Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5772

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-02-2010
Datum publicatie
26-02-2010
Zaaknummer
15/840002-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen voorbereidingshandelingen art. 46 Sr. Vrijspraak.

Nu krachtens geldende jurisprudentie bij de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen en het vervoermiddel niet mag worden geabstraheerd van het doel dat de verdachten daarmee voor ogen stond, kan niet worden gezegd dat verdachte en zijn medeverdachten die vrachtauto en die voorwerpen voorhanden hadden met het oogmerk een misdrijf te begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is immers op grond van het vorenstaande het misdadig doel van verdachte en zijn medeverdachten geweest het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, hetgeen het misdrijf van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht oplevert en waarvoor een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar kan worden opgelegd.

Daarenboven geldt dat zich in het strafdossier weliswaar aanwijzingen bevinden dat verdachte betrokken is (geweest) bij de voorbereiding van een strafbaar feit, maar dat deze onvoldoende zijn om ook overigens tot het wettig en overtuigend bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde feit te komen.

Aldus kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840002-09

Uitspraakdatum: 4 februari 2010

Tegenspraak ingevolge artikel 279 Sv.

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 januari 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 14 juni 2008 tot en met 14 november 2008 te Venlo en/of Tegelen en/of Oirschot en/of Venray en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk (onder meer) - een trekker van het merk MAN en een oplegger en/of - een en/of meerdere bivakmutsen en/of - een kentekenplaat met het kenteken BN-HJ-30 kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer) - (een) ander(en) ontmoet en/of - in de richting van Schiphol gereden en/of - bovengenoemde vrachtwagen voorzien van tape en /of een andere kentekenplaat en/of - telefonisch afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) en/of met elkaar gemaakt in de buurt van en/of in de omgeving van het bedrijf COPEX, gelegen aan de Toekanweg 2 te Schiphol en/of - (tweemaal) het terrein van het bedrijf COPEX aan de Toekanweg 2 te Schiphol opgereden

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Naar het oordeel van de officier van justitie kan de combinatie van het met een afgeplakte, en van valse kentekenplaten voorziene trekker en oplegger rijden naar en op het terrein van het bedrijf Copex op Schiphol, tezamen met de aangetroffen bivakmutsen in samenhang met het door de getuige [getuige] omschreven criminele doel, naar zijn uiterlijke verschijningsvorm slechts gericht zijn op het plegen van een strafbaar feit, zoals omschreven in artikel 312 of 317 van het Wetboek van Strafrecht, en heeft verdachte voor dit doel de vrachtwagen geregeld.

4. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – op gronden en argumenten als weergegeven in de door de raadsman ter terechtzitting voorgedragen en overgelegde pleitnotities – aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. Het verweer van de raadsman komt er kort en zakelijk weergegeven op neer dat de criminele intentie niet was het plegen van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaar of meer is gesteld en dat - voor zover dat wel het geval zou zijn - verdachte vrijgesproken moet worden omdat hij niet het oogmerk heeft gehad om überhaupt een strafbaar feit te plegen.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Verdachte is - kort gezegd - het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de periode van 14 juni 2008 tot en met 14 november 2008 van een geweldadige overval (diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen of afpersing) jegens werknemers van het bedrijf Copex op Schiphol ten laste gelegd.

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk (onder meer) voorwerpen en vervoermiddelen bestemd tot het begaan van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, verworven of voorhanden heeft gehad. Derhalve zal moeten worden bewezen dat de voorwerpen die verdachte en zijn medeverdachten bij zich hadden ‘bestemd zijn tot het begaan van een dergelijk misdrijf’. Krachtens geldende jurisprudentie is daarbij van belang dat de voorwerpen afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat verdachte voor ogen stond (HR 20 februari 2007, LJN AZ0213).

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte op 14 november 2008 een vrachtwagen (trekker) van merk MAN met een oplegger heeft gehuurd van een bedrijf te Oirschot en dat deze vrachtwagencombinatie aan het begin van de avond van 14 november 2008 door een (voormalige) werknemer van verdachte, medeverdachte [medeverdachte], is opgehaald. Medeverdachte [medeverdachte] is die avond uiteindelijk samen met anderen in deze vrachtwagencombinatie naar Schiphol gereden en omstreeks 23.00 uur met deze vrachtwagencombinatie tweemaal op het terrein van Copex op Schiphol geweest. Uit de printgegevens van de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] blijkt dat zijn telefoon op 14 november 2008 om 23.55.14 uur heeft gebeld met de telefoon van verdachte voor de duur van 17 seconden. Uit onderzoek is voorts gebleken dat deze, op het terrein van Copex gesignaleerde, vrachtwagencombinatie voorzien was van valse kentekenplaten (die diezelfde dag in Venray waren ontvreemd), dat de belettering op de vrachtwagen met tape was afgeplakt en dat bij dat onderzoek in de vrachtwagencombinatie meerdere bivakmutsen (die waarschijnlijk op 14 november 2008 in een winkel op ongeveer 2,5 kilometer van de woning van verdachte zijn aangeschaft) en een rol tape zijn aangetroffen.

Voormelde voorwerpen en voormeld vervoermiddel kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm onder de omstandigheden als hiervoor gesignaleerd of aangetroffen dienstig zijn voor een misdadig doel zoals aan verdachte ten laste gelegd. Uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt echter dat het in het onderhavige geval zou gaan om een in scène gezette overval op een loods van Copex, waarbij alle ten tijde van die in scène gezette overval in de loods aanwezige werknemers van het bedrijf op de hoogte zouden zijn geweest van wat zou gaan gebeuren. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is niet gebleken van opzet bij verdachte en zijn medeverdachten om daadwerkelijk een gewapende overval te plegen, dan wel om ook niet bij het plan betrokken medewerkers of anderszins aanwezigen van hun voornemen het slachtoffer te laten worden.

Nu krachtens geldende jurisprudentie bij de beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen en het vervoermiddel niet mag worden geabstraheerd van het doel dat de verdachten daarmee voor ogen stond, kan niet worden gezegd dat verdachte en zijn medeverdachten die vrachtauto en die voorwerpen voorhanden hadden met het oogmerk een misdrijf te begaan waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is immers op grond van het vorenstaande het misdadig doel van verdachte en zijn medeverdachten geweest het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, hetgeen het misdrijf van artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht oplevert en waarvoor een gevangenisstraf van ten hoogste 4 jaar kan worden opgelegd.

Daarenboven geldt dat zich in het strafdossier weliswaar aanwijzingen bevinden dat verdachte betrokken is (geweest) bij de voorbereiding van een strafbaar feit, maar dat deze onvoldoende zijn om ook overigens tot het wettig en overtuigend bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde feit te komen.

Aldus kan niet worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46 Sr.

Op grond van al het voorgaande zal verdachte dan ook van het hem ten laste gelegde moeten worden vrijgesproken.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mrs. T.A.M. Tijhuis en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010.