Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BM0270

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
08/5911
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9319, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

terugbetaalde belastingschulden van anderen zijn niet aftrekbaar als negatief resultaat uit overige werkzaamheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1058
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 08/5911

Uitspraakdatum: 7 april 2010

Uitspraak in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: mr. A

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 156.630.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 73.672 en de aanslag dienovereenkomstig verminderd.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2010.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is verschenen B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is bij vonnis van 15 maart 2007 door de rechtbank Amsterdam strafrechtelijk veroordeeld voor het ‘medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd’. Eiser heeft samen met een ander gedurende een aantal maanden in 2003 een groot aantal aangiften IB/PVV en voorlopige teruggaven IB/PVV op naam van andere personen in strijd met de waarheid ingevuld en deze ingediend bij de Belastingdienst. De mededader had als voormalige boekhouder van bedrijven de gegevens van een aantal werknemers tot zijn beschikking, waarvan hij zonder hun medeweten gebruik heeft gemaakt. De teruggaven werden vervolgens op de bankrekeningen van eiser en een of meer anderen gestort.

2.2. Verweerder heeft reeds naar aanleiding van het voorafgaande strafrechtelijke onderzoek op 15 december 2006 het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser gecorrigeerd en een definitieve aanslag opgelegd.

2.3. Naar aanleiding van een door eiser ingediend bezwaarschrift tegen de aanslag heeft verweerder deze verminderd. Blijkens de motivering bij de uitspraak op bezwaar van 28 juli 2008 heeft verweerder daarbij rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

“Uit de stukken volgt dat de volgende bedragen ten onrechte door de Belastingdienst op de rekeningen van de heer X zijn gestort:

Datum betaling Rekeningnummer Bedrag belastingplichtige

14-05-2003 ….. € 13.675 C

24-06-2003 ….. € 9.939 D

10-09-2003 ….. € 10.178 E

Teruggaven ontvangen op rekening [bank 1] € 33.792

25-07-2003 …. € 177 F

Teruggave ontvangen op rekening [bank 2] € 177

21-05-2003 …. € 79 G

30-05-2003 …. € 631 H

30-05-2003 …. € 795 I

20-06-2003 …. € 1.659 J

02-07-2003 …. € 2.438 K

Teruggaven ontvangen op rekening [bank 3] € 5.602

Totaal ten onrechte ontvangen € 39.571

In totaal is voor een bedrag van € 21.447,83 door de Belastingdienst beslag gelegd, inclusief het conservatoir beslag.

De bedragen die in deze zaak ten onrechte zijn uitbetaald zijn deels overgemaakt naar rekeningen van de heer X en deels op rekeningen van de heren L en M. De heren X en N hebben in mei en juni 2003 van de rekeningen van de heren L en M contante bedragen opgenomen van in totaal € 35.000. Van de rekeningen van de heer X zijn in deze periode contante bedragen opgenomen van in totaal € 15.750. Door de heer X is vervolgens in totaal € 12.450 teruggestort op een algemeen rekeningnummer van de Belastingdienst.

In mijn brief van 2 juni 2008 heb ik het standpunt ingenomen dat laatstgenoemd bedrag niet alleen van de rekeningen van de heer X afkomstig is, maar dat een groot deel daarvan betrekking heeft op opnamen van de rekeningen die op naam van de heren L en M stonden. Dit deel kan niet in aftrek worden gebracht op het resultaat uit overige werkzaamheden van de heer X. Het deel dat wel in aftrek kan worden gebracht heb ik berekend op € 15.750 / (€ 35.000 + € 15.750) x € 12.450 = € 3.864. Ik gaf derhalve vervolgens aan voornemens te zijn om een bedrag van € 18.123 -/- € 3.864 = € 14.259 als resultaat uit overige werkzaamheden aan te merken.

(…)

De heer X heeft een substantieel inkomen van zijn inkomen over 2003 ten onrechte niet in zijn aangifte aangegeven. Daardoor heeft hij niet de vereiste aangifte ingediend en zijn de omkering en de verzwaring van de bewijslast van toepassing. Dit brengt met zich dat de heer X overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre het resultaat uit overige werkzaamheden op een lager bedrag dan € 14.259 dient te worden vastgesteld. Dit heeft de heer X tot dusver niet gedaan. De enkele kennisgeving zonder nadere onderbouwing met bewijsstukken dat alleen bedragen van zijn eigen rekeningen heeft gebruikt om bedragen terug te storten naar de Belastingdienst is daarvoor onvoldoende. Ik stel het resultaat uit overige werkzaamheden derhalve vast op € 14.259.

(…) ik stel het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt vast:

Looninkomsten € 74.968

Af: zuivere inkomsten uit eigen woning € 15.555

€ 59.413

Bij: resultaat uit overige werkzaamheden € 14.259

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 73.672”

2.4. Eiser heeft in mei en juni 2003 bedragen gestort op de rekening van de Belastingdienst. Blijkens een door verweerder verstrekt overzicht betreft het de volgende bedragen:

“Betaling aan Ontvanger Amsterdam:

- € 1.170 op 25-06-03 gestort door N met bestemming ….H10 (O)

- € 5.750 op 22-05-03 gestort door X met bestemming ….H01 (N)

- € 3.000 op 27-06-03 gestort door X met bestemming ….H01 (N)

Betaling aan Centrale Administr. Betalingsverkeer te Apeldoorn:

- €3.700 op 27-06-03 gestort door X met bestemming …. H10 (Q)”

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of een bedrag van € 8.586 op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering kan worden gebracht.

3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de bedragen die zijn gestort op de rekening van de Belastingdienst van

€ 5.750 op 22 mei 2003, € 3.000 op 27 juni 2003 en € 3.700 op 27 juni 2003 (samen € 12.450) in zijn geheel op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering moet worden gebracht. Aangezien verweerder in de uitspraak op bezwaar al rekening heeft gehouden met een bedrag van € 3.864 dient aldus nog met een bedrag van € 8.586 rekening te worden gehouden.

3.3. Verweerder daarentegen heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 12.450 niet in mindering kan worden gebracht. Aangezien hij in bezwaar al rekening heeft gehouden met een bedrag van € 3.864 is er geen aanleiding voor een verdere vermindering van de aanslag.

3.4. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.086. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de drie bedragen die hij heeft gestort op de rekening van de Belastingdienst (€ 5.750 op 22 mei 2003 met bestemming ….H01 ten name van N, € 3.000 op 27 juni 2003 met bestemming ….H01 ten name van N en € 3.700 op 27 juni 2003 met bestemming …..H10 ten name van Q) een zodanig verband houden met het resultaat uit overige werkzaamheden dat zij daarop in mindering kunnen worden gebracht als negatieve inkomsten of aftrekbare kosten.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in totaal € 12.450 is gestort op een of meer rekeningnummers van de Belastingdienst. Op eiser die stelt dat de nog niet in aanmerking genomen bedragen tot een totaal van € 8.586 in mindering dienen te komen op het resultaat uit overige werkzaamheden, rust ter zake de bewijslast.

4.3. Met hetgeen eiser heeft ingebracht heeft hij niet aan die bewijslast voldaan. Eiser heeft genoemde bedragen niet teruggestort op een algemeen rekeningnummer van de Belastingdienst tot ongedaanmaking van het eerder wederrechtelijk genoten voordeel. Eiser heeft daarentegen met genoemde stortingen op een of meer rekeningnummers van de Belastingdienst drie aanslagen van derden betaald. Het voldoen van schulden van derden houdt geen verband met de inkomstenbron en komt reeds daarom niet voor aftrek als negatieve inkomsten of aftrekbare kosten in aanmerking. De enkele omstandigheid dat eiser onder meer (privé-)aanslagen heeft betaald van N als medepleger doet daar niet aan af.

4.4. Aangezien verweerder reeds € 3.864 op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering heeft gebracht is gezien het vorenstaande geen reden een hoger bedrag in aanmerking te nemen.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 april 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. T.A. de Hek, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. J.H. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.