Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL9334

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
167651/HA RK 10-26
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsbeslissing. De wrakingskamer heeft het tegen haar gerichte wrakingsverzoek ter zitting niet-ontvankelijk verklaard omdat de indiening van dit (tweede) verzoek op de door de raadsman aangevoerde gronden kennelijk misbruik van recht oplevert. Met het verzoek is, gelet op het moment van indiening en de daarvoor gegeven ontoereikende onderbouwing, kennelijk uitsluitend beoogd de behandeling van het wrakingsverzoek en daarmee het onderzoek ter terechtzitting in de hoofdzaak uit te stellen. Het wrakingsverzoek in de hoofdzaak wordt afgewezen. Bevordering van efficiency in de procesgang en bevordering van de procesvoortgang zijn op zichzelf geen omstandigheden die kunnen wijzen op vooringenomenheid jegens verzoeker, reeds omdat de rechters uit hoofde van hun functie gehouden zijn te streven naar berechting binnen redelijke termijn. Die opdracht brengt mee dat gestreefd wordt naar zo goed mogelijke planning van de zaak. De namens verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen daarnaast niet het oordeel wettigen dat de rechters onder verwijzing naar efficiency en de agenda van de rechtbank er blijk van hebben gegeven de belangen en rechten van de verdachte zodanig te veronachtzamen dat daar zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid uit moet worden afgeleid. Ook uit de zich in het dossier bevindende correspondentie kan niet de conclusie worden getrokken dat efficiency ten koste van de belangen en rechten van verzoeker bij de rechters voorop heeft gestaan. Die correspondentie geeft er juist blijk van dat de rechters de raadslieden van de verschillende verdachten in het onderzoek ook in de recente planningen hebben betrokken. Die correspondentie wijst naar het oordeel van de wrakingskamer op een zorgvuldige voorbereiding van de zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer: 167651/HA RK 10-26

datum beslissing: 24 maart 2010

Op verzoek van:

[Verzoeker],

verzoeker,

raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda.

1. Procesverloop

1.1 Op de openbare terechtzitting van 19 maart 2010 heeft verzoeker mondeling de wraking verzocht van [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3], hierna te noemen: de rechters, leden van de meervoudige strafkamer in de bij deze rechtbank, sector strafrecht, aanhangige zaak met parketnummer 15/973004-08, hierna te noemen: de hoofdzaak. Van het verzoek is proces-verbaal opgemaakt.

1.2 De rechters hebben niet in de wraking berust.

1.3 De wrakingskamer heeft het verzoek ter openbare terechtzitting van 19 maart 2010 behandeld. Verzoeker en zijn raadsman, de officier van justitie en de rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is niet verschenen. Wel is verschenen zijn raadsman mr. E.M.J. Thomas, die het verzoek mondeling heeft toegelicht. De rechters en de officier van justitie, laatstgenoemde in de persoon van mr. A.J. van Dooren en mr. J.J. Beliën, zijn eveneens verschenen.

1.4 Tijdens de behandeling van het verzoek ter openbare terechtzitting van 19 maart 2010 heeft de raadsman namens verzoeker mondeling de wraking verzocht van mr. R.H.M. Bruin, mr. A.E. Patijn en mr. A.J. Wolfs, de leden van de meervoudige wrakingskamer. Hij deed dit verzoek onmiddellijk nadat de wrakingskamer een door hem gedaan verzoek om aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek had afgewezen. Zijn aanhoudingsverzoek had hij gebaseerd op twee argumenten: enerzijds wilde hij zich zelf beter kunnen voorbereiden op de behandeling van het wrakingsverzoek en anderzijds voerde hij aan dat de wrakingskamer door aanhouding de gelegenheid zou hebben (delen van) het strafdossier in de hoofdzaak te bestuderen. Volgens de raadsman zou dit laatste van belang zijn om het wrakingsverzoek in de hoofdzaak beter te kunnen beoordelen. De wrakingskamer heeft dit aanhoudingsverzoek afgewezen, onder meer onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 515, lid 1 en 3 van het Wetboek van Strafvordering, waarin expliciet tot uitdrukking wordt gebracht dat een wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk moet worden behandeld en dat zo spoedig mogelijk een beslissing moet volgen.

De wrakingskamer heeft het tegen haar gerichte wrakingsverzoek ter zitting niet-ontvankelijk verklaard, omdat de indiening van dit (tweede) verzoek op de door de raadsman aangevoerde gronden, namelijk dat hij meer tijd nodig had voor het wrakingsverzoek tegen de rechters, dat de voorzitter van de wrakingskamer bij de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek hem onjuiste woorden in de mond legde en dat er geen redelijk belang bij onmiddellijke behandeling van het wrakingsverzoek was, kennelijk misbruik van recht oplevert. Met het verzoek is, gelet op het moment van indiening en de daarvoor gegeven ontoereikende onderbouwing, kennelijk uitsluitend beoogd de behandeling van het wrakingsverzoek en daarmee het onderzoek ter terechtzitting in de hoofdzaak uit te stellen. De wrakingskamer zal deze beslissing in de onderhavige beslissing schriftelijk vastleggen.

2. Standpunten van betrokkenen

2.1 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek in de hoofdzaak aangevoerd dat het verzoek niet is gelegen in de voor verzoeker negatief uitgevallen beslissingen op verzoeken gedaan in de hoofdzaak op 19 maart 2010, maar dat de rechters moeten worden geacht partijdig en vooringenomen te zijn, nu zij de efficiency en de agenda van de rechtbank hebben laten prevaleren boven de belangen en rechten van de verdachte en de waarheidsvinding. De raadsman heeft hierbij verwezen naar correspondentie in het dossier en voorts de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd.

A- De rechtbank heeft meermalen onbegrijpelijke beslissingen genomen nu zij meermalen heeft aangegeven dat het horen van de getuigen [A] en [B] zodanig relevant is voor de beoordeling van de zaak tegen verzoeker dat niet kan worden overgegaan tot de bespreking van de feiten die aan hem worden ten laste gelegd tot het moment waarop duidelijkheid is verkregen over de verklaringen van de getuigen [A] en [B].

B- De rechtbank refereert opzettelijk niet aan het feit dat zij bij gelegenheid van de behandeling van de zaak tegen de medeverdachte [C] op 10 maart 2010 bij de motivering van haar beslissing in die zaak met betrekking tot een aantal onderzoekswensen zijdens de verdediging, kenbaar heeft gemaakt dat zij meent dat haar beslissing in die zaak ook consequenties heeft voor de zaak tegen de medeverdachten. Voorts reageert de rechtbank in haar beslissing van 19 maart 2010 niet op het standpunt van de verdediging dat zij aldus in haar belangen wordt geschaad, nu zij haar mening toentertijd niet kenbaar heeft kunnen maken.

C- De rechtbank weigert om de rechter-commissaris te gelasten de raadsman, dan wel een door hem aan te wijzen andere raadsman, toe te laten tot de rogatoire commissie die als doel heeft om op 22 maart 2010 [A] in Bangkok als getuige te horen in het onderzoek [D]. Op die manier laat de rechtbank de situatie ontstaan en voortbestaan waarin het ondervragingsrecht van de getuige door de verdediging van verzoeker en de medeverdachten wordt gefrustreerd en de waarheidsvinding wordt belemmerd.

D- De rechtbank heeft aangegeven dat onvoldoende argumenten zouden zijn aangeleverd voor het horen van de Australische verbalisanten naar aanleiding van een Australisch rechtshulpverzoek en het Australische antwoord van februari 2010 om doorbreking van het vertrouwensbeginsel te kunnen aannemen. De rechtbank gaat er daarbij aan voorbij dat vaststaat, althans meer dan voldoende aannemelijk is gemaakt, dat Nederland met opzet, althans met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte en de verdachten in de zaak [D], met welke medeverdachten verzoeker is verbonden via dossier […], onjuiste informatie aan de Australische autoriteiten heeft verstrekt, kennelijk met het doel om de Australiërs ertoe te bewegen de opsporing te laten geschieden op een wijze die Nederland zelf niet wilde hanteren.

2.2 De rechters hebben aangevoerd dat de meervoudige kamer, waarvan zij deel uitmaken, op 19 maart 2010 in de hoofdzaak het verzoek tot het horen van de getuige [A] op grond van het noodzakelijkheidscriterium heeft afgewezen. De rechters herkennen zich niet in het argument dat zij enkel de efficiency als uitgangspunt zouden hebben genomen. De meervoudige kamer heeft weliswaar de efficiency in acht genomen omdat een aantal verdachten in het onderzoek [D] reeds twee jaar geleden is aangehouden en het mede de taak van de rechtbank is een voortvarende afwikkeling van zaken te bevorderen, maar de meervoudige kamer heeft daarbij telkens de belangen van verzoeker en zijn medeverdachten in acht genomen. Dat blijkt onder meer uit het feit dat de zittingsplanning tot twee keer is aangepast vanwege getuigenverhoren in het buitenland die plotseling alsnog konden plaatsvinden. Zij wijzen er op dat de meervoudige kamer twee uitloopdagen heeft gepland voor onvoorziene ontwikkelingen.

2.3 De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Hij heeft daartoe onder andere aangevoerd dat de gang van zaken rond de wens van de verdachte tot (het aanwezig zijn bij) het horen van de getuige [A] wraking niet kan rechtvaardigen reeds omdat deze getuige in de hoofdzaak tegen verzoeker geen rol speelt, nu de meervoudige kamer het verzoek van de verdediging deze getuige te horen op 19 maart 2010 heeft afgewezen, en de verdediging dat verzoek op deze dag pas voor de eerste keer heeft gedaan.

3. Beoordeling

3.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.2 De strafzaak tegen verzoeker is onderdeel van het onderzoek dat bekend staat onder de naam [D] waarin meer dan 10 verdachten zijn betrokken. In het onderzoek zijn meerdere dossiers onderscheiden waarin de verdachten in verschillende combinaties zijn betrokken. De behandeling van de zaken zou aanvankelijk in het najaar van 2009 plaatsvinden. Vanaf januari 2010 heeft de rechtbank (verder) overleg gevoerd met de raadslieden over de planning van de onderscheiden zaken. De rechter-commissaris heeft eveneens in enkele zaken waarin aan hem nog onderzoeksopdrachten waren opgedragen, met de raadslieden overleg gevoerd, waaronder over het horen van [A]. In zijn brief van 15 maart 2010 schrijft de rechter-commissaris dat de Thaise autoriteiten hebben aangegeven dat één advocaat als waarnemer bij het verhoor aanwezig mag zijn. De rechter-commissaris is voornemens [A] in of omstreeks de week van 22 maart 2010 in Thailand te horen.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft de voorzitter van de strafkamer aan de raadsman van verzoeker meegedeeld, dat de rechter-commissaris bezig is een verhoor van getuige [B] te organiseren en dat de rechtbank heeft besloten dossiers waarbij een verklaring van die getuige een rol kan spelen, naar achteren te schuiven. Uit de bij die brief gevoegde planning blijkt dat de behandeling ter zitting in de verschillende zaken in de periode 10 maart tot en met 25 juni is gepland en de zaken tegen verzoeker zijn gepland op 19 maart, 29 april, 26 mei en 4 juni 2010. Voorts is ruimte ingepland voor uitloop.

3.3 De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat verzoeker de ter zitting in de hoofdzaak op 19 maart 2010 genomen (proces)beslissingen van de rechters over onder meer het al dan niet toelaten van getuigen, waaronder [A] en [B] c.q. Australische verbalisanten, niet aan zijn verzoek ten grondslag legt, maar dat hij de rechters partijdig en vooringenomen acht, omdat zij efficiency en de agenda van de rechtbank hebben laten prevaleren boven de belangen en rechten van verzoeker. Bevordering van efficiency in de procesgang en bevordering van de procesvoortgang zijn op zichzelf geen omstandigheden die kunnen wijzen op vooringenomenheid jegens verzoeker, reeds omdat de rechters uit hoofde van hun functie gehouden zijn te streven naar berechting binnen redelijke termijn. Die opdracht brengt mee dat gestreefd wordt naar zo goed mogelijke planning van de zaak. De namens verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden kunnen daarnaast niet het oordeel wettigen dat de rechters onder verwijzing naar efficiency en de agenda van de rechtbank er blijk van hebben gegeven de belangen en rechten van de verdachte zodanig te veronachtzamen dat daar zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid uit moeten worden afgeleid. De vraag of beslissingen rond de getuigen [A] en [B] al dan niet begrijpelijk zijn zoals verzoeker stelt (omstandigheid A), kan, wat er van die kwalificatie ook zij, niet de conclusie wettigen dat de rechters vooringenomen zijn. Dat de rechtbank in beslissingen op 19 maart 2010 niet zou hebben gerefereerd aan redengevingen die zij ter zitting van 10 maart 2010 heeft gebezigd en verdachte of zijn raadsman op die zitting niet aan het woord zijn geweest (omstandigheid B), vormt ook geen grond om vooringenomenheid jegens verzoeker te kunnen aannemen, reeds omdat zijn zaak eerst op 19 maart 2010 en niet op 10 maart 2010 aan de orde was. De weigering verzoekers raadsman in het kader van een rogatoire commissie naar Bangkok te laten afreizen (omstandigheid C), kan ook de door verzoeker bepleite conclusie niet wettigen, reeds omdat [A], zoals reeds overwogen, geen getuige was in de zaak van verzoeker, nog daargelaten dat uit de door verzoeker aangehaalde correspondentie uit de hoofdzaak juist blijkt dat zowel de rechtbank als de rechter-commissaris met de advocaten in de zaken die onderdeel zijn van het onderzoek [D], waaronder verzoekers raadsman, heeft overlegd over deelname van de zijde van de verdediging aan die rogatoire commissie in het licht van door de Thaise autoriteiten gestelde beperkingen in het aantal toe te laten raadslieden. Omstandigheid D kan toewijzing van het verzoek evenmin wettigen omdat het kennelijk ziet op een procesbeslissing, waarvan verzoeker ook zelf heeft aangegeven dat die wraking niet kan rechtvaardigen. Ook uit de zich in het dossier bevindende correspondentie kan niet de conclusie worden getrokken dat efficiency ten koste van de belangen en rechten van verzoeker bij de rechters voorop heeft gestaan. Die correspondentie geeft er juist blijk van dat de rechters, voor zover in die correspondentie betrokken, de raadslieden van de verschillende verdachten in het onderzoek [D] ook in de recente planningen hebben betrokken. Die correspondentie wijst naar het oordeel van de wrakingskamer op een zorgvuldige voorbereiding van de zaak.

3.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, geen grond opleveren voor het oordeel dat het fungeren van de rechters in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke partijdigheid zou kunnen leiden. De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking.

3.5 De rechtbank zal het verzoek om wraking afwijzen, zowel ten aanzien van de meervoudige strafkamer als geheel als, voor zover nog nodig, ten aanzien van de drie leden van die kamer.

3.6 De rechtbank ziet voorts aanleiding om toepassing te geven aan artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel wraking doordat verzoeker tijdens de behandeling van het verzoek om wraking lichtvaardig en kennelijk met een ander doel dan waarvoor het middel is gegeven, wederom een verzoek om wraking heeft gedaan.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1 bepaalt dat het verzoek tot wraking van mrs. Bruin, Patijn en Wolfs, leden van de wrakingskamer, wegens niet-ontvankelijkheid van dat verzoek buiten behandeling wordt gelaten;

4.2 wijst het verzoek tot wraking van [rechter 1], [rechter 2] en [rechter 3] af;

4.3 bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen;

4.4 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de officieren van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.5 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. A.E. Patijn en A.J. Wolfs, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2010 in tegenwoordigheid van mr. E.M. ten Bos als griffier.

Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beslissing door mr. Patijn ondertekend.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.