Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BL5227

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
AWB 10-414
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het zorgkantoor heeft geweigerd voorschotten van zijn persoonsgebonden budget (PGB) voor begeleiding aan betrokkene te verstrekken, omdat geen CIZ-indicatiebesluit voor begeleiding aanwezig is. Betrokkene heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij in financiële en psychische problemen raakt door het ontbreken van dit PGB.

Door de wijzigingen die per 1 januari 2009 in de AWBZ (pakketmaatregelen) zijn doorgevoerd, zijn de oude indicatiebesluiten met betrekking tot begeleiding tot uiterlijk 1 januari 2010 geldig. Na deze datum is een nieuw indicatiebesluit nodig. Eerst dan kan het zorgkantoor een PGB toekennen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, omdat geen CIZ-indicatiebesluit voor begeleiding aanwezig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 414 AWBZ

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2010

in de zaak van:

[naam verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.W.F. Menick, advocaat te Amsterdam,

tegen:

Achmea Zorgkantoor,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft verweerder geweigerd verzoeker voorschotten van het persoonsgebonden budget (PGB) te verstrekken.

Tegen dit besluit heeft bij brief van 21 januari 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 21 januari 2010 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, omdat tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak te doen zonder voorafgaande behandeling ter zitting en overweegt hiertoe het volgende.

Ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, voorzien burgemeester en

wethouders erin dat in hun gemeente ten behoeve van de inwoners een onafhankelijk

indicatieorgaan werkzaam is, dat kosteloos besluit of een inwoner is aangewezen op een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vormen van zorg.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het in artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ bedoelde orgaan in casu het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) is.

Artikel 9b, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat aanspraak op zorg, aangewezen ingevolge artikel 9a, eerste lid, van de AWBZ, slechts bestaat indien en gedurende de

periode waarvoor het bevoegde indicatieorgaan op een door de verzekerde ingediende aanvraag heeft besloten dat deze naar aard, inhoud en omvang op die zorg is aangewezen.

Ingevolge artikel 2 van het Zorgindicatiebesluit wordt als vorm van zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, AWBZ onder meer aangewezen de zorg, bedoeld in artikel 6 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: Besluit).

Met ingang van 1 januari 2009 zijn de zogeheten pakketmaatregelen AWBZ ingevoerd. Een belangrijke wijziging vormde het terugbrengen van de drie zorgvormen ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding en behandeling tot twee zorgvormen, te weten begeleiding en behandeling. Verder zijn de criteria voor indicatie voor begeleiding aangescherpt. De wijzingen zijn neergelegd in o.a. artikel 6 Besluit Zorgaanspraken AWBZ (BZA), dat met ingang van 1 januari 2009 als volgt luidt:

“Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

a. sociale redzaamheid,

b. het bewegen en verplaatsen,

c. het psychisch functioneren,

d. het geheugen en de oriëntatie,

e. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.

2. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekken tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van de verzekerde.

3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bestaan uit:

a. het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of handelingen

b. het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of

c. het overnemen van toezicht op de verzekerde.”

Ten aanzien van de vóór 1 januari 2009 afgegeven dan wel aangevraagde indicatiebesluiten voor activerende en ondersteunende begeleiding is in artikel VI, eerste lid, van het “Besluit van 1 december 2008, houdende wijziging van het BZA en enige andere besluiten in verband met wijziging van AWBZ-aanspraken op zorg” (Stb 2008, 533) bepaald dat artikel 6 Besluit Zorgaanspraken AWBZ, zoals dat luidde tot 1 januari 2009, van toepassing blijft, doch uiterlijk tot 1 januari 2010. De geldigheidsduur van de indicatiebesluiten is in lid 2 van dit artikel beperkt tot uiterlijk 1 januari 2010.

Verzoeker beschikte over een indicatiebesluit van 3 september 2008, waarin hij geïndiceerd was voor de functies OB algemeen klasse 3 en OB dag twee dagdelen. Dit indicatiebesluit had een looptijd tot 7 juni 2013. Gelet op de hiervoor weergegeven overgangsbepaling is de geldigheidsduur echter beperkt tot 1 januari 2010. Voor de periode na die datum zal CIZ een beoordeling moeten verrichten op grond van de gewijzigde regelgeving.

Vaststaat dat verzoeker thans niet beschikt over een CIZ-indicatiebesluit met betrekking tot begeleiding voor de periode na 1 januari 2010.

Verweerder heeft op die grond geweigerd verzoeker (voorschotten op zijn) PGB te verstrekken. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat dit besluit in de procedure zal standhouden. Daartoe is het volgende overwogen.

Artikel 2.6.4, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ (hierna: de Regeling) bepaalt dat een zorgkantoor een verzekerde een netto PGB verleent voor zover:

a. de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 2.6.1, onderdeel b, c of d, en

b. de verzekerde voor die vorm of die vormen van zorg een netto PGB heeft aangevraagd.

Het systeem van de indicatiestelling en de indicatierealisering, zoals onder meer

neergelegd in de hiervoor genoemde bepalingen, is aldus dat de besluitvorming over de indicatiestelling is voorbehouden aan CIZ en de besluitvorming over de realisering - in natura dan wel in de vorm van een PGB - aan het zorgkantoor. De wetgever heeft bij de invoering van artikel 9a van de AWBZ tot uitdrukking gebracht dat de taak van het indicatieorgaan om de zorgbehoefte van de verzekerde te beoordelen nadrukkelijk moet worden onderscheiden van de taak van de uitvoeringsorganen om de aanspraak op zorg tot gelding te (doen) brengen. Tot dat laatste behoort, indien de verzekerde daarvoor gekozen heeft, het tot gelding brengen door middel van het toekennen van een PGB (Centrale Raad van Beroep 1 april 2009, LJN BH9439).

Nu een indicatiebesluit voor begeleiding voor de periode vanaf 1 januari 2010 ontbreekt, is verweerder niet bevoegd (voorschotten van) een PGB aan verzoeker te verstrekken.

Het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzieningenrechter, en op 12 februari 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.