Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5534

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-02-2010
Datum publicatie
25-02-2010
Zaaknummer
AWB 09-4384
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoeker heeft verweerder gevraagd zijn plaatsingstermijn van zes jaar te verlengen tot acht jaar. Dit verzoek is afgewezen. Verzoeker beroept zich onder meer op het gelijkheidsbeginsel. Een directe collega van hem is per 1 juli 2008 in dezelfde functie geplaatst als verzoeker voor de duur van acht jaar. Is er sprake van nieuw, voor verzoeker gunstiger, beleid ?

Hierover zal verweerder zich in de beslissing op bezwaar moeten uitlaten. Er is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, maar wel voor een proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 4384 AW

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2010

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. van Overdam, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond,

tegen:

de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland,

verweerder.

1. Procesverloop

In januari 2009 heeft verzoeker verweerder verzocht zijn plaatsingstermijn van zes jaar in de functie van rechercheur B regionale inlichtingen te verlengen tot acht jaar.

Bij brief van 19 juni 2009 heeft verweerder verzoeker onder meer medegedeeld dat hij hem per 30 september 2009 zal overplaatsen in een andere passende functie.

Bij brief van 22 juli 2009 heeft verzoeker bezwaar gemaakt wegens het niet tijdig beslissen door verweerder op het verzoek van januari 2009.

Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft verweerder de brief van 19 juni 2009 gewijzigd door hieraan een nadere motivering ten grondslag te leggen.

Op grond van artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het bezwaar van 22 juli 2009 geacht worden te zijn gericht tegen het besluit van 17 augustus 2009.

Bij brief van 8 september 2009 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 19 oktober 2009, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Overdam, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L. Seinen, werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland. Ook was ter zitting aanwezig B. van Slageren, eveneens werkzaam bij de politieregio Zaanstreek-Waterland.

Ter zitting heeft verzoeker expliciet verklaard bezwaar te maken tegen het besluit van 21 september 2009 en zijn verzoek om voorlopige voorziening aangevuld in die zin, dat dit ook ziet op schorsing van dit laatste besluit.

De voorzieningenrechter heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar het beroep van verzoeker op het gelijkheidsbeginsel.

Bij brief van 24 november 2009 heeft verweerder zijn standpunt nader uiteengezet. Hierop heeft verzoeker gereageerd bij een op 2 december 2009 gedateerde brief met bijlagen.

Op deze brief van verzoeker heeft verweerder gereageerd bij brief van 8 januari 2010. Op zijn beurt heeft verzoeker hierop gereageerd bij brief van 15 januari 2010.

Bij brieven van respectievelijk 16 februari 2010 en 18 februari 2010 hebben verzoeker en verweerder verklaard ermee akkoord te gaan dat de voorzieningenrechter uitspraak doet zonder dat een nadere zitting wordt gehouden. De datum van deze uitspraak is bepaald op heden.

2. Overwegingen

2.1 Bij besluit van 4 juni 2003 heeft verweerder verzoeker, gelet op diens sollicitatie, per 1 oktober 2003 geplaatst in de functie van rechercheur regionale inlichtingen (RI). In dit besluit heeft verweerder opgenomen dat deze functie maximaal zes jaar kan worden uitgeoefend, omdat het een risicofunctie betreft. Op 2 juni 2008 heeft verzoekers toenmalig leidinggevende aan verweerder voorgesteld de roulatietermijn voor onder anderen verzoeker te wijzigen van maximaal zes jaar in maximaal acht jaar. In januari 2009 heeft verzoeker bij verweerder het verzoek ingediend om zijn functie gedurende maximaal acht jaar te mogen uitoefenen. Verweerder heeft hierop gereageerd bij brief van 9 juni 2009. Hierin heeft verweerder aangekondigd dat hij verzoeker per 30 september 2009 zal plaatsen in een andere passende functie. Verzoeker heeft op 22 juni 2009 expliciet gevraagd om een formeel besluit op zijn verzoek. Op 22 juli 2009 heeft hij bezwaar gemaakt wegens niet tijdig beslissen. Hierna heeft verweerder het besluit van 17 augustus 2009 genomen.

2.2 Op 28 augustus 2009 heeft verweerder verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt hem per 1 oktober 2009 te plaatsen in de (schaal 8-)functie van rechercheur B bij de Centrale Recherche. Bij besluit van 21 september 2009 heeft verweerder dit voornemen ten uitvoer gebracht.

2.3 Verzoeker kan zich niet verenigen met de besluiten van respectievelijk 17 augustus 2009 en 21 september 2009. Hij is allereerst van mening dat zijn plaatsing per 1 oktober 2003 is geschied op grond van het destijds nog geldende artikel 65a van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Dit, omdat verweerder zich in zijn besluiten beroept op het roulatiebeleid. Verzoeker wijst voorts op de Beleidslijn interregionale en interne mobiliteit. Uit de uitvoeringsregeling blijkt dat mobiliteit geen doel op zichzelf is. Er moet een noodzaak voor zijn en de verplaatsing moet passen in de loopbaan van de betrokken medewerker. Dit is in verzoekers geval niet aan de orde. Bovendien wijst verzoeker erop dat verweerder bij twee andere medewerkers van het korps die ook schaal 8 hebben, de termijn van zes jaar heeft verlengd tot acht jaar. Verzoeker wijst erop dat, op grond van een beleidsbeslissing van verweerder, de plaatsingstermijn op de afdeling Criminele inlichtingen (CI) maximaal acht jaar is. Ook wijst verzoeker erop dat twee van de collega’s op zijn eigen afdeling, [naam collega 1] en [naam collega 2], een plaatsingstermijn hebben van acht jaar. Volgens verzoeker is het onaannemelijk dat binnen de afdelingen CI en RI anders wordt omgegaan met plaatsingstermijnen, omdat beide afdelingen vallen onder de Unit recherche-informatie.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers plaatsing per 1 oktober 2009 is gebaseerd op artikel 65 Barp. Verzoeker is destijds op eigen verzoek tijdelijk geplaatst in de functie rechercheur regionale inlichtingen voor de duur van zes jaar. Hiertegen heeft verzoeker geen bezwaar ingediend. Voorts stelt verweerder dat de gevallen van de andere twee medewerkers op wie verzoeker doelt niet gelijk zijn aan het geval van verzoeker. Het betreft immers brigadiers, werkzaam voor de afdeling regionale recherche. Verzoeker werkt op een geheel andere afdeling. Verweerder erkent dat verzoekers collega [naam collega 1] een plaatsingstermijn heeft van acht jaar, maar dat was vanaf 1 juli 2008, dus vanaf een moment waarop verzoekers plaatsingstermijn bijna was verstreken. Verweerder stelt dat er nooit een apart roulatiebeleid is vastgesteld voor verzoekers afdeling regionale inlichtingen (RI). De functie van [naam collega 2], coördinator regionale inlichtingen, is niet vergelijkbaar met die van verzoeker. Verder is de plaatsingstermijn van de andere collega’s van verzoeker niet verlengd van zes naar acht jaar. Verweerder heeft verzoeker geplaatst in een passende functie naar analogie van artikel 55o Barp.

2.5 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.7 Artikel 65 van het Barp luidt als volgt:

Op aanvraag van de ambtenaar kan hem een andere functie worden opgedragen, al dan niet op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aangewezen werkgebied, of kan hem op aanvraag worden opgedragen zijn functie op een andere dan de aangewezen plaats van tewerkstelling dan wel een ander dan het aangewezen werkgebied uit te oefenen.

2.8 Niet in geschil is en ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is, dat het besluit van verweerder om verzoeker per 1 oktober 2003 te plaatsen in de functie van rechercheur regionale inlichtingen, gebaseerd was op artikel 65 Barp. Ingevolge dit artikel geschiedt een dergelijke plaatsing immers op aanvraag van de ambtenaar. Onbestreden is dat verzoeker op deze functie heeft gesolliciteerd.

2.9 Verweerder baseert zijn standpunt grotendeels op de stelling dat op de functie die verzoeker tot 1 oktober 2009 uitoefende, het roulatiebeleid van het korps Zaanstreek-Waterland van toepassing is. In het aanstellingsbesluit van 4 juni 2003 staat dat sprake is van een risicofunctie. Verzoeker is echter van mening dat geen sprake is van een risicofunctie in de zin van de hiervoor geldende wettelijke bepalingen.

2.10 In het ‘Roulatiebeleid Korps Zaanstreek-Waterland’ staat onder meer dat de functies bij het korps zijn verdeeld in drie verschillende categorieën: functies met tijdelijke verblijfsduur (3 tot 6 jaar), roulatieplaatsen (1 tot 2 jaar) en vaste functies. De functie van verzoeker valt onder de eerstgenoemde categorie. Over deze categorie is in het roulatiebeleid onder meer het volgende opgenomen:

‘Functies met tijdelijke verblijfsduur (3 tot 6 jaar)

n.b. niet bedoeld worden risicofuncties

Functies met een tijdelijke verblijfsduur kunnen een redelijk substantiële opleidings- en inwerkinspanning met zich mee brengen. De exacte verblijfsduur wordt mede afhankelijk gesteld van de opleidings- en inwerktijd en kosten.

(……….)

Na afloop van de periode keert men terug naar de oorspronkelijke of andere passende functie. ’

2.11 Zoals uit het voorgaande blijkt, geldt dit beleid niet voor risicofuncties. Ter zitting heeft verweerder onder meer aangegeven dat de functie van verzoeker wel als een risicofunctie moet worden aangemerkt, ondanks dat deze niet als zodanig in de wettelijke bepalingen wordt genoemd. Nu verzoeker zelf ter zitting expliciet heeft aangegeven dat zijn functie geen risicofunctie betreft, gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de functie geen risicofunctie is. Dit houdt, gelet op het voorgaande in, dat voormeld beleid in beginsel van toepassing is op verzoekers functie.

2.12 Verzoeker heeft in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel voorts gewezen op een aantal andere functionarissen, werkzaam bij de afdeling CI, bij wie de plaatsingstermijn acht jaar bedraagt. De voorzieningenrechter is in dit verband voorshands van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gaat om functionarissen die werkzaam zijn op een andere afdeling (CI) dan die van verzoeker (RI). De omstandigheid dat deze beide afdelingen vallen binnen de Unit Recherche-Informatie, behoeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf nog niet in te houden dat niet uniform wordt omgesprongen met plaatsingstermijnen. Deze houden immers nauw verband met de aard van de desbetreffende functies. Vaststaat dat de functies bij de afdeling CI risicofuncties zijn.

2.13 Voorts kan verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen voor zover dit ziet op de functie coördinator regionale inlichtingen. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het hier inhoudelijk om een geheel andere functie gaat dan die van verzoeker.

2.14 Verweerder heeft voorts erkend dat verzoekers collega [naam collega 1], die dezelfde functie vervult als verzoeker, wel in deze functie is geplaatst voor de duur van acht jaar. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat de plaatsing van [naam collega 1] is ingegaan op 1 juli 2008. In zijn brief van 8 januari 2010 merkt verweerder hierover voorts het volgende op:

‘Dat er sprake is van een beleidswijziging bij de RIE, dat zou duiden op een wijziging van de plaatsingstermijnen in de betreffende functie bij de RIE van 6 naar 8 jaar, kan eiser niet onderbouwen met een beleidsstuk. (………..) De enige aanwijzing daarvoor is de feitelijke plaatsing van de heer [naam collega 1] voor 8 jaar in dezelfde functie als eiser; vanaf 1 juli 2008, de datum waarop de heer [naam collega 1] is geplaatst op deze functie, is in ieder geval duidelijk dat vanaf dat moment 8 jaar is gehanteerd bij de betreffende functie.’

2.15 De voorzieningenrechter kent in deze procedure betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden zoals deze uit de stukken en het verhandelde ter zitting zijn gebleken:

- De functies bij de afdeling CI zijn risicofuncties.

- Verweerder beschouwt ook verzoekers functie als risicofunctie.

- Plaatsing in een functie bij de afdeling CI is mogelijk voor de duur van vier jaar, met een mogelijkheid van verlenging met twee keer twee jaar, tot maximaal acht jaar.

- In juni 2008 heeft verzoekers voormalig leidinggevende [naam] verweerder voorgesteld de roulatietermijn voor onder anderen verzoeker te stellen op acht jaar. - Met ingang van 1 juli 2008 heeft verweerder de heer [naam collega 1] voor de duur van acht jaar geplaatst in dezelfde functie als die van verzoeker, kennelijk op basis van nieuw beleid.

- In januari 2009 heeft verzoeker verweerder gevraagd zijn plaatsingstermijn te verlengen tot acht jaar. Hij heeft tot juni 2009 op een antwoord van verweerder moeten wachten.

- Uiteindelijk heeft verweerder het verzoek van verzoeker afgewezen onder het motto: afspraak is afspraak, zes jaar is zes jaar.

2.16 Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zal verweerder bij deze stand van zaken in de bezwaarfase nader moeten motiveren op grond waarvan de plaatsing van [naam collega 1] is geschied. In dit verband is van belang de vraag of er vanaf 1 juli 2008 op verzoekers afdeling (RI) sprake is van een nieuw (voor verzoeker gunstiger) plaatsingsbeleid en zo ja, op grond waarvan dit nieuwe beleid niet voor verzoeker zou kunnen gelden. Zo lang niet duidelijk is op grond waarvan de plaatsing van [naam collega 1] heeft plaatsgevonden, bestaat geen aanleiding op grond hiervan een voorlopige voorziening te treffen. Het is vooralsnog immers niet zonder meer te verwachten dat verzoekers bezwaar gegrond zal worden verklaard. De voorzieningenrechter zal het desbetreffende verzoek dan ook afwijzen.

2.17 Gelet op het voorgaande bestaat wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de voorzieningenrechter aan verzoeker twee punten toe (een punt voor het verzoekschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting). Elk toegekend punt komt overeen met een bedrag van € 322,--. De zwaarte van de zaak is gemiddeld.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.2 veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Zaanstreek-Waterland in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, te betalen aan verzoeker;

3.3 gelast dat de politieregio Zaanstreek-Waterland het door verzoeker betaalde griffierecht van € 150,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en op 18 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.