Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL9294

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-01-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
115334 - HA ZA 05-1045
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de vaststelling van de door (gedaagden) aan (eisers) te betalen schadevergoeding blijken de thans overgelegde verkoopcijfers over de jaren 1993 t/m 1997 niet van doorslaggevend belang. Vastgesteld kan worden dat een exacte berekening van die schadevergoeding op basis van de beschikbare gegevens niet tot de mogelijkheden behoort. Een deskundigenbenoeming zou in deze zaak evenmin soulaas bieden, omdat ook een deskundige zou stuiten op een gebrek aan voldoende harde cijfers. Bovendien dient verdere vertraging in deze al lang slepende procedure te worden vermeden. Daarom zal de rechtbank gebruik maken van de mogelijkheid om de schade op de voet van artikel 6:97 BW te begroten aan de hand van de diverse wèl voorhanden gegevens.

(eindvonnis na de tussenvonnissen van 21 februari 2007 (LJN: BL9273), 11 februari 2009 (LJN: BH6243) en 9 september 2009 (LJN: BL9290)).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 115334 / HA ZA 05-1045

Vonnis van 13 januari 2010

in de zaak van

1. [Eiser],

wonende te Volendam, gemeente Edam- Volendam,

2. [Eiseres],

wonende te Volendam, gemeente Edam- Volendam,

eisers,

advocaat mr. C.M. van der Veer,

tegen

1. de commanditaire vennootschap

VOLDAFARMA C.V.,

gevestigd te Lelystad,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOLDAFARMA BEHEER B.V.,

gevestigd te Lelystad,

3. [Gedaagde 3],

wonende te Lelystad,

gedaagden,

advocaat mr. J.P.M.M. Heijkant.

Partijen zullen hierna [eisers] en Voldafarma c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 september 2009,

- de akte overleggen nadere stukken van de zijde van [eisers],

- de antwoordakte met producties van de zijde van Voldafarma c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 11 februari 2009 heeft de rechtbank in r.o. 3.14 en 3.15 kort gezegd vastgesteld dat de v.o.f. Voldafarma over de periode van 1990 tot en met 1996 onrechtmatig heeft gehandeld door welbewust en opzettelijk te weinig royalty’s aan [eisers] af te dragen. Voorts is overwogen dat in 1997 de rechten en verplichtingen van Voldafarma v.o.f. zijn overgegaan in Voldafarma C.V., waarvan Voldafarma Beheer B.V. beherend vennoot is en beide daarom hebben te gelden als de jegens [eisers] aansprakelijke partijen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de gewraakte gedragingen niet aan [gedaagde 3] in persoon zijn toe te rekenen.

Ten behoeve van de vaststelling van de door Voldafarma C.V en Voldafarma Beheer B.V. aan [eisers] te betalen schadevergoeding heeft de rechtbank [eisers] in de gelegenheid gesteld om bij akte het - volgens [eiser] uit twee of drie pagina’s bestaande - faxbericht van [B] van februari 2004 met de exacte verkoopcijfers van de accountant over te leggen. In het tussenvonnis van 9 september 2009 heeft de rechtbank vastgesteld dat [eisers] niet van de haar geboden gelegenheid gebruik had gemaakt. Dit was aanleiding om [eisers] op de voet van artikel 22 Rv. te bevelen om alsnog bij akte genoemd verkoopoverzicht over te leggen.

2.2. [eisers] hebben bij akte van 23 september 2009 een cijfermatig overzicht overgelegd van Stolp & Fennis, Registeraccountants, met het opschrift ‘Berekening van vergoeding op basis van verkochte aantallen’. Het stuk bevat verkoopcijfers over de jaren 1993 t/m 1997 en is ondertekend door R.J.J. Fennis RA. Met de hand is onder meer de datum ‘9-3-04’ genoteerd. Voldafarma c.s. hebben bestreden dat daarmee door [eisers] is voldaan aan het door de rechtbank gegeven bevel. Hunnerzijds hebben zij evenwel een (deels gelijkluidend) overzicht overgelegd, waarop tevens, aan de rechterzijde, een overzicht is toegevoegd van hetgeen destijds aan [B] c.q. diens vennootschap Betulae aan royalty’s was betaald; dat toegevoegde overzicht was kennelijk in de door [eisers] overgelegde versie ‘weggekopieerd’. Voorts hebben [eisers] de bijbehorende aan Voldafarma gerichte aanbiedingsbrief van Stolp & Fennis overgelegd gedateerd 20 januari 1998.

2.3. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of het door [eisers] overgelegde overzicht het stuk is (dan wel daar deel van uitmaakt) van het faxbericht waarover [eiser] in zijn getuigenverklaring heeft gerept. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de getuigenverklaringen van [eiser] - zowel die van 10 oktober 2005 als die van 5 september 2007 -, alsmede de getuigenverklaring van [B] van 10 juni 2007 volgt zonder meer dat de in 2004 door [B] aan [eiser] gestuurde fax enerzijds bestond uit bijlage 5 bij de akte van aandelenoverdracht dd. 16 mei 1997, met daarin de verklaring van [A] zoals geciteerd in r.o. 3.11 van het tussenvonnis van 11 februari 2009, maar anderzijds uit het verkoopoverzicht over de periode 1993 t/m 1997. Dat het thans door [eisers] overgelegde overzicht niet het door genoemde getuigen bedoelde verkoopoverzicht zou zijn is in het licht van de gedingstukken niet goed voorstelbaar, met name nu dit overzicht (afgezien van het weggekopieerde gedeelte) hetzelfde is als het door Voldafarma c.s. zelf overgelegde exemplaar. [eisers] hebben dus voldaan aan het aan hen gegeven rechterlijk bevel, zodat de in r.o. 2.4 van het tussenvonnis van 9 september 2009 aangekondigde sanctie niet langer aan de orde is.

2.4. De rechtbank wil niet verhelen dat het in voornoemd tussenvonnis op basis van artikel 22 Rv. gegeven bevel mede was ingegeven door een zekere verbazing, ja zelfs een zeker wantrouwen, ontstaan door het feit dat [eisers] het - naar het de rechtbank voorkwam cruciale - overzicht van de verkoopcijfers andermaal niet had overgelegd, terwijl daar niet alleen alle reden voor leek te bestaan, maar er ook herhaaldelijk door Voldafarma c.s. op gewezen was dat dit stuk kennelijk bewust door [eisers] werd achtergehouden (vgl. bijvoorbeeld de paragrafen 56 en 57 van de antwoordconclusie na enquête). Nu deze hobbel alsnog is genomen ziet de rechtbank zich evenwel geconfronteerd met een nieuw opmerkelijk fenomeen: het overzicht, waarvan Voldafarma c.s. zo lang de overlegging hadden bepleit, blijkt reeds sinds begin 1998 bij hen bekend te zijn. Naar de achtergronden van deze opmerkelijke gang van zaken kan de rechtbank slechts gissen, maar bij gebreke van harde aanwijzingen voor bewust malicieus processueel gedrag gaat de rechtbank er van uit dat sprake moet zijn geweest van een misverstand en dat Voldafarma c.s. niet beseft hebben dat het stuk waar het om ging hetzelfde was als het stuk wat zij reeds in bezit hadden.

2.5. In het tussenvonnis van 9 september 2009 had de rechtbank [eisers] tevens opgedragen om bewijsstukken over te leggen met betrekking tot de ontvangst van een betaling van EUR 614.000,00 en EUR 100.000,00 zoals tussen [A] en [eisers] in het kader van de schikking overeengekomen. Buis c.s. hebben daarop betalingsbewijzen overgelegd waaruit volgt dat genoemde bedragen op respectievelijk 29 april 2008 en 9 juni 2009 door [A] Beheer BV naar de derdengeldrekening van de raadsman van [eisers] zijn overgemaakt. Indachtig het onder r.o. 2.4 overwogene ziet de rechtbank geen redenen om aan de juistheid van deze bewijsstukken te twijfelen. De rechtbank zal daarom niet terugkomen op haar vaststelling in r.o. 2.1 in het tussenvonnis van 11 februari 2009 dat de zaak tussen [A]/[A] Beheer en [eisers] is geschikt voor een bedrag van

EUR 714.000,- inclusief BTW (EUR 600.000,- exclusief BTW).

2.6. Voor de vaststelling van de door Voldafarma C.V en Voldafarma Beheer B.V. aan [eisers] te betalen schadevergoeding blijken de thans overgelegde verkoopcijfers over de jaren 1993 t/m 1997 niet van doorslaggevend belang. Vastgesteld kan worden dat een exacte berekening van die schadevergoeding op basis van de beschikbare gegevens niet tot de mogelijkheden behoort. Een deskundigenbenoeming zou in deze zaak evenmin soulaas bieden, omdat ook een deskundige zou stuiten op een gebrek aan voldoende harde cijfers. Bovendien dient verdere vertraging in deze al lang slepende procedure te worden vermeden. Daarom zal de rechtbank gebruik maken van de mogelijkheid om de schade op de voet van artikel 6:97 BW te begroten aan de hand van de diverse wèl voorhanden gegevens. Die gegevens wijzen op een tekort aan afgedragen royalty’s, schommelend tussen 40% en 60 % van de verkochte producten. Uit de gang van zaken rond de met [A] getroffen schikking (waarover [A] en [eiser] als getuigen hebben verklaard) valt af te leiden dat daarmee beoogd is de helft van de geleden schade te vergoeden. De onder r.o. 2.3 gememoreerde bijlage 5 bij de akte van aandelenoverdracht d.d. 16 mei 1997 bevat een wat cryptische tekst, die zowel op een tekort van 40% als op een tekort van 60% zou kunnen wijzen. Een vergelijking van de thans overgelegde verkoopcijfers over de periode 1993 t/m 1996 met de door [eisers] over die periode ontvangen bedragen, toont een verschil van circa 48%. Al met al is er voldoende aanleiding om er van uit te gaan dat de tussen [eisers] en [A] getroffen regeling EUR 500.000,- aan hoofdsom en EUR 100.000,- aan rente en kosten beoogde te vergoeden, waarmee dan de helft van de door [eisers] geleden schade zou zijn vereffend. Aldus zal de rechtbank de door Voldafarma C.V en Voldafarma Beheer B.V. aan [eisers] te betalen schadevergoeding eveneens vaststellen op

EUR 500.000,-. De door [A] betaalde rentecomponent zal zijn weerslag vinden in de toe te wijzen wettelijke rente. Voor verhoging met BTW, zoals met [A] overeengekomen, is geen plaats, nu de schadevergoedingsvordering op basis van onrechtmatige daad is ingesteld en ook zal worden toegewezen. Voor een aparte verklaring voor recht dat Voldafarma c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, zoals [eisers] hebben gevorderd, hebben zij daarnaast onvoldoende belang.

2.7. Nu het toe te wijzen bedrag aanzienlijk lager ligt dan bij dagvaarding gevorderd - ook indien het schikkingsbedrag van [A] daarvan wordt afgetrokken - zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen op de in het dictum te vermelden wijze compenseren. Er is daarbij geen reden om ten aanzien van [gedaagde 3] in persoon, ten aanzien van wie de vordering zal worden afgewezen, anders te oordelen nu in de processtukken geen onderscheid is gemaakt tussen het door haar en door Voldafarma C.V en Voldafarma Beheer B.V. gevoerde verweer.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Voldafarma C.V. en Voldafarma Beheer B.V., hoofdelijk, des de één betalende, de ander zal zijn bevrijd om aan [eisers] te betalen een bedrag van EUR 500.000,00 (vijfhonderdduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 juli 2005 tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, des dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.3. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. L.M. de Vries en mr. S.D. Lindenbergh en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2010.?