Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL7581

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
16-03-2010
Zaaknummer
15-740204-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witkiel; grootschalige (internationale) hennephandel. Verdachte heeft in de organisatie een belangrijke positie ingenomen; door zijn contacten met de afnemers in Engeland is de omvang van de handel van de groep aanzienlijk toegenomen. Voorts heeft verdachte in zijn woning een hoeveelheid hennep en hasjiesj aanwezig gehad alsmede twee pistolen. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen van aanzienlijke contante bedragen. De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij na het uitzitten van een gevangenisstraf van drie jaren voor soortgelijke misdrijven direct verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740204-09 (dossier Witkiel)

Uitspraakdatum: 16 maart 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 11 februari 2010 en 2 maart 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Heerhugowaard Alkmaar, locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 16 maart 2009 te Wormerveer en/of te Assendelft en/of te Krommenie en/of te Wormer en/of te Oost-Graftdijk en/of te Zuidschermer en/of te Waalwijk en/of te Purmerend en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar het Verenigd Koninkrijk) heeft gebracht en/of

- meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

- meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig heeft gehad

(een) (grote) hoeveelhe(i)d(en), in elk geval een hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram, hennep en/of hasjiesj

zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 2:

hij op of omstreeks 16 maart 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Feit 3:

hij op of omstreeks 17 maart 2009 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten

- een pistool (Walther) en/of

- een (omgebouwd gas) pistool (Tanfoglio) en/of

en/of (bijbehorende) munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;

Feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2009 tot en met 17 maart 2009 te Amsterdam, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van 50.000,-- euro (in de frituurpan), en/of

- een geldbedrag van 29.500,-- euro (in een jasje), en/of

- een geldbedrag van 2.005,-- euro (in de fouillering)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enige misdrijf/misdrijven;

Feit 5:

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 16 maart 2009 te Wormerveer en/of te Assendelft en/of te Krommenie en/of te Wormer en/of te Oost-Graftdijk en/of te Zuidschermer en/of te Waalwijk en/of te Purmerend en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk

heeft deelgenomen aan een organisatie,welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar het Verenigd Koninkrijk) brengen van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj en/of

- het meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aanwezig hebben van (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj en/of

- het meermalen, althans eenmaal, witwassen van (een) (door een of meer van bovengenoemde misdrijven verkregen) geldbedrag(en).

2. Voorvragen

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 5 betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover dit feit ziet op deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van feiten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet (OW). Het laatste is strafbaar gesteld in artikel 11a, eerste lid, van de OW. Nu artikel 11a OW een specialis vormt ten opzichte van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is dit ten onrechte hier niet ten laste gelegd en dient de officier van justitie in haar vervolging wegens overtreding van artikel 140 Sr niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

Ten aanzien van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer oordeelt de rechtbank dat de stelling dat een keuze van de officier van justitie voor het ten laste leggen van een generalis, daar waar (tevens) een specialis van toepassing is, tot niet-ontvankelijkheid moet leiden, geen steun vindt in het recht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

4. Oordeel van de rechtbank

4.1. Partiële vrijspraak

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 5 ten laste gelegde voor zover dit betreft het oogmerk op het plegen van witwassen.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat witwassen niet tot het oogmerk van de organisatie kan worden gerekend. Weliswaar werden grote contante geldbedragen vanuit Engeland naar Nederland vervoerd, maar dit vervoer, dat op zichzelf als witwassen is aan te merken, moet als direct uitvloeisel worden gezien van de verkoop en kan derhalve niet worden beschouwd als een op zichzelf staand doel (of ‘oogmerk’). Dit brengt mee dat verdachte van het onderdeel ‘witwassen’ in het onder 5 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

4.2. Bewijsverweren

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte - zakelijk weergegeven - betoogd dat de opnames van vertrouwelijke communicatie van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De machtiging voor het bevel ex artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering (Sv) had niet mogen worden verleend. Gelet op de tot dan toe bekende feiten had met een lichter middel moeten worden volstaan. De verdenking jegens medeverdachte [medeverdachte 1] en enkele andere verdachten betrof de betrokkenheid bij het produceren van en de handel in synthetische drugs in en vanuit een boerderij in Zuidschermer. Uit de CIE-informatie die aanleiding had gegeven voor de verdenking, bleek dat het laboratorium niet langer in gebruik was. Bovendien is, kennelijk uitsluitend omdat de boerderij door de politie moeilijk ongemerkt benaderd en geobserveerd kon worden, de machtiging 126l Sv gevraagd en verleend voor het pand aan de [adres 1], ten aanzien waarvan op het moment van afgifte van de machtiging slechts een vermoeden van handel in softdrugs bestond. Tegen de met name in de CIE-informatie vermelde [betrokkene 1] is geen dwangmiddel ingezet. Hiermee is cruciale informatie aan de rechter-commissaris onthouden. Ook de machtiging verlenging van het bevel ex artikel 126l is ten onrechte verleend.

De bewijsmiddelen die als resultaat van het gebruikmaken van de aldus onrechtmatig verkregen opnamen vertrouwelijke communicatie zijn verkregen, dienen eveneens van het bewijs te worden uitgesloten, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De vraag die voorligt, is of de rechter-commissaris in redelijkheid kon overgaan tot afgifte van de machtiging *1 voor het bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in het pand [adres 1], alsmede voor het bevel tot verlenging hiervan *2. Blijkens de aanvraag *3 van het bevel ex artikel 126l Sv heeft de rechter-commissaris bij het verlenen van de machtiging haar beslissing kunnen stoelen op de informatie van de CIE, een tapgesprek waarin [medeverdachte 2] op paniekerige toon tegen [medeverdachte 1] zegt dat hij terug moet komen omdat het niet goed gaat, observaties in de periode vanaf september 2008 waaruit blijkt dat er frequent heen en weer werd gereden tussen de [adres 1] en de [adres 2] en het gegeven dat de [adres 2] als locatie niet geschikt was voor observatie. Daarbij merkt de rechtbank op dat de aanvraag reeds melding maakt van het vermoeden dat op de [adres 1] wordt gehandeld in hennepproducten. Op grond van deze informatie, waaruit kon worden opgemaakt dat de activiteiten in de boerderij nog niet waren beëindigd, dat er een verband kon worden gelegd tussen de activiteiten in de boerderij en die in de voor de opnamen vertrouwelijke communicatie beoogde locatie aan de [adres 1] en dat op deze laatste locatie vermoedelijk (tevens) sprake was van hennephandel, kon de rechter-commissaris in redelijkheid overgaan tot het verlenen van de machtiging. Ook in de aanvraag tot verlenging van het bevel is de verdenking dat [medeverdachte 1] zich bezighield met de handel in en fabricage van verdovende middelen van lijst I van de Opiumwet, als ook de verdenking dat hij zich op grote schaal bezighield met het bewerken en verhandelen van hennep, voldoende gemotiveerd en met bevindingen uit het onderzoek onderbouwd. Niet is gebleken dat de rechter-commissaris door het openbaar ministerie niet volledig zou zijn ingelicht. Het standpunt van de raadsvrouw dat de rechter-commissaris door de officier van justitie had moeten worden geïnformeerd omtrent de ten aanzien van [betrokkene 1] ingezette dwangmiddelen, of het ontbreken daarvan, wordt door de rechtbank niet gedeeld.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid kon overgaan tot afgifte van de machtiging voor het bevel, met inbegrip van de verlenging hiervan, tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie aan de [adres 1]. Het door middel van de OVC’s verkregen bewijs is dan ook op rechtmatige wijze verkregen.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid van de uitwerking van de OVC-gesprekken, zodat zij ook om die reden van het bewijs moeten worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om een woordelijke uitwerking van alle OVC’s die de rechtbank voornemens is voor de bewezenverklaring te gebruiken.

De rechtbank overweegt dat de raadsvrouw, die op haar verzoek door de officier van justitie in het bezit is gesteld van de gegevensdragers van alle OVC-gesprekken, niet nader heeft geconcretiseerd om welke OVC’s het zou gaan en op welke punten de weergave hiervan onjuistheden zou bevatten. Daarbij merkt de rechtbank op dat, gelet op de grote hoeveelheid opgenomen gesprekken, een selectie hiervan ten behoeve van het dossier onvermijdelijk was. Nu de raadsvrouw geen concrete onjuistheden heeft aangewezen, ziet de rechtbank onvoldoende reden om te twijfelen aan de juistheid van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van de OVC’s. Op grond van het bovenstaande wijst de rechtbank tevens het voorwaardelijk gedane verzoek van de verdediging tot letterlijke uitwerking van de OVC’s af.

Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat de politie ten onrechte partijen softdrugs heeft doorgelaten, terwijl in artikel 126ff Sv is bepaald dat de opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevoegdheid als genoemd in titel IVa t/m Vb van deze wet, verplicht is over te gaan tot inbeslagneming als hij weet heeft van de vindplaats van voor de gezondheid schadelijke stoffen.

Hieromtrent overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie deze bepaling niet in het leven is geroepen in het belang van de verdachte, zodat hij zich niet op de niet juiste naleving daarvan kan beroepen.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden*4

Inleidende opmerkingen

Aanleiding voor het onderzoek Witkiel vormde de als betrouwbaar aangemerkte CIE-informatie dat [medeverdachte 1] zich bezighield met handel in verdovende middelen. In het kader van het onderzoek zijn enkele bijzondere opsporingsmethoden ingezet.

Observaties

Door het observatieteam is waargenomen dat [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op doordeweekse dagen bijna dagelijks op de [adres 1] (in het dossier aangeduid als ‘de werkplaats’) aanwezig was en een groot aantal personen ‘ontving’. Vanaf het begin van de observaties is gezien dat grote tassen (bigshoppers), vuilniszakken en dozen (vol of leeg) in en uit auto’s werden geladen. Het observatieteam heeft daarnaast meermalen waargenomen dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aan de [adres 2] (in het dossier aangeduid als ‘de boerderij’) kwamen. De waarnemingen met betrekking tot de werkplaats aan de [adres 1] zijn niet alleen fysiek gedaan door leden van een observatieteam, maar ook door middel van een camera welke gericht was op de ingang van de [adres 1].

Tapgesprekken

Vanaf september 2008 heeft interceptie plaatsgevonden van telefoonverkeer, te weten van de tot dan toe bekende telefoonnummers in gebruik bij [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en verdachte.

OVC-gesprekken

Tevens is in de periode van 11 februari 2009 tot en met 16 maart 2009 vertrouwelijke communicatie in het perceel aan de [adres 1] opgenomen en afgeluisterd. Hierin werd door verschillende personen, met name door de eerder genoemde [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en verdachte, meer of minder openlijk gesproken over (de handel in) hennep.

De bevindingen in het onderzoek hebben geleid tot de verdenking dat vanuit de [adres 1] een organisatie werd gedreven die zich bezighield met grootschalige nationale en internationale hennephandel.

Op 16 en 17 maart 2009 hebben doorzoekingen plaatsgevonden.

Zowel in de werkplaats als op de boerderij is een groot aantal goederen aangetroffen die verband hielden met het verwerken, wegen en verpakken van hennep.

Verschillende verdachten werden aangehouden, onder wie – op 16 maart 2009 – verdachte.

Ten aanzien van feit 1 en 5:

De organisatie

Verdachte wordt, kort gezegd, deelneming aan een criminele organisatie verweten, die als oogmerk had de grootschalige (internationale) handel in hennep en/of hasj, alsmede het witwassen van de hieruit verkregen gelden.

Volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dient voor het aannemen van het bestaan van een criminele organisatie sprake te zijn van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste één ander persoon.*5

In deze zaak gaat het om een aantal verdachten die tezamen worden aangeduid als de ‘groep [medeverdachte 1]’. Deze groep heeft zich gedurende een periode van – ten minste – 1 september 2008 tot en met 16 maart 2009 beziggehouden met hennephandel. De groep beschikte over twee locaties: de [adres 1], ook wel ‘de werkplaats’ genoemd, en de [adres 2], ook wel ‘de boerderij’ genoemd. De groep kocht op grote schaal hennep in van verschillende toeleveranciers, die hun waren bij de ‘werkplaats’ afleverden. Voor zover de hennep ‘nat’ werd aangeleverd, werd deze eerst gedroogd in een droogruimte in de ‘boerderij’. Daar werd ook de hennep verpakt, geseald en klaargemaakt voor transport.*6

Vanaf februari 2009 werd voor Engelssprekende afnemers twee keer per week een grote hoeveelheid hennep naar Waalwijk gebracht, van waaruit de hennep verder werd vervoerd naar Engeland. Hiertoe werd een systeem opgezet van voorfinanciering. [medeverdachte 5], de stiefvader van [medeverdachte 1], werd ingezet om het geld van Engeland naar Nederland te brengen.*7

De leiding van de groep lag bij [medeverdachte 1], die door de overige leden – zij het schertsend – als ‘de directeur’ *8 werd aangeduid. [medeverdachte 1] bepaalde de prijs waarvoor de hennep werd ingekocht. Hij hield in een notitieboekje een boekhouding bij van de nog openstaande bedragen.

Naast [medeverdachte 1] had verdachte een belangrijke rol in de groep. Hij bracht de Engelssprekende klanten aan, aan wie in enkele weken in totaal vermoedelijk 425 kilo hennep is geleverd ten behoeve van de Engelse markt. *9 [medeverdachte 1] vertelde [verdachte] alles en betrok hem bij de beoordeling van de kwaliteit van de aangeleverde hennep.*10

Ook [medeverdachte 3] had een belangrijke plaats binnen de groep. Hij huurde de ruimte op de ‘boerderij’ waar de hennep werd gedroogd en geseald.*11 Hij was verantwoordelijk voor de samenstelling van de partijen hennep die werden doorverkocht.*12 Hij voerde samen met [medeverdachte 1] een ‘sollicitatiegesprek’ met [medeverdachte 6], die werd aangenomen om tweemaal per week naar Waalwijk te rijden.*13

De rol van [medeverdachte 7], die binnen de hiervoor genoemde periode in beeld was als toeleverancier van hennep en acquisiteur van nieuwe binnenlandse klanten (waaronder coffeeshops *14), nam in betekenis toe toen hij in maart 2009 voor de groep naar Spanje afreisde om een deal te sluiten waarin een grote hoeveelheid (tonnen *15) hasjiesj vanuit Marokko naar Nederland zou worden getransporteerd voor een beoogde doorverkoop naar Engeland*16.

De groep kende twee ‘werknemers’ die voor een vast bedrag per week diverse werkzaamheden uitvoerden: [medeverdachte 2] en (later) [medeverdachte 6].*17

Behalve over twee panden beschikte de groep over twee auto’s.*18 Ter beveiliging werden op 10 maart 2009 in opdracht van [medeverdachte 1] rond de ‘werkplaats’ camera’s geplaatst.*19 Uit een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] kan worden opgemaakt dat hierbij rekening werd gehouden met aandacht van justitie: “je moet er op letten dat je de tasjes niet ziet, anders wordt het bewijsmateriaal of je moet het ’s avonds allemaal wissen”.*20 Daarnaast zijn tijdens de doorzoekingen in ‘de werkplaats’ en diverse woningen van verdachten wapens aangetroffen.*21 Over één wapen, dat overigens niet is gevonden, wordt gesproken als zou dit van ‘de firma’ zijn.*22 Een groot deel van de leden van de groep bleek verschillende mobiele telefoons in gebruik te hebben en er werd besproken dat het niet verstandig was te lang hetzelfde nummer te gebruiken.*23 De groep was ook ongerust over plaatsing van een peilbaken onder een auto die ze gebruikte. Deze auto stond volgens [medeverdachte 1] altijd ergens binnen zodat “ze er niets onder konden douwen”.*24 In een auto die is aangetroffen bij de woning van [medeverdachte 1] is ook een zogenaamde ‘bugdetector’ aangetroffen.*25 Ten slotte is ook gebleken dat het huren van de loods aan de [adres 1] plaatsvond door [medeverdachte 1] op naam van een zekere [betrokkene 2], die daarvan niet op de hoogte was.*26

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat sprake is geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband dat de export van hennep en hasj naar Engeland, alsmede het verwerken, verkopen, afleveren en vervoeren van grote hoeveelheden hennep tot oogmerk had. Dit samenwerkingsverband is aldus aan te merken als een criminele organisatie.

De rol van verdachte

Tegenover de politie *27, en ook ter terechtzitting *28, heeft verdachte verklaard dat hij in april 2007 is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens witwassen, waarbij (zo begrijpt de rechtbank) de onder hem in beslag genomen € 220.000,- verbeurd zijn verklaard. De mensen van wie het geld was, eisten toen van verdachte dat hij het geld terug zou gaan betalen. De schuldeiser, een Engelssprekende man *29, stelde voor dat hij 450 kilo wiet zou leveren. Daarmee zou zijn schuld zijn afgelost. Hij zocht een manier om het terug te betalen en kwam zodoende in de wiethandel terecht. Uit zijn werk bij [naam bedrijf] wist hij dat [medeverdachte 1] in wiet deed. Hij heeft ook nog bij andere mensen ingekocht, en het is uiteindelijk gelukt om de 450 kilo te krijgen en af te leveren.

Uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte binnen de organisatie naast [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] een belangrijke plaats innam. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich niet alleen aan medeplegen van de hennephandel maar ook aan deelneming aan de criminele organisatie heeft schuldig gemaakt.

Ter terechtzitting heeft de verdediging aangevoerd dat er geen enkel direct bewijs is voor de export van hennep naar het buitenland. Niet alleen is er geen transport onderschept, maar er is evenmin zicht op de vermeende route of wijze van transport.

De rechtbank overweegt dat uit de in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal *30 vermelde OVC-gesprekken afdoende blijkt dat de hennep werd verkocht aan een afnemer in Engeland, dat de hennep in kleinere hoeveelheden naar Waalwijk werd gebracht en dat het geld dat de groep voor de hennep ontving door de stiefvader van [medeverdachte 1] contant uit Engeland mee terug werd genomen. Deze omstandigheden zijn voldoende om te komen tot het oordeel dat sprake is van export van hennep naar het buitenland. Dat er nimmer hennep is onderschept en dat de precieze route die de hennep heeft gevolgd niet is achterhaald, doet hieraan niet af.

Ten aanzien van feit 2:

Op 17 maart 2009 zijn de woning aan de [adres], de bijbehorende berging en de auto’s van verdachte en zijn echtgenote [medeverdachte 8] doorzocht. Hierbij werden enkele plastic tasjes met hennepproducten alsmede vier broodjes, twee zeepjes en een plak hasjiesj aangetroffen.*31

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat aangetroffen verdovende middelen van hem waren.*32

Ten aanzien van feit 3:

Bij voornoemde doorzoeking werden in de woning van verdachte twee vuistvuurwapens aangetroffen.*33 Een van de wapens bleek te zijn een pistool, merk Walther (kaliber .22 LR). Het tweede wapen is een omgebouwd gaspistool, merk Tanfoglio. Ook werden 15 scherpe randvuurpatronen kaliber .22 LR aangetroffen. Beide wapens zijn vuurwapens als bedoeld in categorie III van de Wet wapens en munitie. De bijbehorende munitie valt eveneens in categorie III van de Wet wapens en munitie.*34

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat deze wapens en munitie van hem waren.*35

Ten aanzien van feit 4:

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte *36, genoemd bij feit 2 en 3, werden eveneens enige geldbedragen aangetroffen. In een frituurpan in de keuken van de woning werd een bedrag van € 50.000,- aangetroffen in biljetten van € 500,-. In een jasje werd een bedrag van € 29.500,- aangetroffen, eveneens in biljetten van € 500,-.*37

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het geld pas sinds de dag van de doorzoeking in huis had. De € 50.000,- waren voor [medeverdachte 1] bedoeld. De € 29.500,- die in zijn jaszak zijn aangetroffen zou iemand komen ophalen, maar hij moest plotseling weg.*38

Gelet op deze verklaring van verdachte, in samenhang met de verklaring zoals hiervoor bij de bespreking van feit 1 en 5 aangehaald, staat voldoende vast dat verdachte wist dat de geldbedragen die in zijn woning zijn aangetroffen, afkomstig waren van enig misdrijf.

4.4. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1:

hij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 16 maart 2009 te Wormerveer, Zuidschermer, Waalwijk en elders in Nederland

tezamen en in vereniging met anderen,

- meermalen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en

- meermalen opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en vervoerd

grote hoeveelheden hennep,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 2:

hij omstreeks 16 maart 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en

- een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,

zijnde hasjiesj en hennep middellen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Feit 3:

hij op 17 maart 2009 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten

- een pistool, merk Walther en

- een omgebouwd gaspistool, merk Tanfoglio en

bijbehorende munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

Feit 4:

hij in de periode van 16 maart 2009 tot en met 17 maart 2009 te Amsterdam voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 50.000,- euro (in de frituurpan), en

- een geldbedrag van 29.500,- euro (in een jasje)

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 5:

hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 16 maart 2009 te Wormerveer, Zuidschermer, Waalwijk en elders in Nederland

heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:

- het meermalen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar het Verenigd Koninkrijk) brengen van grote hoeveelheden hennep en hasjiesj en

- het meermalen opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren en vervoeren van grote hoeveelheden hennep.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Feit 4:

witwassen, meermalen gepleegd;

Feit 5:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in 11, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die als oogmerk had de grootschalige (internationale) handel van hennep en hasj. Met deze activiteiten waren grote geldbedragen gemoeid. Verdachte heeft in deze organisatie een belangrijke positie ingenomen. Door zijn contacten met de afnemers in Engeland is de omvang van de handel van de groep aanzienlijk toegenomen.

Voorts heeft verdachte in zijn woning een hoeveelheid hennep en hasjiesj aanwezig gehad.

Dit zijn ernstige feiten, nu de uit hennep verkregen stof bij overmatig gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar daarnaast direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit is. Dat het gebruik van hennepproducten binnen bepaalde marges in Nederland feitelijk wordt gedoogd, doet aan de strafwaardigheid van het (niet gedoogde) bewerken, vervoeren, afleveren en verkopen van hennepplanten niet af. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat het bij het verwerken en de verkoop steeds ging om grote hoeveelheden hennep, te weten meer dan 500 gram.

Daarnaast heeft verdachte in zijn woning twee pistolen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan witwassen van aanzienlijke contante bedragen. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken, hetgeen een ernstige bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch bestel betekent.

De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij na het uitzitten van een gevangenisstraf van drie jaren voor soortgelijke misdrijven direct verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten. Verdachte geeft hiermee blijk het laakbare van zijn strafbaar handelen niet in te zien.

De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met kortere periodes dan in de tenlastelegging en – in het verlengde daarvan – de bewezenverklaring vermeld, namelijk bij feit 1 en 5 met een periode van 1 september 2008 tot en met 16 maart 2009.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: 47, 57 en 420bis;

Opiumwet: 3, 11 en 11a;

Wet wapens en munitie: 26 en 55.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. vermeld;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.A.F. Jansen, voorzitter,

mr. M.J.A. Plaisier en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. T. Alexander en mr. L. de Jong,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 maart 2010.

*1 Machtiging voor een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel ex art. 126l Sv d.d. 5 februari 2009 (map M1, pagina 2579).

*2 Machtiging verlenging bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel ex art. 126l Sv (map M1, pagina 2588).

*3 Aanvraag bevel ex art 126l WvSv [adres 1] d.d. 28 januari 2009 (map M1, pagina 2520 e.v.).

*4 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

*5 Zie o.a. HR 2 februari 2010, LJN BK5172.

*6 Proces-verbaal d.d. 22 juni 2009 (map ZD02A, pagina 4486 e.v.)

*7 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. henneptransporten naar ‘Engeland’ 17 november 2009 (map 1e aanvullend dossier, pagina 6646 e.v.).

*8 OVC 28, 5 maart 2009, 16.14 uur (map M2, pagina 2901) en OVC 36, 13 maart 2009, na 8.10 uur (map M2, pagina 3016).

*9 OVC 41, 16 maart 2009, 14.25 uur (map ZD 01, 4477).

*10 OVC 25, 3 maart 2009, 10.31 uur en 11.48 uur (map M2, pagina 2845 en 2847) en OVC 29, 6 maart 2009, 14.53 uur (map M2, pagina 2916).

*11 Proces-verbaal hennepdroog en verpakruimte [adres 2] (map 2A, pagina 4875-4879); proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] (map P, pagina 221 en 227); proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] (map P, pagina 365).

*12 OVC 34, 11 maart 2009, 16.37 uur (map M2, pagina 2997).

*13 OVC 10, 17 februari 2009, 12.03 uur (map ZD 02, 4705).

*14 Tapgesprek 20 februari, 13.46 uur (map M3, pagina 3228).

*15 OVC 28, 5 maart 2009, 8.24 uur (map M2, pagina 2889).

*16 OVC 32, 9 maart 2009, 16.33 uur (map ZD 01, pagina 4466) en OVC 36, 13 maart 2009, 10.14 uur (map M2, pagina 3017).

*17 OVC 29, 6 maart 2009, 14.46 en 14.53 uur (map M2, pagina 2916).

*18 OVC 32, 9 maart 2009, 11.15 uur (map M2, pagina 2939).

*19 OVC 32, 9 maart 2009, 11.15 uur (map M2, pagina 2939) en 10 maart 2009, 12.58 uur (map M2, pagina 2958).

*20 OVC 35, 12 maart 2009, 08.25 uur (map M2, pagina 3001).

*21 Proces-verbaal 17 maart 2009 (map I, pagina 6699-6700), proces-verbaal van bevindingen 17 maart 2009 (map I, pagina 6928, 6931 e.v.), proces-verbaal 17 maart 2009 (map I, pagina 6820 e.v.).

*22 OVC 34, 11 maart 2009, 11.01 uur (map M2, pagina 2986).

*23 OVC 10, 17 februari 2009, 14.45 uur (map ZD 02, pagina 4714).

*24 OVC 32, 9 maart 2009, 11.15 uur (map M2, pagina 2939).

*25 Proces-verbaal 16 juni 2009 (map ZD 01, pagina 4117-4118).

*26 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 9] van 24 maart 2009 (map P1, pagina 498 e.v.) en proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2] van 4 april 2009 (map P2, pagina 621 e.v.).

*27 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 2 april 2009 (map P, pagina 134).

*28 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 februari 2010.

*29 Proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 3 april 2009 (map P, pagina 160).

*30 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. henneptransporten naar ‘Engeland’ 17 november 2009 (map 1e aanvullend dossier, pagina 6646 e.v.).

*31 Proces-verbaal (map I, p. 6820-6821).

*32 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 februari 2010.

*33 Proces-verbaal (map I, p. 6820-6821).

*34 Proces-verbaal onderzoek wapens en munitie (map ZD 04, p. 5906 e.v.).

*35 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 februari 2010.

*36 Proces-verbaal d.d. 17 maart 2009 (Map I, p. 6820 e.v.).

*37 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2009 (Map I, p. 6829).

*38 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 11 februari 2010.