Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM0750

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-02-2010
Datum publicatie
12-04-2010
Zaaknummer
15-700797-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; partieel nietige dagvaarding; aanmerkelijke kans toebrengen zwaar lichamelijk letsel door kopstoot; huiselijk geweld; deels voorwaardelijke gevangenisstraf; contactverbod.

De rechtbank verklaart de dagvaarding partieel nietig. De omschrijving 'een of meer goederen' in de tenlastelegging specificeert onvoldoende op welk goed de aan verdachte ten laste gelegde vernieling betrekking heeft. Op dit punt is de tenlastelegging onvoldoende duidelijk omschreven.

De kans om aan een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die ander een kopstoot tegen zijn hoofd te geven, is, anders dan de raadsman heeft bepleit, aanmerkelijk.

Verdachte wordt voor mishandeling, meermalen gepleegd, en een poging tot zware mishandeling veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de bijzondere voorwaarde een contactverbod met slachtoffer 1 gedurende het eerste jaar van deze proeftijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700797-09

Uitspraakdatum: 25 februari 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 februari 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Primair:

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Krommenie, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet het hoofd van die [slachtoffer 1] (krachtig) op het aanrecht, in elk geval op een harde ondergrond, heeft geslagen en/of (krachtig) tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd en/of gelaat tegen het aanrecht is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 24 november 2009 te Krommenie, gemeente Zaanstad, (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), een of meermalen (krachtig) tegen het hoofd en/of in het gelaat heeft geslagen en/of gestompt en/of het hoofd van die [slachtoffer 1] (krachtig) op het aanrecht, in elk geval een harde ondergrond, heeft geslagen, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Primair:

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meermalen met zijn, verdachtes, hoofd in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 2] geeft geslagen, in elk geval heeft geprobeerd die [slachtoffer 2] een of meer kopsto(o)(ten) te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 24 november 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een of meermalen (krachtig) met zijn, verdachtes, gebalde vuist in het gezicht en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of gestompt en/of met zijn, verdachtes, hoofd tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, in elk geval die [slachtoffer 2] een of meer kopsto(o)t(en) gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 24 november 2009 te Krommenie, gemeente Zaanstad, (telkens) opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur en/of een gordijn en/of een of meer goederen zich bevindende in de woning gelegen aan de [adres], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, (telkens) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, al dan niet met een voorwerp, de (voor)deur verbroken, in elk geval (krachtig) tegen die deur getrapt van de genoemde woning en/of geduwd en/of (krachtig) aan een (rol)gordijn getrokken en/of (krachtig) (met) een of meer goederen (op de grond) gegooid, in elk geval goederen omgegooid.

2. Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging partieel nietig is, waar het betreft het onder feit 3. opgenomen: “(krachtig) aan een (rol)gordijn getrokken en/of (krachtig) (met) een of meer goederen (op de grond) gegooid, in elk geval goederen omgegooid”. Deze handelingen zijn zonder nadere omschrijving immers niet aan te merken als het vernielen, beschadigen of onbruikbaar maken van die goederen, aldus de raadsman.

Wat betreft het (rol)gordijn leest de rechtbank de tenlastelegging aldus dat verdachte verweten wordt dit goed vernield te hebben door daaraan krachtig te trekken.

In die handeling die op zichzelf geschikt is om daardoor een rolgordijn te vernielen, te beschadigen of onbruikbaar te maken, ligt in samenhang met het daaraan verbonden gevolg besloten, dat verdachte wordt verweten dat hij kennelijk zo krachtig aan dat rolgordijn heeft getrokken dat hij daardoor dat rolgordijn heeft vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt.

Aldus gelezen houdt de omschrijving van de vernieling van het rolgordijn een voldoende feitelijke omschrijving in van de aan verdachte verweten vernieling, beschadiging of het onbruikbaar maken.

Echter, daar waar de tenlastelegging onder feit 3. spreekt van “een of meer goederen” (in regels 3 en 9) of “enig goed” (in regel 4) is de rechtbank van oordeel dat deze bewoordingen – ook bezien in het licht van de in de woning aangetroffen situatie – onvoldoende specificeren op welke goederen of welk goed de aan verdachte ten laste gelegde vernieling betrekking heeft gehad. Daarmee houdt de tenlastelegging op dit punt een onvoldoende duidelijke omschrijving in van hetgeen verdachte te dien aanzien wordt verweten. Dit brengt de rechtbank ertoe de dagvaarding wat betreft die in de tenlastelegging opgenomen passages partieel nietig te verklaren.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 1. subsidiair, 2. primair en 3. in de tenlastelegging opgenomen feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring, en heeft zij voorts gevorderd dat verdachte hiervoor zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Ten aanzien van het in beslag genomen breekijzer heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd zal worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1000,59, met oplegging van de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel.

4. Bewijs *1

4.1. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en feit 3

Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting – en dan met name gelet op de verklaringen van aangeefster *2– oordeelt de rechtbank in overeenstemming met de opvatting van de officier van justitie en de raadsman, dat er niet voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde feit te komen. Derhalve zal verdachte ten aanzien van dit feit moeten worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het niet nietige gedeelte van het onder feit 3. ten laste gelegde is er

– gelet op de stukken van het dossier – niet voldoende wettig bewijs voorhanden om dit feit bewezen te verklaren. Verdachte zal daarom tevens van de hem onder 3. verweten vernieling moeten worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

In de nacht van 24 november 2009 werd [slachtoffer 1] (verder: aangeefster) bij haar woning in Krommenie, gemeente Zaanstad, opgewacht door haar ex-vriend [verdachte] (verder: verdachte). Voor de deur van haar woning sloeg verdachte haar (meermalen) krachtig met gebalde vuisten in haar gezicht en op haar hoofd. Bij binnenkomst in de woning alsook in de bovengelegen slaapkamer heeft verdachte haar op eenzelfde manier geslagen. Verdachte heeft met dit slaan ondermeer het linker jukbeen van aangeefster gebroken en ook heeft aangeefster een zware bloeduitstorting *3 gehad. Daarnaast heeft aangeefster door dit slaan hevige pijn ondervonden. Aanvankelijk weigerde verdachte – ondanks verzoeken daartoe van aangeefster – medische hulp in te schakelen en aangeefster te laten gaan, maar uiteindelijk heeft hij haar naar het ziekenhuis gebracht. *4

In dit ziekenhuis te Zaandam, gemeente Zaanstad, bracht [slachtoffer 2] op 24 november 2009 een bezoek aan aangeefster. Toen [slachtoffer 2] aangeefster in haar rolstoel de behandelkamer uitreed, liep verdachte op [slachtoffer 2] af, waarbij verdachte (meermalen) met kracht kopstoten in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] gaf. *5

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris*6 , alsook ter terechtzitting verklaard [slachtoffer 1] meermalen geslagen en/of gestompt te hebben. Eveneens heeft hij erkend geprobeerd te hebben [slachtoffer 2] meermalen een kopstoot te geven.

Anders dan de raadsman heeft bepleit overweegt de rechtbank dat de kans om aan een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die ander een kopstoot tegen zijn hoofd te geven, aanmerkelijk is. Het hoofd vormt immers een kwetsbaar lichaamsdeel, mede vanwege de daarin aanwezige voor het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van een kopstoot vatbare onderdelen bevinden. Door – kennelijk – in blinde woede meerdere malen met kracht zijn hoofd in de richting van het hoofd van [slachtoffer 2] te bewegen met de bedoeling hem te raken, zonder daarbij de volledige controle over zijn bewegingen te hebben, heeft verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 2] aldus zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1. subsidiair en feit 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

1. Subsidiair:

hij op meer tijdstippen op 24 november 2009 te Krommenie, gemeente Zaanstad, telkens opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 1], meermalen krachtig tegen het hoofd en in het gelaat heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. Primair:

hij op 24 november 2009 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen heeft geprobeerd die [slachtoffer 2] kopstoten te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feit

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mishandeling, meermalen gepleegd;

2. Poging tot zware mishandeling.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege Brijder verslavingszorg uitgebrachte rapport van 2 februari 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin op een bijzonder hardhandige wijze willen afstraffen voor het feit dat zij, naar verdachte stelt, gelogen zou hebben over de persoon met wie zij die nacht op stap is geweest. Hij heeft haar daartoe in de nachtelijke uren opgewacht in of nabij haar woning. Buiten en in die woning – een plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen – heeft verdachte haar meermalen gestompt, waardoor zij verwondingen heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden. Niet alleen heeft verdachte door aldus te handelen de lichamelijke integriteit van zijn ex-vriendin op grove wijze gekrenkt, ook is hij daarbij voorbijgegaan aan het recht op een eigen leven van zijn ex-partner. Dat verdachte aanvankelijk zijn ex-vriendin na de mishandeling de toegang tot medische hulp heeft belet en vervolgens in het ziekenhuis een andere oorzaak van het ontstaan van haar verwondingen heeft aangegeven, leidt tot de conclusie dat hij kennelijk onvoldoende inzicht heeft in de ernst van zijn gedragingen en voorts dat hij zich aan de verantwoordelijkheid voor hetgeen hij heeft aangericht heeft willen onttrekken.

Tevens heeft verdachte in een ziekenhuis getracht een relatie van zijn ex-vriendin – die haar op dat moment hulp bood – door middel van het uitdelen van kopstoten ernstig letsel toe te brengen. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.

In de strafoplegging zal de rechtbank ten nadele van verdachte meewegen de omstandigheid dat hij – blijkens zijn justitiële documentatie – meermalen, op verdenking van (ernstige) geweldsdelicten, met de politie en justitie in contact is geweest. Hierbij merkt de rechtbank op dat verdachte door de politierechter van deze rechtbank bij (niet-onherroepelijk) vonnis van 17 september 2009 is veroordeeld wegens huiselijk geweld jegens zijn ex-partner.

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat na te noemen gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden, opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

Nu verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die waren gericht tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, onder wie zijn ex-vriendin, en nu verdachte – naar blijkt uit het ten zijnen name gestelde uittreksel uit het algemeen documentatieregister – eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder een geweldsdelict begaan tegen deze ex-vriendin, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om die reden zal de rechtbank aan die voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf een proeftijd van drie jaar verbinden.

Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank – ter bescherming van de ex-vriendin van verdachte – voorts aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf de voorwaarde verbinden dat verdachte, zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd zal onthouden van het zowel middellijk als onmiddellijk opnemen van contact met zijn ex-vriendin.

De door de rechtbank op te leggen straf is lager dan door de officier van justitie gevorderd, omdat de rechtbank verdachte niet veroordeelt voor het onder 3. ten laste gelegde feit en de overige feiten kennelijk anders weegt dan de officier van justitie.

8. Beslissing omtrent het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van het in beslaggenomen breekijzer de bewaring ten behoeve van de rechthebbende dient te worden gelast, nu de rechtbank bij het onderzoek ter terechtzitting niet heeft kunnen vaststellen aan wie dat breekijzer toebehoort.

9. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1000,59 ingediend tegen verdachte wegens (im)materië¬le schade die zij als gevolg van het onder 1. ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade is als volgt opgebouwd:

- extra gemaakte reiskosten naar het Zaans Medisch Centrum en KNO arts ad € 30,-;

- extra gemaakte reiskosten door [slachtoffer 1] en haar moeder ten behoeve van een gesprek met de officier van justitie en met het bureau Slachtofferhulp Haarlem ad € 33,60;

- niet – door de wettelijke bijdrage in 2009 – voor vergoeding in aanmerking gekomen medische kosten ad € 121,99;

- niet – door de wettelijke bijdrage in 2010 – voor vergoeding in aanmerking komende medische kosten ad € 165,-;

- smartengeldvergoeding ad € 650,-.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot het gevorderde bedrag ad € 350,59 niet volledig voor toewijzing in aanmerking kan komen. Met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de eigen bijdrage van de zorgverzekering voor het jaar 2010 stelt de rechtbank vast dat deze schade niet voldoende is onderbouwd en ten aanzien van de reiskosten van de moeder van [slachtoffer 1] stelt de rechtbank vast dat deze niet direct uit het als 1. subsidiair ten laste gelegde en bij dit vonnis bewezen verklaarde feit voortvloeien. Voor de overige opgevoerde materiele schade stelt de rechtbank vast dat deze voldoende onderbouwd is, eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het als feit 1. subsidiair ten laste gelegde en bij dit vonnis bewezen verklaarde feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat ook de immateriële schade ad € 650,- rechtstreeks voortvloeit uit dit bewezen verklaarde. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt vergoeding van deze schade de rechtbank billijk voor.

De vordering zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 818,79.

De rechtbank zal verdachte voorts de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 818,79.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de dagvaarding nietig, daar waar het de onder feit 3. ten laste gelegde passages “een of meer goederen” (in regels 3 en 9) en “enig goed” (in regel 4) betreft.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1. primair en – voor zover het betreft het niet door de partiele nietigheid getroffen gedeelte – van het onder feit 3. ten laste gelegde feit en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. subsidiair en 2. primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1. subsidiair en feit 2. primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich ervan zal onthouden middellijk en onmiddellijk contact op te nemen met het in feit 1. genoemde slachtoffer, [slachtoffer 1], met dien verstande dat dit contactverbod voor het eerste jaar van de proeftijd zal gelden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een totaalbedrag van € 818,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de door haar ingediende vordering.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de staat van het bedrag van € 818,79, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 16 dagen hechtenis.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het breekijzer.

12. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.M. Hol, voorzitter,

mrs. R.E.A. Toeter en D.G.M. van den Hoogen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. T.M. Fikkers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 februari 2010.

Mr. A.M. Hol is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Mr. D.G.M. van den Hoogen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

*1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

*2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 november 2009, dossierpagina 21, en: proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 1 december 2009, blad 4.

*3 Medische verklaring [naam] en [naam] (Zaans Medisch Centrum) d.d. 24 november 2009, dossierpagina 23, en: Schade-onderbouwingsformulier Slachtofferhulp Nederland, d.d. 10 februari 2010.

*4 Proces-verbaal van aangifte d.d. 24 november 2009, dossierpagina 21, en: proces-verbaal van verhoor aangeefster, d.d. 1 december 2009, blad 3-4.

*5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2], d.d. 24 november 2009, dossierpagina 56-57.

*6 Proces-verbaal van verhoor door de rechter-commissaris van verdachte d.d. 26 november 2009.