Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL6924

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
435255 - CV EXPL 09-8888
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert nakoming van een met de (voormalige) werkgever gesloten vaststellingsovereenkomst betreffende vergoeding voor overwerk. Werkgever betwist de vergoeding verschuldigd te zijn, omdat werknemer een onjuiste opgave van overuren zou hebben gedaan. Werkgever vordert (in reconventie) betaling van € 5.000,00 ter zake van accountantskosten die werkgever heeft gemaakt in verband met het laten opstellen van een pensioenpremieregeling.

De vordering in conventie wordt toegewezen, nu werkgever heeft verzuimd om voorafgaand aan de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst het aantal door werknemer opgegeven overuren te controleren. Werkgever heeft daarmee het risico aanvaard dat het aantal opgegeven uren (wellicht) niet juist was en kan daar achteraf niet op terugkomen.

De vordering in reconventie wordt afgewezen, nu voor het sluiten van de beëindigingsovereenkomst het werkgever al bekend was dat de accountant werkzaamheden moest verrichten. Het had op de weg van werkgever, indien hij meende dat werknemer hiervoor schadeplichtig was, dit aan werknemer kenbaar te maken. Gesteld noch gebleken is dat werkgever dat heeft gedaan. Het feit dat in de beëindigingovereenkomst niets is geregeld over eventuele extra kosten van de accountant, komt daarmee voor rekening en risico van werkgever, temeer nu partijen elkaar finale kwijting hebben verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 435255 / CV EXPL 09-8888

datum uitspraak: 10 februari 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[werknemer]

te [woonplaats]

eisende partij in conventie

gedaagde partij in reconventie

hierna te noemen [werknemer]

gemachtigde: mr. O.J. Boeder

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOODGIETERSBEDRIJF [XXX] BV

te IJmuiden, gemeente Velsen

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

hierna te noemen [werkgever]

gemachtigde: mr. W.L.J. van Winden

De procedure

[werknemer] heeft [werkgever] gedagvaard op 21 augustus 2009 en gevorderd (in conventie) conform de dagvaarding. [werkgever] heeft schriftelijk geantwoord en een tegenvordering (in reconventie) ingesteld. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 oktober 2009 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2010. [werknemer] heeft bij die gelegenheid een conclusie van antwoord in reconventie in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

a. [werknemer] is van 1 januari 2005 tot 1 september 2008 op basis van een arbeidsovereenkomst bij [werkgever] in dienst geweest. In de arbeidsovereenkomst staat dat de pensioenlasten voor rekening van [werknemer] zijn.

b. Op 19 augustus 2008 heeft de accountant van [werkgever] de tussen partijen gemaakte afspraken over de uitdiensttreding van [werknemer] bevestigd in een brief, die partijen hebben ondertekend. In de brief staat onder meer het volgende:

(…) Naast het salaris krijgt de heer [werknemer] materialen geleverd, conform een eerder opgegeven lijst met een inkoopwaarde van ca € 4.000, als vergoeding voor gemaakte overuren en als blijk van waardering voor bewezen diensten. (…)

Inzake de pensioenpremieclaim van MN Service zal de procedure gevolgd worden dat de heer [werknemer] met terugwerkende kracht als bestuurder zal worden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en na korte tijd weer zal worden uitgeschreven. Zodoende zullen in beginsel geen pensioenpremies afgedragen hoeven worden. (…) Mocht blijken dat alsnog premies verschuldigd zouden zijn, vallen partijen terug op de gemaakte afspraken in de partijen bekende arbeidsovereenkomst. (…)

c. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2008 beëindigd door middel van een vastststellingsovereenkomst. In artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst

(die verder zal worden aangeduid met ‘Beëindigingovereenkomst’) staat:

Werknemer zal (…) uiterlijk 8 september 2008 (…) alle bescheiden van o.a. de projecten Nova Haarlem en Maritiem IJmuiden en van alle andere projecten, van lopende offertes en opdrachten waarbij werknemer is betrokken aan werkgever overhandigen. Daarbij zal werknemer een schriftelijke toelichting bijvoegen van de stand van zaken en de afspraken die zijn gemaakt.

d. Partijen hebben gelijktijdig met de hiervoor genoemde Beëindigingovereenkomst een “Overeenkomst betreffende vergoeding voor overwerk” (die hierna zal worden aangeduid met ‘Overeenkomst Overwerk’) gesloten, waarin is bepaald:

1. De werknemer ontvangt werkmaterialen (…) ter waarde van ca. € 4.000 ter compensatie voor gemaakte overuren.

2. De werkmaterialen worden zo spoedig mogelijk door de werkgever aan de werknemer, doch uiterlijk op 1 oktober 2008 overhandigd.

(…)

2. Deze overeenkomst dient te worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. (…)

e. De werkmaterialen zijn opgesomd in een aan de Overeenkomst Overwerk gehechte lijst.

f. (De gemachtigde van) [werknemer] heeft [werkgever] op (o.m.) 17 oktober 2008, gesommeerd de werkmaterialen aan [werknemer] te overhandigen. [werkgever] heeft dat niet gedaan.

De vordering in conventie

[werknemer] vordert (samengevat) primair veroordeling van [werkgever] op straffe van verbeurte van een dwangsom tot levering van de roerende zaken, zoals omschreven in de Overeenkomst Overwerk en de daarbij behorende lijst (productie 2 bij dagvaarding), te vermeerderen met

€ 205,41 aan rente en € 714,00 aan buitengerechtelijke kosten.

Subsidiair vordert [werknemer] veroordeling van [werkgever] tot betaling van € 4.919,00 (hoofdsom:

€ 4.000,00, buitengerechtelijke incassokosten: € 714,00 en rente: € 205,41) te vermeerderen met verdere rente.

[werknemer] legt (samengevat) het volgende aan de vordering ten grondslag.

[werkgever] dient de Overeenkomst Overwerk na te komen. Door hiermee ondanks aanmaning in gebreke te blijven, was [werknemer] genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven. De daarmee gemoeide buitengerechtelijke kosten wenst hij op [werkgever] te verhalen. [werkgever] is tevens wettelijke rente verschuldigd.

Het verweer in conventie

[werkgever] betwist de vordering. Hij voert (samengevat) aan zich niet gehouden te achten

de werkmaterialen aan [werknemer] af te geven, omdat [werknemer] - naar [werkgever] later is gebleken - een onjuiste opgave heeft gedaan van zijn overuren en omdat [werknemer] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit (artikel 8 van) de Beëindigingovereenkomst.

De vordering in reconventie

[werkgever] vordert (samengevat) veroordeling van [werknemer] tot betaling van € 5.000,00.

[werkgever] stelt daartoe (samengevat) het volgende.

Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat [werknemer] zelf zou zorgdragen voor zijn pensioen. Later is gebleken dat deze afspraak in strijd was met de

CAO klein metaal, waardoor [werkgever] alsnog door het pensioenfonds werd aangeschreven voor de pensioenpremies. De accountant heeft uiteindelijk een constructie bedacht waardoor [werkgever] de pensioenpremies niet hoefde te voldoen. Dit extra werk van de accountant heeft [werkgever] veel geld gekost. Als [werknemer] [werkgever] bij aanvang van de arbeidsovereenkomst juist had geïnformeerd, had [werkgever] die kosten niet hoeven maken. [werknemer] vordert daarom de extra accountantskosten als schadevergoeding. [werkgever] begroot die extra kosten op € 5.000,00.

Het verweer in reconventie

[werknemer] betwist de vordering en voert daartoe (samengevat) het volgende aan.

Partijen zijn finale kwijting overeengekomen. Toen partijen de Beëindigingovereenkomst sloten waren de accountantskosten bekend. [werknemer] heeft altijd naar eer en geweten informatie verstrekt aan [werkgever] en de accountant. Het is [werknemer] dan ook niet bekend op welke onjuiste informatie [werkgever] doelt. [werknemer] is overigens nooit in gebreke gesteld.

De beoordeling van het geschil in conventie

1. [werknemer] vordert nakoming van de Overeenkomst Overwerk. Partijen hebben deze overeenkomst aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel

7:900 BW. In een vaststellingsovereenkomst stellen partijen gezamenlijk vast wat rechtens tussen hen geldt. Partijen zijn tegenover elkaar aan die vaststelling gebonden.

2. In de Overeenkomst Overwerk staat dat [werknemer] werkmaterialen ter waarde van circa

€ 4.000,00 van [werkgever] zal ontvangen ter compensatie voor gemaakte overuren.

[werkgever] komt de overeenkomst niet na, omdat hem, naar hij stelt, naderhand is gebleken dat [werknemer] meer overuren heeft opgevoerd dan gemaakt.

3. Dit verweer faalt. In de Overeenkomst Overwerk noch in de door partijen ondertekende brief van 19 augustus 2008 (zie feit b) staat om hoeveel overuren het exact ging. Indien [werkgever] dit wel van belang achtte had het op zijn weg gelegen de overuren van [werknemer] vóór het ondertekenen van de Overeenkomst Overwerk te controleren. [werkgever] heeft ter zitting verklaard, dat hij dat niet heeft gedaan omdat de kosten van de onderhandelingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst steeds verder opliepen en hij snel tot een regeling wilde komen. Hiermee heeft [werkgever] het risico dat de opgave van [werknemer] wellicht niet juist was (wat [werknemer] betwist) bewust aanvaard. [werkgever] kan daar achteraf niet op terugkomen.

Voor zover in het verweer van [werkgever] een beroep op dwaling moet worden gelezen, faalt dat beroep op dezelfde grond, waaraan overigens nog kan worden toegevoegd dat [werkgever] de Overeenkomst Overwerk niet heeft vernietigd.

4. Ook het verweer dat [werknemer] de Beëindigingovereenkomst niet is nagekomen treft geen doel, reeds omdat [werkgever] de beweerde tekortkoming(en) van [werknemer] – tegenover diens betwisting - niet (voldoende) heeft onderbouwd.

5. De kantonrechter zal de primair gevorderde levering van de werkmaterialen

op straffe van verbeurte van een dwangsom toewijzen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar, nu [werkgever] daartegen geen (zelfstandig) verweer heeft gevoerd.

6. Waar de verbintenis die moet worden nagekomen niet ziet op de betaling van een geldsom, zal de gevorderde rente worden afgewezen.

7. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat deze grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.

De beoordeling van het geschil in reconventie

8. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit de brief van 19 augustus 2008 (zie feit b) blijkt dat de kwestie van de pensioenpremieclaim al speelde voor het sluiten van de Beëindigingsovereenkomst.

Het was [werkgever] toen dus al bekend dat de accountant in verband daarmee werkzaamheden moest verrichten. Indien [werkgever] meende dat [werknemer] hiervoor schadeplichtig was, had het op zijn weg gelegen dit destijds aan [werknemer] kenbaar

te maken. Gesteld noch gebleken is dat [werkgever] dat heeft gedaan.

Dat in de Beëindigingovereenkomst niets is geregeld over eventuele extra kosten

van de accountant, komt daarmee voor rekening en risico van [werkgever], temeer nu partijen elkaar finale kwijting hebben verleend.

9. Overigens is ook niet gebleken dat [werkgever] [werknemer] in gebreke heeft gesteld. Ten slotte

kan nog worden opgemerkt, dat [werkgever] de vordering - tegenover de betwisting van [werkgever] - niet van een voldoende feitelijke onderbouwing heeft voorzien.

10. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] omdat deze grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

- veroordeelt [werkgever] tot levering van de roerende zaken aan [werknemer], zoals omschreven in productie 2 bij de dagvaarding, op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag dat [werkgever] na de betekening van dit vonnis in gebreke blijft met de levering, met een maximum van € 5.000,00;

- veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van € 714,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

- veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag worden begroot op € 92,98 voor het exploot van dagvaarding, € 208,00 aan vastrecht en € 400,00 voor salaris van de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [werkgever] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] tot en met vandaag worden begroot op € 200,00 voor salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.