Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL9679

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
166287 / HA ZA 10-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstekvonnis (dagvaarding bijgevoegd). De officier van justitie heeft strafvorderlijk conservatoir beslag gelegd onder een derde, en omdat die derde niet tot afgifte overging, vervolgens derdenbeslag gelegd onder de werkgever van de derde. De officier van justitie vordert van de werkgever van de derde betaling van nog af te dragen geldsommen. De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat geen wettelijk aanknopingspunt is aan te wijzen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij de bevoegdheid heeft in een burgerlijk proces als partij op te treden in een geval als het onderhavige. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de vordering haar overigens ongegrond voorkomt, nu gesteld noch gebleken is krachtens welke titel onder gedaagde derdenbeslag is gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166287 / HA ZA 10-207

Vonnis van 24 maart 2010

in de zaak van

DE OFFICIER VAN JUSTITIE,

gevestigd en kantoorhoudende te Leeuwarden,

eiser,

advocaat mr. W.Ph. Steenhuisen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

R & R TOTAL SUPPORT B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zaandam, gemeente Zaanstad,

gedaagde,

niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het tegen gedaagde verleende verstek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Wat betreft de vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen wordt verwezen naar de dagvaarding, die in afschrift aan dit vonnis is gehecht.

2. De beoordeling

2.1. De officier van justitie is in zijn ambtelijke hoedanigheid ondergeschikt aan de minister van Justitie en ambtelijk orgaan van de Staat, terwijl geen wettelijk aanknopingspunt is aan te wijzen op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat hij de bevoegdheid heeft in een burgerlijk proces als partij op te treden in een geval als het onderhavige. Aangenomen moet dan ook worden dat niet van een uitzondering kan worden gesproken op de regel dat in een burgerlijk proces slechts natuurlijke en rechtspersonen als partij kunnen optreden (vgl. HR 25 november 1983, NJ 1984, 297 en Hof Amsterdam 1 november 1984, NJ 1985,722). De rechtbank zal eiser om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

2.2. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat de vordering haar overigens ongegrond voorkomt, nu gesteld noch gebleken is krachtens welke titel onder gedaagde derdenbeslag is gelegd.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering;

3.2. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010.?

-----------------------------------------------------------------------------------------------

DAGVAARDING:

MET AANZEGGING:

Dat de rechtbank tegen gedaagde verstek zal verlenen en de vordering toewijzen indien gedaagde niet bij advocaat verschijnt, de formaliteiten in acht zijn genomen en de rechtbank van oordeel is dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is;

TEN EINDE:

te horen eis doen en concluderen, dat:

Eiseres heeft op 26 januari 2009 (productie 1) executoriaal derden-beslag gelegd, uit krachte van een kennisgeving ex art 574 Wetboek van Strafvordering op 10 april 2008 uitgevaardigd door de Officier van Justitie te Leeuwarden, in de zaak van mijn verzoekster als eiseres en [A] als gedaagde waarin ondermeer wordt bepaald dat onder [B] conservatoir beslag is gelegd als gedaagde. Op 26 januari 2009 is executoriaal derden-beslag gelegd ten laste van [B] (BSN: [...]) (geboren [...]) wonende te ([...]) ASSENDELET aan de [...].

Gedaagde is conform artikel 476a Rv verplicht om na 4 weken de buitengerechtelijke verklaring als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv, welke verklaring aan het proces-verbaal is gehecht, ingevuld aan de beslagleggende deurwaarder te retourneren. Gedaagde heeft uiteindelijk de verklaring geretourneerd, welke op 24 april 2009 is ontvangen (productie 2).

Gedaagde is conform artikel 477 Rv verplicht om de volgens de verklaring in te houden geldsommen aan de deurwaarder te voldoen conform artikel 476a Rv. Echter heeft de laatste inhouding op 17 juni 2009 plaatsgevonden.

De maanden juli, augustus, september, oktober, november en december 2009 en januari 2010 (€ 7.661,71 netto) zijn niet aan de deurwaarder voldaan evenmin als het vakantiegeld welke 8% van het bruto jaarinkomen bedraagt.

De beslagleggende deurwaarder heeft gedaagde op 5 augustus 2009 (herhaald verzoek op 8 oktober 2009), 10 november 2009 alsmede 7 december 2009 (productie 3) in gebreke gesteld en gedaagde alsnog een termijn gegund om de inhoudingen over te maken. Gedaagde weigert echter, althans laat na, hiertoe over te gaan. Eiseres houdt gedaagde conform art. 477a lid 4 Rv aansprakelijk voor de nakoming van de nog af te dragen maanden ad € 7.661,71 netto en het vakantiegeld welke 8% van het bruto jaarinkomen bedraagt, alsmede vervangende schadevergoeding die hij in geval van niet nakoming verschuldigd zal zijn.

Aangezien gedaagde tot op heden geen verweer heeft gevoerd.

MITSDIEN:

Dat u edelachtbare rechter gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag ad € 7.661,71 netto (juli 2008 t/m januari 2010), vermeerderd met de wettelijke rente over laatstgenoemd bedrag vanaf de dag der dagvaarding en het vakantiegeld welke 8% van het bruto jaarinkomen, alsmede veroordeling van gedaagde in de proceskosten waaronder het salaris van gemachtigde.

Een bedrag van € 1094,53 per maand, te rekenen vanaf 1 februari 2010 tot aanhet tijdstip dat de vordering is voldaan, danwel dat [B] uit dienst gaat.