Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5591

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
AWB 09/1557
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing ex artikel 3.23 Wro ten behoeve van gebruik van een gebouwgedeelte als winkel voor het afhalen van maaltijden.Geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 1557

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2010 in de zaak tussen

in de zaak van:

Vereniging van eigenaars "De Triade",

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

gemachtigde: mr. A. Barada, rechtsbijstandverlener te Amsterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2009 heeft verweerder a[naam] ontheffing verleend van het bestemmingsplan “Delftwijk wijziging I” voor het gebruik van het gebouwgedeelte aan de [adres], als winkel voor het afhalen van maaltijden.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009, alwaar zijn verschenen [naam], bestuursvoorzitter van de Vereniging van eigenaars “De Triade” (hierna: de VVE) en [naam], lid van de VVE, bijgestaan door mr. H.A.M. Lamers, kantoorgenoot van mr. A. Barada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vries, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2 Uit de door verweerder overgelegde stukken, waaronder zienswijzen, noch uit het bestreden besluit blijkt dat de VVE zienswijzen heeft ingediend tegen het voorgenomen besluit van verweerder om ontheffing te verlenen. Ter zitting is van de zijde van de VVE echter benadrukt dat wel een zienswijze is ingediend bij verweerder en dat deze persoonlijk is afgegeven. Eiseres heeft ter onderbouwing hiervan na de zitting nog doen toekomen aan de rechtbank:

- een niet ondertekende kopie van de door de VVE ingediende zienswijze, gedateerd 5 januari 2009,

- een handgeschreven ontvangstbevestiging van de gemeente Haarlem gedateerd 7 januari 2009 waarin wordt aangegeven dat een brief is afgegeven door de heer [naam] met als onderwerp Commissie bezwaar en beroep, en

- een brief van verweerder van 21 januari 2009 gericht aan de VVE waarin de ontvangst wordt bevestigd van de brief van de VVE van 5 januari 2009 betreffende “[adres]: zienswijze conceptbesluit aanvraag gebruiksvrijstelling”. De brief is door verweerder in behandeling genomen onder registratienummer 2009/5627.

2.3 De rechtbank acht hiermee op afdoende wijze aangetoond dat de VVE zienswijzen heeft ingediend tegen het voorgenomen besluit en acht de VVE ontvankelijk in haar beroep.

2.4 In de aanvraag van 1 september 2008 heeft [naam] aangegeven een gehuurd pand aan de [adres] te willen inrichten als winkel voor het verkopen van afhaalmaaltijden, dan wel als cateringbedrijf.

2.5 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Delftwijk wijziging I”. De grond waarop de bestreden activiteit ziet heeft daarin de bestemming “Bijzondere gebouwen C, eventueel met bijbehorend terrein”.

Ingevolge artikel 13 van de planvoorschriften zijn op de betreffende gronden enkel openbare of bijzondere doeleinden toegestaan, zoals een wijkgebouw, bibliotheek en dergelijke.

2.6 Niet in geschil is dat de activiteit in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Verweerder heeft echter aanleiding gezien ontheffing ingevolge artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) te verlenen teneinde deze activiteit mogelijk te maken. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Delftwijk-Waterbuurt” voor dat betreffende gebied, waarin aan de betreffende gronden een bredere bestemming zal worden gegeven, namelijk “Gemengde doeleinden B” waarbinnen winkels zijn toegestaan. In het nieuwe bestemmingsplan is het beleid opgenomen om in gebieden als het onderhavige, die worden geherstructureerd, te streven naar functiemenging tussen wonen en werken.

2.7 Artikel 3.23 van de Wro luidt als volgt.

1. Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

2.Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld die in acht genomen moeten worden alvorens ontheffing mag worden verleend. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling alsmede omtrent de overdraagbaarheid van de ontheffing.

2.8 Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, Wro in aanmerking, het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m², en

3e. het aantal woningen gelijk blijft.

2.9 Eiseres voert aan dat reeds omdat de ontheffing is verleend voor een ander adres dan waarvoor deze is aangevraagd, deze niet in stand kan blijven.

2.10 De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog nu verweerder op basis van nadere informatie van de aanvrager de juiste adresgegevens heeft gehanteerd. Niet is gebleken dat dit van invloed is geweest op de totstandkoming of de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, mede nu verweerder in zowel de gerectificeerde publicatie van het voorgenomen besluit op 11 december 2008, als in de publicatie van het definitieve besluit van 19 december 2009, de juiste adresgegevens heeft vermeld.

2.11 Eiseres voert vervolgens aan dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van artikel 3.23 Wro nu er in het onderhavige geval niet gesproken kan worden van een kleine gebruikswijziging ofwel kruimelgeval. Niet is gebleken dat de onderhavige wijziging van het gebruik valt onder de bij algemene maatregel van bestuur opgesomde gevallen, aldus eiseres.

2.12 De categorieën gevallen waarin ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, van de Wro kan worden verleend zijn, limitatief, opgesomd in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Bro. Het verlenen van een ontheffing voor een wijziging van het gebruik is als categorie opgenomen in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige gebruikswijziging plaatsvindt binnen de bebouwde kom, de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-oppervlakte van niet meer dan 1500m² en het aantal woningen gelijk blijft. Verweerder was dan ook bevoegd ontheffing te verlenen als bedoel in artikel 3.23 Wro.

2.13 Eiseres betoogt voorts aan dat verweerder ten onrechte niet heeft geweigerd om van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Zij voert daartoe aan dat verweerder zich bij de verlening van de ontheffing niet mocht baseren op de nieuwe bestemming van de gronden, omdat eiseres juist deze bredere bestemming heeft aangevochten. Bovendien heeft verweerder nagelaten de ruimtelijke effecten voor de omgeving, de verkeer- en parkeerdrukte, geluids- en stankoverlast, overlast van rondhangende jeugd en klanten en (brand)veiligheid te onderzoeken en te betrekken bij de besluitvorming. Nu bovendien zal worden gekookt ten behoeve van de bereiding van de maaltijden, kan volgens eiseres niet gesproken worden van een winkel of detailhandel, maar dient verweerder deze activiteit aan te merken als horeca, hetgeen niet onder het oude en ook niet onder het nieuwe bestemmingsplan past.

2.14 Aangevraagd is een ontheffing voor bedrijfsactiviteiten bestaande uit een winkel en het bereiden van maaltijden (catering). Verweerder heeft ontheffing verleend voor een winkel voor het afhalen van maaltijden. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, gelet op hetgeen is aangevraagd, er op goede gronden van uitgegaan dat het bereiden van maaltijden aangemerkt moet worden als bedrijfsactiviteit welke ondergeschikt is aan het verkopen van maaltijden en voorts dat geen maaltijden worden verstrekt voor gebruik ter plaatse. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat niet gesproken kan worden van horeca-activiteiten.

2.15 Verweerder heeft voorts bij de besluitvorming een in 2005 uitgevoerd onderzoek naar de parkeerdruk betrokken. Eiseres heeft niet nader onderbouwd waarom verweerder hier niet van uit kon gaan. Aan de voorts door eiseres niet nader onderbouwde stelling dat de gebruikswijziging geluidsoverlast, stankoverlast, overlast van rondhagende jongeren, klanten die voor de deur eten en een (brand)onveilige situatie tot gevolg zal hebben, heeft verweerder niet een zwaarder gewicht hoeven toekennen dan het belang van vergunninghoudster bij realisering van een eigen bedrijf. De gronden van eiseres treffen geen doel.

2.16 Eiseres heeft tot slot betoogd dat civielrechtelijke bezwaren eraan in de weg staan dat de betreffende ruimte wordt gebruikt voor het koken en de verkoop van afhaalmaaltijden. Zij verwijst daartoe naar artikel 13, tweede lid, van de splitsingsakte waarin is bepaald dat het aan de buitenzijde aanbrengen van naamborden, reclameaanduidingen en uithangborden slechts mag geschieden met toestemming van de vergadering. In artikel 17, vijfde lid, van de splitsingsakte is voorts bepaald dat de contact-geluidsisolatie-index van de kale vloer inclusief de aangebrachte vloerbedekking van ieder privé gedeelte aan de waarde van Ico=+10 Db (NEN 5077) dient te voldoen. Bovendien blijkt uit een e-mail van 9 november 2009 dat de eigenaar van het betreffende pand onbekend is met de vestiging van een cateringbedrijf aldaar of het voornemen daartoe. Hij geeft voorts aan hier bovendien geen voorstander van te zijn.

2.17 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 6 december 2007 in zaak nrs. 200604465/1 en 200604465/2 (LJN nummer AZ4260), is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van ontheffing in de weg staat slechts aanleiding wanneer zo'n belemmering een evident karakter heeft, nu de burgerlijke rechter de eerst aangewezene is om de vraag te beantwoorden of zo'n belemmering zich voordoet. De door eiseres gestelde belemmering welke is gelegen in eerdergenoemde bepalingen uit splitsingsakte heeft niet een zo evident karakter dat ze aan de verlening van ontheffing in de weg staat. Voornoemde bepalingen maken de vestiging ter plaatse van een afhaalwinkel namelijk niet feitelijk onmogelijk. In de uitlatingen van de eigenaar ziet de rechtbank evenmin een evidente belemmering. Deze grond treft derhalve geen doel.

2.18 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid kunnen besluiten ontheffing van het bestemmingsplan te verlenen.

2.19 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. I.M. Ludwig en mr. drs. L. Beijen, rechters, en op 8 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.