar de bewijswaarde die voortvloeit uit dergelijke stemherkenningen, er geen wettelijke regeling is en evenmin jurisprudentie waaruit valt af te leiden dat (resultaten van) dergelijke stemherkenningen als zodanig niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt.

Nu sprake is van opsporingsambtenaren die op ambtsbelofte verklaren verdachte via stemherkenning te hebben waargenomen op de bewuste taps, zij daarbij geen enkel voorbehoud hebben gemaakt, de verdediging op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarom hier sprake zou zijn geweest van een vergissing en ook overigens op grond van de inhoud van het dossier geen grond voor een dergelijke conclusie bestaat, is de rechtbank van oordeel dat niet is aangetoond dat de stemherkenningen onbetrouwbaar zijn geweest. Dit betekent dat de inhoud van de betreffende afgeluisterde telefoongesprekken kan meewerken tot het bewijs. Voor heropening van het onderzoek, zoals door de raadsvrouw verzocht, om de verbalisant die de stemherkenning heeft gedaan alsnog te horen, acht de rechtbank - met inachtneming van het in dat kader te hanteren noodzakelijkheidcriterium - dan ook geen noodzaak aanwezig.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de vaststelling van de identiteit van verdachte voorts nog betoogd dat het proces-verbaal van observatie van 17 juni 2009, voor zover daarin wordt gerelateerd door de verbalisanten 107 en 119 dat zij hebben gezien dat de man die zij man 1 noemen en die zij als bijrijder uit de Toyota hebben zien stappen en naar de Fiat hebben zien lopen, dezelfde man is als man 2 uit het proces-verbaal van observatie van 12 juni 2009, niet bruikbaar is voor het bewijs, nu de redenen van wetenschap daaromtrent niet in het proces-verbaal van 17 juni 2009 zijn opgenomen.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in dat verweer en overweegt daartoe als volgt. Vooropgesteld zij dat aan de door de raadsvrouw in dit verband voorts nog geponeerde stelling dat op 12 juni 2009 op de tijdstippen 17.41 uur (de rechtbank begrijpt: 17.40 uur) en 17.57 uur onrechtmatig is geobserveerd, voorbij moet worden gegaan, reeds omdat de raadsvrouw die stelling in het geheel niet heeft onderbouwd.

Uit het proces-verbaal van observeren van 12 juni 2009 (dossierpagina C1.118 e.v.) blijkt dat – onder meer - opsporingsambtenaar 107 om 17.40 uur en 17.57 uur man 2 als bijrijder ziet zitten in, respectievelijk stappen uit de door verdachte [medeverdachte 1] bestuurde Mitsubishi Colt. Deze zelfde opsporingsambtenaar 107 heeft blijkens het proces-verbaal van observeren van 17 juni 2009 (dossierpagina C1.185) om 20.51 uur de in dat proces-verbaal als man 1 aangeduide man als bijrijder uit de Toyota zien stappen en naar de Fiat zien lopen.

De redenen van wetenschap dat man 1 uit laatstgenoemd proces-verbaal man 2 uit het proces-verbaal van observatie van 12 juni 2009 is, berusten derhalve kennelijk op de eigen waarneming van opsporingsambtenaar 107. Dat man 2 uit het proces-verbaal van observeren van 12 juni 2009 verdachte is, kan worden vastgesteld aan de hand van de telefoongesprekken van 12 juni 2009 te 15.53 uur en 16.11 uur tussen het bij verdachte in gebruik zijnde telefoonnummer [mobiel telefoonnummer 1] en [medeverdachte 1]. Daaruit blijkt namelijk dat de gebruiker van vorengenoemd nummer aan het wachten is voor de deur van [medeverdachte 1] en dat om 16.12 uur is waargenomen dat man 2 zich bevindt bij de centrale in- en uitgang die onder meer toegang geeft tot perceel [adres] te Amsterdam - zijnde het verblijfadres van [medeverdachte 1] - en daar aanbelt en vervolgens de toegangsdeur binnengaat, waarna om 17.40 uur is waargenomen dat [medeverdachte 1] als bestuurder en man 2 als bijrijder vanuit de parkeergarage gelegen onder [adres] vertrekken. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, heeft de herkenning derhalve niet slechts achteraf aan de hand van een pasfoto plaatsgevonden.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de observaties die op 17 en 18 juni 2009 hebben plaatsgevonden en waarbij verdachte herkend zou zijn als de persoon die met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gesproken op de parkeerplaats van het AC restaurant in De Meern, van het bewijs uitgesloten moeten worden, omdat sprake was van een stelselmatige observatie waarvoor een rechtsgeldig bevel ontbreekt. De officier van justitie heeft op 17 juni 2009 weliswaar een mondeling bevel afgegeven, maar de officier van justitie heeft niet binnen drie dagen nadat het mondeling bevel was gegeven een schriftelijk bevel verstrekt, aldus de raadsvrouw. De raadsvrouw heeft daarbij voorts de vraag opgeworpen of het mondeling geven van dit bevel wel dringend noodzakelijk was.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Op grond van de feiten en omstandigheden die blijken uit de op 18 juni 2009 schriftelijk gedane aanvraag bevel stelselmatige observatie ex artikel 126 g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), in samenhang bezien met het op 17 juni 2009 mondeling gegeven bevel daartoe, kan het volgende worden vastgesteld. Naar aanleiding van de uit afgeluisterde telefoongesprekken gerezen verdenking dat er op 18 juni 2009 een levering en overdracht van verdovende middelen zou plaatsvinden (zie met name ook het telefoongesprek van 17 juni 2009 te 17.58 uur tussen verdachte en [medeverdachte 1]) en dat in verband daarmee op 17 juni 2009 in de avonduren een ontmoeting zou plaatsvinden tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 3], heeft de officier van justitie op goede gronden tot het oordeel kunnen komen dat een stelselmatige observatie van verdachte met ingang van de avonduren van 17 juni 2009 dringend noodzakelijk was. Zij heeft daarom op 17 juni 2009 in redelijkheid een mondeling bevel tot stelselmatige observatie van verdachte kunnen afgeven. Dat dit bevel niet binnen drie dagen daarna, maar pas op 22 juni 2009, op schrift is gesteld, brengt niet mee dat het door die observatie en de daarop volgende observatie van 18 juni 2009 tegen verdachte verkregen bewijs niet zou mogen worden gebruikt. De rechtbank overweegt daartoe dat het op schrift stellen van dat bevel en de gronden waarop dat bevel berust, zoals daarvan kan blijken uit de daaraan ten grondslag liggende aanvraag, er eerst en vooral toe strekt dat achteraf voor verdachte en de rechter controleerbaar is of de beslissing tot stelselmatige observatie terecht is genomen. Zoals hiervoor is overwogen was dat hier het geval. De rechtbank zal daarom, nu bovendien niet is gesteld of gebleken in welk rechtens te respecteren belang verdachte is geschaad door de niet tijdige schriftelijke verslaglegging van het bevel, volstaan met de constatering dat die schriftelijke verslaglegging niet tijdig heeft plaats gevonden. De observaties van 17 en 18 juni 2009 zijn derhalve bruikbaar voor het bewijs. Overigens merkt de rechtbank op dat zij de officier van justitie niet volgt in haar opvatting dat het bij de in artikel 126g, zesde lid Sv genoemde termijn van drie dagen om drie werkdagen gaat, nu noch uit de wet noch uit de aan de totstandkoming van die wet ten grondslag liggende wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de gegeven termijn van drie dagen drie werkdagen heeft bedoeld.

Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier C3):

Voor zover de verdediging met de opmerking dat het de vraag is of ten opzichte van het tweede ten laste gelegde feit sprake is van op zichzelf staande voorbereidingshandelingen, een verweer heeft opgeworpen, zal de rechtbank niet op die opmerking ingaan, nu de verdediging daaraan geen consequenties heeft verbonden en de rechtbank daartoe ook ambtshalve geen aanleiding ziet.

Ten aanzien van feit 4 primair (zaaksdossier C10):

De raadsvrouw van verdachte heeft onder verwijzing naar het Salduz-arrest (EHRM 27 november 2008, 36391/02 Salduz v. Turkey, zie ook NJ 2009, 214) als verweer gevoerd dat de verklaring van verdachte afgelegd tijdens zijn eerste verhoor niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat verdachte niet voor aanvang van dat verhoor een raadsman heeft kunnen raadplegen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe, niet in de gelegenheid is gesteld voorafgaand aan dat verhoor een raadsman te consulteren. Nu voorts het betreffende verhoor, anders dan de officier van justitie heeft betoogd, niet slechts een sociaal verhoor betreft maar eveneens betrekking heeft op het onderhavige feit, zal dit proces-verbaal van verhoor van 15 september 2009 (dossierpagina C10.011 e.v.) van het bewijs worden uitgesloten.

[4.2. Bewijsmiddelen]

4.3. Bewijsoverweging

De rechtbank zal, nu zij heeft vastgesteld dat de hiervoor genoemde telefoonnummers in gebruik waren bij verdachte en gelet op de gedane stemherkenning, bij de hierna voor het bewijs te gebruiken afgeluisterde en aan verdachte als deelnemer toegeschreven telefoongesprekken, verdachte als deelnemer aan die telefoongesprekken vermelden. Ook met betrekking tot de medeverdachten geldt dat de in het dossier opgenomen tapgesprekken naar het oordeel van de rechtbank daadwerkelijk door de in de processen-verbaal aan het telefoonnummer gekoppelde gebruiker zijn gevoerd.

Ten aanzien van zaaksdossier C1:

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor weergegeven afgeluisterde telefoongesprekken en onderschepte sms-berichten in onderling verband en in samenhang bezien met de hiervoor weergeven observaties, niet anders geconcludeerd kan worden dan dat die gesprekken, sms-berichten en ontmoetingen tussen verdachte en [medeverdachte 3] betrekking hadden op de voorbereiding en bevordering van de verkoop, de aflevering, het verstrekken en vervoeren van een handelshoeveelheid cocaïne. Voor dat oordeel is van belang dat in voormelde afgeluisterde telefoongesprekken - zoals medeverdachte [medeverdachte 4] heeft bevestigd - verhullend en versluierd taalgebruik wordt gebezigd. Zo wordt het woord “meisjes” gebezigd, waarmee - naar [medeverdachte 4] heeft verklaard - verdovende middelen worden bedoeld en diverse leeftijden zoals “de leeftijd is 38”, waarmee – naar [medeverdachte 4] heeft verklaard – codes zijn bedoeld, terwijl - naar blijkt uit het hiervoor vermelde proces-verbaal van relaas als weergegeven op dossierpagina C3.08 en de rechtbank ook ambtshalve bekend is - de handelswaarde voor een kilo cocaïne kan variëren en destijds tussen 37.000 en 40.000 euro lag. Voorts moet ook uit het van [medeverdachte 3] afkomstige sms-bericht van 18 juni 2009 te 10.44 uur naar een telefoonnummer in gebruik bij de medeverdachte [medeverdachte 1] (inhoudende: “Ben ff n tester aan het halen. Dan hoef je niet zo lang te wachten. Dan kan je vast terug om de rest te halen”) in samenhang bezien met de waarneming dat verdachte naar de ontmoeting van 18 juni 2009 een Albert-Heijn-tas bij zich had, worden geconcludeerd dat de ontmoeting van 18 juni 2009 gericht was op de aflevering van cocaïne. Dat de voorbereidingshandelingen op de verkoop, de aflevering, het verstrekken en vervoeren van cocaïne zagen volgt naar het oordeel van de rechtbank - naast hetgeen zojuist is overwogen - uit de omstandigheid dat in voormelde gesprek het woord ‘lai’ wordt gebezigd, welk woord volgens het hiervoor weergegeven proces-verbaal van 5 november 2009 (dossierpagina C1.238) in de straattaal voor cocaïne wordt gebezigd. Daarnaast acht de rechtbank daartoe redengevend de omstandigheid dat verdachte zich, blijkens hetgeen overigens in dit vonnis is overwogen, eveneens aan het medeplegen van (andere dan deze) voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in cocaïne en aan de voltooide invoer van ongeveer tien kilogram cocaïne schuldig heeft gemaakt.

De raadsvrouw heeft – naar de rechtbank het verweer begrijpt – voorts nog betoogd dat het onderzoeksteam verkeerde conclusies heeft getrokken uit de beperkte, door het onderzoeksteam relevant geachte selectie van de afgeluisterde telefoongesprekken waarop het bewijs in het onderhavige zaaksdossier bijna volledig berust, terwijl – naar het zich laat aanzien – de raadsvrouw het onderzoeksteam tevens verwijt dat diverse tapverzoeken vrij laat zijn gedaan, waardoor een onvolledig beeld is ontstaan.

Vooropgesteld zij dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is, om uit de ter beschikking staande gegevens, waaronder afgeluisterde telefoongesprekken, conclusies te trekken met betrekking tot de betekenis die aan die gegevens moet worden toegekend.

Voor zover de raadsvrouw een verwijt aan het opsporingsteam (en de officier van justitie) heeft willen maken dat er, doordat niet eerder tot het afluisteren van de aan verdachte toegeschreven telefoonnummers is overgegaan, een onvolledig beeld is ontstaan, miskent die opvatting dat, in het licht van het uitgangspunt dat terughoudend met het geven van een bevel tot het afluisteren van telefoons moet worden omgegaan, het opsporingsteam en de officier van justitie kennelijk van oordeel waren en ook van oordeel konden zijn dat de reeds ingezette opsporingsmiddelen voorafgaand aan het afluisteren van de aan verdachte toegeschreven telefoonnummers voldoende waren om tot opheldering van de onderzochte strafbare feiten te (kunnen) komen. Daarnaast heeft te gelden dat – indien verdachte van opvatting is dat er een onvolledig beeld uit de van het dossier deeluitmakende tapgesprekken omtrent zijn gedragingen naar voren komt - het allereerst op zijn weg ligt om een vollediger beeld daarvan te geven. Door zich op zijn zwijgrecht te beroepen heeft verdachte dat evenwel nagelaten, zulks terwijl de uit de afgeluisterde en in het dossier gevoegde telefoongesprekken, die redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte zich aan voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in cocaïne heeft schuldig gemaakt, noopten tot een de redengevend voor het bewijs van die telefoongesprekken ontzenuwende verklaring.

De raadsvrouw heeft tot slot nog aangevoerd dat verdachte niet de intentie had om met medeverdachten voorbereidingshandelingen te plegen, waarbij zij ook nog heeft opgemerkt dat – naar de rechtbank begrijpt – uit door verdachte gevoerde telefoongesprekken zou moeten worden geconcludeerd dat er sprake is van vrijwillige terugtred.

De rechtbank onderschrijft die opvatting niet. Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen kan niet anders worden geconcludeerd dan dat verdachte en [medeverdachte 1] voorbereidingen voor de aflevering van cocaïne troffen en dat slechts omdat [medeverdachte 3] in overleg met [medeverdachte 5] uiteindelijk de onderhandelingen voor die aflevering heeft afgebroken, het niet tot aflevering van een handelshoeveelheid cocaïne is gekomen.

Ten aanzien van zaaksdossier C3:

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen blijkt dat in de periode van 30 juli 2009 tot en met 6 augustus 2009 veelvuldig telefonisch contact plaatsvindt tussen - met name - verdachte en medeverdachte [medeverdachte 5]. In de door verdachte en zijn medeverdachten gevoerde - en hierboven weergegeven - telefoongesprekken wordt naar het oordeel van de rechtbank verhullend en/of versluierd taalgebruik gebezigd. Zo wordt onder andere gesproken over wijven, huisnummer, boksen, sportschool, trainen, kaartjes en stukken kip, terwijl deze woorden - gelet op de context waarin ze gebruikt zijn, tezamen genomen met de op deze gesprekken volgende observaties - niet letterlijk bedoeld kunnen zijn en verdachte noch zijn medeverdachten een aannemelijke verklaring voor deze gesprekken hebben gegeven.

Deze telefoongesprekken, in onderling verband en samenhang bezien, en bezien in het licht van de als bewijsmiddel gebezigde observaties dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in twee dagen tijd drie maal voor korte tijd het adres [adres] te Amsterdam bezoeken, zijn naar het oordeel van de rechtbank redengevend voor het bewijs dat verdachte zich in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in de periode van 30 juli 2009 tot en met 6 augustus 2009 bezighield met voorbereidingshandelingen gericht op de overdracht van verdovende middelen. Noch verdachte noch een van zijn medeverdachten heeft een de redengevendheid voor het bewijs ontzenuwende verklaring voor die telefoongesprekken en waarnemingen gegeven.

Dat de voorbereidingshandelingen betrekking hadden op cocaïne, leidt de rechtbank af uit het in een tapgesprek genoemde getal 39500, zijnde volgens het onderzoeksteam - hetgeen de rechtbank overigens ook ambtshalve bekend is - indertijd een gangbare kiloprijs voor cocaïne. De rechtbank betrekt daarbij de door de rechtbank in onderhavig vonnis vastgestelde betrokkenheid van verdachte bij de invoer van (ruim) 10 kilogram cocaïne op 4 september 2009 (zaaksdossier C4).

Ten aanzien van zaaksdossier C4:

De rechtbank is van oordeel dat uit bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt dat verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8], [medeverdachte 6], [medeverdachte 9], [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] in de periode van 8 juli tot en met 4 september 2009 handelingen verrichten, (telefoon)gesprekken voeren en ontmoetingen hebben die gericht zijn op de invoer van de op 4 september 2009 in een uit Sint-Maarten afkomstig vliegtuig op Schiphol aangetroffen hoeveelheid van ruim 10 kilogram van een materiaal bevattend cocaïne. Zo blijkt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat er vanaf 10 juli 2009 tussen de verschillende verdachten in deze zaak intensief (telefonisch) contact is over onder meer een ‘(serieuze) zaak’ en ‘de andere kant’. Voorts blijkt daaruit dat [medeverdachte 9] en later verdachte naar Sint-Maarten vertrekken, van waaruit zij intensief contact houden met diverse zich in Nederland bevindende verdachten. In de door verdachte en zijn medeverdachten gevoerde - en hierboven weergegeven - telefoongesprekken wordt naar het oordeel van de rechtbank veelal verhullend en/of versluierd taalgebruik gebezigd. Zo wordt onder andere gesproken over modellen, trouwen, broden, voetbalspelen, sterspeler, groente en deuren, terwijl deze woorden - gelet op de context waarin ze gebruikt zijn - niet letterlijk bedoeld kunnen zijn, verdachte noch enige medeverdachte een aannemelijke verklaring voor deze gesprekken heeft gegeven en ook [medeverdachte 1] ten aanzien van het trouwen verklaart dat het codetaal betreft. Gelet op de in de gesprekken genoemde aantallen, de met de in de gesprekken genoemde ‘speeldata’ overeenkomende vluchtmogelijkheden van Sint-Maarten naar Nederland en de naar aanleiding van het persbericht over het aantreffen van de cocaïne tussen medeverdachten gevoerde gesprekken, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat deze gesprekken over de aankoop en wijze en datum van de invoer van de aangetroffen cocaïne gaan. In dat verband is van belang dat [medeverdachte 7] in een telefoongesprek tegen verdachte zegt dat hij niet te veel moet praten, want hoe meer hij praat des te meer ‘papieren’ worden opgemaakt.

Voorts blijkt dat vanaf Sint-Maarten meermalen foto’s gestuurd worden van verbergplekken in laadruimtes van vliegtuigen, die onder andere door [medeverdachte 1] geprint worden en worden overhandigd aan [medeverdachte 6]. Op 28 augustus en 31 augustus 2009 vinden vervolgens ontmoetingen plaats tussen meerdere verdachten, die weer gevolgd worden door telefoongesprekken in verhullende en/of versluierende taal. Verdachte heeft met betrekking tot de ontmoeting op 31 augustus 2009 betwist dat hij daar aanwezig was. Anders dan verdachte heeft betoogd, blijkt evenwel uit het - hierboven weergegeven - proces-verbaal van observatie en proces-verbaal van bevindingen over deze ontmoeting en de hiervoor vermelde verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 8], dat verdachte bij deze ontmoeting aanwezig was. In de vroege ochtend van 4 september 2009 vindt vervolgens - aan de hand van verzonden foto’s - intensief telefonisch contact plaats tussen verdachte en/of zijn medeverdachten [medeverdachte 6], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over een bergplaats en hoe deze te openen. Van die foto’s wordt vervolgens vastgesteld dat ze overeenkomen met de plaats waarop op 4 september 2009 de cocaïne is aangetroffen.

Uit de aard van en de hoeveelheid aan contacten die de diverse verdachten in genoemde periode met elkaar hebben, blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een nauwe en bewuste samenwerking, gericht op de invoer van de aangetroffen hoeveelheid van cocaïne vanuit Sint-Maarten. Gelet op de uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen blijkende rol en handelingen van verdachte, in samenhang bezien met de aangetroffen cocaïne, treft het verweer dat hooguit van voorbereidingshandelingen van verdachte sprake is geweest, derhalve geen doel.

Ten aanzien van zaaksdossier C10:

Blijkens voormelde bewijsmiddelen heeft verdachte in de bewezenverklaarde periode een bedrag van € 3.356,89 aan money transfers, € 3.440,- aan belkosten en € 1.848,- aan voedsel en kleding uitgegeven. Met betrekking tot de kosten voor voedsel en kleding heeft verdachte ter terechtzitting weliswaar verklaard dat hij minder zou hebben uitgegeven dan voormeld bedrag, maar nu hij deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd en in het proces-verbaal van 24 november 2009 wordt uitgegaan van door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) berekende, in het algemeen minimaal te maken kosten voor levensonderhoud, staat voldoende vast dat verdachte (minimaal) dit bedrag in de betreffende periode aan voedsel en kleding heeft besteed. Met betrekking tot de belkosten geldt voorts dat verdachte blijkens het proces-verbaal van 24 november 2009 in de periode van ongeveer een maand een bedrag van € 430,- heeft besteed aan het opwaarderen van zijn beltegoed. Nu volgens verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, in deze maand geen sprake was van bijzondere omstandigheden, gaat de rechtbank er van uit dat verdachte in de bewezenverklaarde periode een bedrag van € 3.440,- (namelijk 8 maanden x € 430,-) aan beltegoed heeft uitgegeven.

Met betrekking tot de overige in het proces-verbaal van 24 november 2009 en het (aanvullende) proces-verbaal van bevindingen van 24 februari 2010 opgenomen uitgaven (te weten de sportschool, vervoerskosten, een betaling in Zwitserland, het vliegticket, de betaling NS Hi-speed en huisvesting) is de rechtbank van oordeel dat verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting voor (een deel van) die posten weliswaar uitgaven heeft gedaan, maar dat het dossier en het verhandelde ter zitting de rechtbank onvoldoende informatie bieden om deze posten te begroten.

Verdachte heeft derhalve in de bewezenverklaarde periode ten minste een bedrag van

€ 8.644,- (blijkens zijn verklaring ter terechtzitting en naar de rechtbank uit het proces-verbaal van 24 november 2009 en de daarbij als bijlage gevoegde bankafschriften begrijpt:) contant uitgegeven, terwijl hij in die periode slechts over een contant bedrag van € 3.340,- kon beschikken (waarvan een bedrag van € 120,- bij hem is aangetroffen). Verdachte heeft dienaangaande aangevoerd dat hij over meer gelden kon beschikken dan uit de bewijsmiddelen blijkt, omdat hij samen met vijf anderen in 2005 een erfenis van € 80.000,- zou hebben gehad en hij zijn deel van de erfenis contant van de notaris uitgekeerd heeft gekregen. Nu verdachte echter deze gestelde extra gelden en herkomst daarvan op geen enkele wijze heeft onderbouwd, acht de rechtbank deze verklaring niet aannemelijk. Ditzelfde geldt voor het verweer dat verdachte als het ware een spaarpotje had laten ontstaan door het opsparen van eerder, te weten vóór 1 januari 2009, door hem van zijn bankrekening opgenomen gelden. Niet alleen is dit verweer niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd, ook ligt, gelet op de frequentie en hoogte van de bedragen waarover verdachte blijkens zijn verklaring en de zich in het dossier bevindende bankafschriften heeft kunnen beschikken, niet zonder meer in de rede dat hij daarvan een zodanig bedrag heeft kunnen sparen dat voormelde uitgaven daarvan kunnen zijn betaald.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte een bedrag van ten minste € 5.424,- meer heeft uitgegeven dan waarover hij legaal kon beschikken. Nu verdachte, anders dan de gelden die hij van zijn vrouw in Suriname kreeg, niet over een legaal inkomen beschikte en van voormeld bedrag geen legale herkomst aannemelijk is geworden, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat voormeld geldbedrag – middellijk of onmiddellijk – afkomstig is van enig misdrijf en dat verdachte dit wist. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verdachte zich in de betreffende periode, gelet op hetgeen overigens in dit vonnis wordt overwogen, in twee afzonderlijke zaken schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van de handel in cocaïne en voorts aan het medeplegen van de voltooide invoer van ongeveer tien kilo cocaïne.

Tot slot acht de rechtbank het primair ten laste gelegde gewoontewitwassen bewezen, nu verdachte verspreid over de gehele bewezenverklaarde periode vele uitgaven heeft gedaan die niet tot zijn legale inkomen zijn te herleiden. Zo heeft verdachte verspreid over de betreffende periode een vijftiental money transfers verstuurd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de geldbedragen daarvoor eerst van zijn bankrekening had afgehaald. De (als bijlagen bij het proces-verbaal van 24 november 2009 gevoegde) bankafschriften staven deze verklaring echter niet: voor of op de betreffende dagen dat verdachte van money transfers gebruik heeft gemaakt, vinden blijkens deze bankafschriften (op één enkele keer na) geen opnames plaats die met de via de money transfers overgemaakte geldbedragen corresponderen.

4.4. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1 (zaaksdossier C1)

hij in de periode van 7 juni 2009 tot en met 18 juni 2009 te Amsterdam en De Meern en Rotterdam, en/of elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, telkens

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen en

- daartoe voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), daartoe

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad al dan niet via sms, waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd en/of

- een actietelefoon in gebruik genomen en/of

- meermalen afspraken gemaakt om informatie uit te wisselen en/of door te geven en/of

- meermalen ontmoetingen gehad, onder andere bij AC Restaurant De Meern op 17 juni 2009 en 18 juni 2009;

Feit 2 (zaaksdossier C3)

hij in de periode van 30 juli 2009 tot en met 6 augustus 2009 te Amsterdam en Diemen-Zuid en/of elders in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, mede te plegen en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen en/of

- daartoe voorwerpen en vervoermiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij/zij wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van het feit;

immers, heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn/hun mededader(s), daartoe

- meermalen met elkaar telefonisch contact gehad al dan niet via sms waarin versluierd en/of verhullend gesproken werd en

- meermalen afspraken gemaakt om informatie uit te wisselen en/of door te geven en

- meermalen ontmoetingen en/of besprekingen gehad, onder andere bij NS Station Diemen-Zuid te Diemen en [adres] te Amsterdam (Zuidoost) op 5 augustus 2009 en 6 augustus 2009;

Feit 3 (Zaaksdossier C4)

hij op 4 september 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, 10.032,60 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I.

Feit 4 (zaaksdossier C10)

Primair hij op in de periode 1 januari 2009 tot en met 15 september 2009, te Amsterdam, en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, telkens een geldbedrag tot en totaal van 8.644 euro, verworven en voorhanden gehad en overgedragen, terwijl verdachte telkens wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet door

- anderen trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

- zich of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet door

- anderen trachten te bewegen om dat feit mede te plegen;

- zich of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van feit 4 primair:

Gewoontewitwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank allereerst gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd aan standaardkoeriers die ongeveer 10 kilogram cocaïne in Nederland hebben ingevoerd. Aan deze koeriers, voor wie geldt dat zij veelal vanuit financieel minder rooskleurige omstandigheden tot de invoer van cocaïne zijn overgegaan en die een aanmerkelijke kans op betrapping lopen, wordt doorgaans een gevangenisstraf van vier jaren opgelegd. Aan deze - relatief hoge - strafoplegging ligt – naast het gevaar voor de volksgezondheid dat door deze delicten wordt veroorzaakt en de (financiële) schade die gebruikers van cocaïne aan de samenleving toebrengen om te kunnen voorzien in hun behoefte aan die stof – mede als overweging ten grondslag dat het door deze relatief hoge straffen voor en de aanmerkelijke kans op betrapping van die koeriers voor organisatoren van cocaïnesmokkel moeilijker wordt gemaakt om koeriers te kunnen ronselen.

In de onderhavige zaak gaat het om verdachten die zich in georganiseerd verband hebben bezighouden met de smokkel van cocaïne. De argumenten die gelden voor de relatief hoge strafoplegging aan koeriers van cocaïne, gelden des te sterker voor dergelijke organisatoren. Allereerst is daarvoor van belang dat de organisatoren van cocaïnesmokkel verreweg het grootste deel van de winsten die worden behaald met de cocaïnesmokkel opstrijken, terwijl zij daarnaast doorgaans niet in financieel minder rooskleurige omstandigheden verkeren. Zij maken aldus uit louter winstbejag de gezondheid van personen en de belangen van de samenleving volstrekt ondergeschikt aan hun honger naar geld.

Daarnaast noopt de generale en speciale preventie, mede vanwege de betrekkelijk geringe kans op betrapping van de organisatoren, tot een hogere bestraffing dan thans veelal gebruikelijk is bij genoemde koeriers. Ten slotte noodzaakt ook de geraffineerde manier waarop gebruik wordt gemaakt van geheime bergplaatsen in vliegtuigen en de inschakeling van medewerkers van de luchthavens, zoals werknemers van vliegmaatschappijen en bagage afhandelingbedrijven en medewerkers van douane en Koninklijke Marechaussee, vanwege het corrumperend effect dat zulks heeft, tot een hogere strafoplegging dan genoemde vier jaren.

Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de smokkel van een hoeveelheid van 10 kilogram cocaïne door personen die zulks in georganiseerd verband doen en op een dergelijke geraffineerde wijze in beginsel met een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden dient te worden bestraft. Afhankelijk van de rol die een verdachte binnen het georganiseerd verband en bij de smokkel vervult en de uit de (eventuele) recidive blijkende hardnekkigheid waarmee een verdachte volhardt in crimineel gedrag als waarvan hier sprake is, is er aanleiding voor verdere differentiëring van de op te leggen straf.

Als gezegd heeft verdachte zich in georganiseerd verband met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan de smokkel van de onderhavige hoeveelheid cocaïne

Verdachte vervulde binnen dit georganiseerd verband een leidende en onmisbare rol. Zo is hij van begin af aan betrokken bij de onderhandelingen over het cocaïnetransport in Nederland, is hij (één van) degene(n) geweest die naar Sint-Maarten afreisde om de onderhandelingen met de leveranciers van de cocaïne te voeren en is hij degene geweest die informatie over die onderhandelingen en de plaats waar de cocaïne zou worden verstopt doorgaf aan de medeverdachten in Nederland. Na terugkomst in Nederland bemoeide verdachte zich zeer actief met de verdere afhandeling van het (mede) door hem in gang gezette cocaïnetransport. De rechtbank rekent verdachte zijn leidende rol gedurende de hele fase van het transport zwaar aan.

Verdachte heeft zich daarnaast in de eerste helft van juni 2009 samen met anderen bezig gehouden met voorbereidingshandelingen gericht op de handel in cocaïne.

Verdachte heeft samen met anderen (telefonisch) gesprekken over de levering van een zeer aanzienlijke hoeveelheid cocaïne gevoerd die hebben geresulteerd in een tweetal ontmoetingen. De eerste ontmoeting had, zo begrijpt de rechtbank, ten doel om de afspraken over de levering van cocaïne te concretiseren; bij de tweede ontmoeting zou een begin worden gemaakt met de aflevering van kennelijk voor de verkoop aan gebruikers bestemde cocaïne. Verdachte was daarbij degene die kennelijk over de cocaïne kon beschikken en die door tussenkomst van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] voor de levering van die cocaïne zou zorg dragen.

Aldus heeft verdachte die zelf – naar hij zegt – alleen af en toe hash of weed gebruikt – kennelijk louter uit winstbejag en met voorbijzien aan de gezondheidsrisico’s voor anderen - een belangrijke bijdrage trachten te leveren aan de instandhouding van het drugscircuit.

Feiten als de onderhavige rechtvaardigen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur, ook in een geval als het onderhavige waarin de voorbereidingshandelingen niet hebben geresulteerd in een daadwerkelijke aflevering van cocaïne.

Daarnaast heeft verdachte zich in de periode van 30 juli 2009 tot en met 6 augustus 2009 samen met anderen nog schuldig gemaakt aan (naar het zich laat aanzien: op z’n minst genomen) voorbereidingshandelingen gericht op de overdracht van een kennelijk voor de handel bestemde hoeveelheid cocaïne. Hij heeft daartoe samen met anderen besprekingen gevoerd en ontmoetingen gehad die gericht waren op de overdracht van die cocaïne.

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken, hetgeen een ernstige aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten,

In de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een lagere strafoplegging over te gaan.

8. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

8.1. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 5, 10, 22, 23, 24, 28, 32, 33, 35, 37, 38, 39, 44, 45 en 46, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat een of meer van /zijnde bewezenverklaarde feiten met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

8.2. Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder de nummers 6, 14 en 16, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe. Deze voorwerpen zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde inbeslaggenomen voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420ter;

Opiumwet: 2, 10 en 10a.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZEVEN (7) JAREN EN ZES (6) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

5 Geld buitenlands

100 usdollar

10 1.00 STK Boek

1 boekje lycatel mobile met nr [nummer]

22 1.00 STK Papier Kl:wit

reisplan parbotravel

23 1.00 STK Papier

factuur hotel phoenix d.d. 28/04/09

24 2.00 STK Tas

2x plastic tas met diverse bescheiden

28 1.00 STK Papier Kl:wit

print a4 met 5 foto's

32 1.00 STK Papier

papier met rooster klm a4

33 1.00 STK SIM-kaart

GNANAM TELECOM

[nummer]

35 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

NOKIA

37 1.00 STK Telefoontoestel Kl:grijs

NOKIA 1600

38 1.00 STK SIM-kaart

LYCA

[nummer]

39 1.00 STK SIM-kaart

LYCA

[nummer]

44 1.00 STK Telefoontoestel Kl:rood

SAMSUNG

incl. oplader

45 1.00 STK Telefoontoestel

NOKIA 1600

46 1.00 STK Telefoontoestel

NOKIA

incl. oplader

Onttrekt aan het verkeer:

6 2.00 STK Poeder Kl:wit

2 plastic zakjes met vermoed. cocaine 6)8 gr bruto

14 1.00 STK Agenda Kl:zwart

uit 2007 inclusief diverse bescheiden

16 1.00 STK Agenda Kl:bruin

2009 inclusief pen en diverse bescheiden

Gelast de teruggave aan verdachte van:

7 1.00 STK SIM-kaart

[nummer]

t-mobile

11 1.00 STK Papier

a4 papier met daarop kopie paspoort [naam]

18 1.00 STK Papier Kl:wit

print windows live hotmail

21 1.00 STK Papier

a4 kopie pp nl op naam [naam]

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter,

mrs. R.E.A. Toeter en T.A.M. Tijhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L. Wessels en W. van den Bergh,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 april 2010.