Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5231

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
AWB 09-5904
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet: Wet dwangsom en beroep niet-tijdig beslissen.

Feestdagen in decembermaand geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55,d, eerste lid Awb, welke noopt tot het stellen van een langere termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09-5904

Uitspraak ingevolge artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de enkelvoudige kamer voor verzetzaken van 8 februari 2010.

op het verzet van:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

opposant,

tegen de met toepassing van artikel 8:54 van de Awb gedane uitspraak van de rechtbank van 17 december 2009 op het beroep van [naam geopposeerde] (hierna: eiser) tegen het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Geopposeerde heeft bij brief van 27 november 2009 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 25 augustus 2009.

Bij uitspraak van 17 december 2009 heeft deze rechtbank het beroep van eiser met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en opposant opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen op het bezwaar, waarbij is bepaald dat opposant aan eiser een dwangsom van € 100,-- verbeurt voor elke dag waarmee opposant deze termijn overschrijdt. Hierbij is overwogen dat de voor opposant geldende beslistermijn is overschreden.

Opposant heeft bij brief van 23 december 2009 verzet gedaan.

Opposant is in de gelegenheid gesteld over het verzet te worden gehoord ter zitting van 2 februari 2010. Namens opposant was aanwezig R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem. Voorts was aanwezig mr. J.H. Kruseman, gemachtigde van [naam geopposeerde].

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Awb, kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. zij kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

In artikel 8:55, eerste lid, van de Awb – voor zover hier van belang – kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de rechtbank tegen de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, van de Awb.

Blijkens de toelichting op artikel 8:55 Awb heeft de verzetsmogelijkheid alleen betrekking op de vraag of de rechtbank terecht tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Verzet levert dus geen behandeling ten gronde van de hoofdzaak op. Het gaat thans derhalve alleen om een beoordeling van de kennelijkheid van de door de rechtbank uitgesproken gegrondheid.

In verzet betoogt opposant dat de termijn van twee weken te kort moet worden geacht om een beslissing op het bezwaar te nemen. Gelet op het feit dat de termijn van twee weken in de tweede helft van de decembermaand valt met daarin de kerstdagen en de jaarwisseling, alsmede gelet op het feit dat er sprake is van een nadrukkelijk verzoek om een hoorzitting, kan opposant binnen de gestelde termijn geen beslissing op het bezwaar nemen.

Opposant heeft bij brief van 22 januari 2010 aangegeven dat bij besluit van 6 januari 2010 een beslissing op het bezwaar van eiser is genomen en dat een bedrag van € 500,-- aan verbeurde dwangsommen is overgemaakt aan eiser.

In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, zoals dat geldt na inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep niet tijdig beslissen op 1 oktober 2009, is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het derde lid kan de rechtbank in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

Na ontvangst van het beroepschrift is opposant bij brief van 2 december 2009 gevraagd of het juist is dat de termijn waarbinnen in de onderhavige procedure een besluit dient te worden genomen is overschreden. Voorts is gevraagd of er inmiddels al een besluit is genomen en als dit niet het geval is op welke termijn een besluit te verwachten valt. Voorts is opposant verzocht aan te geven wat aan een eerdere afdoening in de weg stond. Daarbij is opposant erop gewezen dat een beroep tegen het uitblijven van een besluit kan leiden tot een uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep gegrond wordt verklaard en waarbij gelast wordt binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom.

Bij brief van 7 december 2009 heeft opposant aangegeven dat inderdaad sprake is van een termijnoverschrijding en dat de beslissing op het bezwaarschrift te verwachten valt in december 2009 / januari 2010. Opposant heeft daarbij opgemerkt dat de afhandelingstermijn nadelig is beïnvloed door het grote aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften in verhouding tot de ongewijzigde personele bezetting. Voorts is opgemerkt dat op 6 oktober 2009 nadere gronden van bezwaar zijn ingediend.

De rechtbank stelt vast dat en dat niet is weersproken dat de beslistermijn is overschreden. Het beroep is gelet hierop terecht gegrond verklaard. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb dient de rechtbank bij een gegrond beroep aan opposant een termijn van twee weken te stellen voor het alsnog nemen van een beslissing, tenzij sprake is van bijzondere gevallen.

De rechtbank begrijpt dat opposant zich in verzet op het standpunt stelt dat sprake is van een bijzonder geval en een beroep doet op de aan de rechtbank toegekende mogelijkheid als opgenomen in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb om een langere termijn te stellen in het dictum.

Hetgeen opposant hiertoe aanvoert, te weten de organisatorische problemen om in de laatste twee weken van december binnen de gestelde termijn van twee weken een beslissing op het bezwaar te nemen, kan naar oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als bijzonder geval welke noopt tot het maken van een uitzondering op de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van twee weken. Opposant heeft, door niet eerder te reageren met en beslissing op het bezwaar, naar aanleiding van bijvoorbeeld de brieven van de gemachtigde van eiser van 2 november 2009 en 12 november 2009 en de brief van de rechtbank van 2 december 2009, het risico genomen te worden geconfronteerd met een door de rechtbank te stellen termijn van twee weken, waarbinnen opposant overigens in de brief van 7 december 2009 had aangegeven te kunnen beslissen.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het beroep terecht kennelijk gegrond is verklaard.

Het verzet zal derhalve met toepassing van artikel 8:55 Awb ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter en op 8 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier.

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen beroep open.